a year in reading; 2017

I am aware that, every time I have a conversation with a book, I benefit from someone's decision against silence.  —Yiyun Li, ‘Amongst Characters’, Dear Friend, from My Life I write to You in Your Life

*

eergisteravond las ik Han Kangs Wit uit. al snel nadat ik erin was begonnen te lezen maakte het me niet langer uit wat ze schreef. mijn geest had zich al lang overgegeven, het boek is volledig van zichzelf waardoor ik haar ook geloofde als ik haar niet volledig begreep. 

Wit is met veel oog voor detail uitgegeven; het is een witlinnen hardcover boek met op de voorkant een andere tint wit voor de titel, en grijs voor de naam van de auteur. op de achterkant van het boek staat enkel een Koreaans karakter voor wit (in dezelfde kleur wit als de titel) gedrukt: 흰.
de binnenkant bestaat uit zwarte woorden op wit papier, en veel witte ruimte. ruimte voor de afwezigheid van woorden, voor het dwalen van de geest, voor spoken.

het boek zit vol spoken.
ik houd van spoken. 

spoken; verhalen die stil worden gehouden, niet verteld mogen worden: terra incognita; schaamte en angst, en vooral verdriet. denk ik. de mooiste verhalen gaan over vergeten of weggestopte dingen.

zoals ik al zei maakte het me op een gegeven moment niet langer uit wat Kang schreef; ik vertrouwde de schrijver volkomen: ik vertrouwde dat ze wist waar ze over schreef en dat ze schreef wat ze schreef omdat het niet anders geschreven kon worden, omdat zij het niet anders kon schrijven.

dat gebeurt niet zo vaak en ik wilde weten, nadat ik de laatste regels had gelezen, waarom dat gebeurde. en waarom juist dit boek. (toen viel ik in slaap. ik weet het niet, ik denk er nog steeds over na.)

dit zijn de boeken die ongeveer hetzelfde teweeg brachten:

*

er was natuurlijk meer dat ik met veel aandacht las:

Deborah Levy, Hot Milk 
Catherine Lacey, The Answers 
Adrienne Rich, The Dream of a Common Language
Rachel Cusk, Transit en Contouren
Katie Roiphe, Het uur van het violet
Kate Zambreno, O Fallen Angel
Jessa Crispin, The Dead Ladies Project
Elif Batuman, The Idiot
Claire Messud, The Woman Upstairs
Carry van Bruggen, Eva 
Louise Glück, Vita Nova

bij ieder boek heb ik het idee gehad dat de schrijver wist wat ze wilde (er staan toevallig geen mannen in mijn lijst en dat is niet verwonderlijk: ik las slechts zes door-een-man-geschreven boeken.) en dat er iets gebeurde dat ik nog niet kende: dat er was geschreven wat er geschreven moest worden —.

& nu lees ik The Vegetarian van Han Kang; ik smul van de onhandige manier waarop de man leeft sinds zijn echtgenote vegetariër is geworden; sinds ze zich niet langer conformeert. het is voor mij onmogelijk medelijden met de man te hebben, ook al is hij degene die me het verhaal vertelt; zijn gedachten en verwachtingen zijn afschuwelijk.

— het boek wacht op me.

idaho/ emily ruskovich

ik weet niet hoe het universum werkt maar ik kom in de boeken die ik lees, films die ik bekijk, plotseling met regelmaat vrouwen tegen die een moord plegen. al deze vrouwen doden schijnbaar zonder reden.

is dat mogelijk, iemand het leven afnemen zonder aanleiding?
mijn hoofd zegt automatisch nee; maar dat betekent niet (automatisch) dat de daad te verklaren is.

in Idaho van Emily Ruskovich sterft een jong kind. het is een adembenemend hete dag, er wordt bovendien zwaar lichamelijk werk verricht; het lichaam neemt het over van de geest?
het jonge kind sterft omdat haar moeder een klein bijltje in haar hand houdt;
dat is wat de schrijver ons laat weten,

the center of it all.

het verhaal verdwijnt met de moeder achter tralies, met het geheugen van de vader, met het andere kind dat niet stierf maar lijkt te zijn opgeslokt door wat ze misschien heeft gezien. niets is zeker, vast staat alleen dat het kind dood is, dat de moeder daar schuld aan heeft, dat het andere kind er niet meer is, dat de vader de feiten langzaam aan het vergeten is —

(maar het feit dat hij aan het vergeten is voelt ongemakkelijk, vooral omdat zijn vergeetziekte hem gewelddadig maakt: hij laat littekens achter)

(kunnen vergeten herinneringen fantoompijn veroorzaken?)

het verhaal verdwijnt grotendeels maar er blijven snippers achter, flarden van een verleden die later door andere personages opgevangen lijken te worden.

*

Idaho is geen puzzel die met de pagina completer wordt, het plot is tegelijkertijd geen plot omdat het verhaal nooit het centrum raakt: het beweegt er omheen want alles dat Ruskovich vertelt beweegt richting dat punt, of er vandaan. (vorm en inhoud vervlochten.)
of: een verhaal kent geen begin en einde want de wereld stopt niet met draaien (waarom stopt de wereld nooit met draaien) en dus kan in ieder moment een beweegreden gezocht, gevonden, worden: maar dat betekent niets.
betekenis is persoonlijk. betekenis staat niet gelijk aan reden of logica, is misschien wel een illusie. tegelijkertijd is het er omdat ik er ben, jij er bent: omdat er personen zijn om iets persoonlijk te maken, om iets betekenis te geven.

het verhaal gaat dus niet over het stervende kind en de bewegingen die haar lieten sterven, maar over het leven daarvoor, en het leven daarna, en dat is wat zo interessant is: hoe de wereld verder gaat terwijl er zojuist een tragedie heeft plaatsgevonden: hoe de wereld verder gaat. nooit staat de wereld stil.
(waarom staat de wereld nooit stil.)

Idaho is niet geïnteresseerd in het waarom, of, misschien wel (een beetje), maar niet dwingend of dringend want de moeder weet het zelf niet dus hoe kan het verhaal of de schrijver het wel weten.

misschien is dat wel waarom Ruskovich het verhaal grotendeels door een buitenstaander laat vertellen; een buitenlandse muzieklerares, zij die een jaar na die verstikkende dag trouwt met de vader.
hij is dan al aan het vergeten.
nooit vergat hij hoe hij al voor de dood van zijn jongste dochter een liefde voelde groeien voor de muzieklerares.
wel vergat hij hoe hij haar liederen neuriede, die dag dat zijn jongste dochter stierf.

maar wat is echt als de drie mensen die kunnen getuigen daar niet toe in staan zijn: er zijn geen woorden, geen herinneringen, er is geen aanwezigheid. en zo draait de wereld door, blijven buitenstaanders achter met slechts flarden van een verhaal.

*

Hij kent de namen van al die bergen die hij kan zien, elke naam van elke berg behalve die waarop hij staat. De wolken zijn zacht en grijs, de ijle, koude wind raakt zijn nek aan. Van de ramen van hutten in de verte komt een verblindende zilverglans, helemaal aan de andere kan van het dal, tussen de bomen op de tegenovergelegen bergen. Het gras hierboven is blauw. Lange, scherpe sprieten waar de honden tunnels in uitbreken met hun lijf. De keien hebben water in hun groeven, korstmos, als getijdenpoelschepsels die zich uitspreiden in het flauwe zonlicht. Beneden vliegen de kraaien heen en weer tussen de toppen van de ceders. Hierboven zijn alleen maar kleine bomen, waarvan de wortels over de rotsen ploeteren.

some notes on lying

uit het essay ‘Woman and Honor: Some Notes on Lying’ (On Lies, Secrets, and Silence. Selected Prose 1966-1978, Norton 1995 p. 187-188) van Adrienne Rich:

The liar often suffers from amnesia. Amnesia is the silence of the unconscious.

To lie habitually, as a way of life, is to lose contact with the unconscious. It is like taking sleeping pills, which confer sleep but blot out dreaming. The unconscious wants truth. It ceases to speak to those who want something else more than truth.

In speaking of lies, we come inevitably to the subject of truth. There is nothing simple or easy about this idea. There is no "the truth," "a truth"— truth is not one thing, or even a system. It is an increasing complexity. The pattern of the carpet is a surface. When we look closely, or when we become weavers, we learn of the tiny multiple threads unseen in the overall pattern, the knots on the underside of the carpet.

This is why the effort to speak honestly is so important. Lies are usually attempts to make everything simpler—for the liar—than it really is, or ought to be.

In lying to others we end up lying to ourselves. We deny the importance of an event, or a person, and thus deprive ourselves of a part of our lives. Or we use one piece of the past or present to screen out another. Thus we lose faith even with our own lives.

The unconscious wants truth, as the body does. The complexity and fecundity of dreams come from the complexity and fecundity of the unconscious strugglin to fulfill that desire. The complexity and fecundity of poetry come from the same struggle.

wat nu als kippen vermomde engelen zijn

WEESVRAGEN
Anne Vegter
uit Wat helpt is een wonder

wat zeggen we liever, ja of nee
wat kunnen we niet delen
wat is het gewicht van een vraag
wat kunnen planten horen
wat is de lucht waard die we uitademen
wat weten kleuters van het gareel waar ze in lopen
wat weegt een emotie

waar is de gedachte die ons niet te binnen schiet

waarom zingen vogels nooit vals
waarom houden we van fonteinen
waar slaan we onze dromen op
waarom ben ik een raadsel voor mezelf
waarom verdragen we het leed van anderen
waar houdt ons geweten zich op
waarom verdragen we extern gezag
waarom worden de halfjes bruin steeds kleiner
waarom zijn daden meer waard dan motieven
waar is mijn andere sok

waarom raken onze seksuele fantasieën sleets

waar blijven de gezichten die ik zag
waar zijn al mijn tweede sokken
wanneer is ons geheugen vol

waarom geloven we

welke daden zijn maar woorden
welk bezit kan ons gestolen worden
welke gewenning maakt ons tot slachtoffer
welke gewenning maakt ons tot dader

hoe verdwijnt ons geweten
hoeveel liefde verdragen we
hoe groeit ons geweten aan
hoe hoog kan de spanning worden tussen waarheid en woede
hoeveel stemmen kunnen we onthouden

hoe kunnen we omgaan met onzekerheid over onszelf
wat kan ik nog zeggen als iedereen praat
hoe kunnen we omgaan met onzekerheid over de wereld

wat is het verband tussen schoenen en sleutels
wat is het verband tussen armoede en natuurrampen
wat is het verband tussen klankdichters en het effect van hypnotherapie
wat is het verband tussen olieprijzen en vluchtelingen
wat is het verband tussen kindertijd en dictatuur
wat is het verband tussen het koningshuis en Wikipedia
wat is het verband tussen scholing en egoïsme
wat is het verband tussen deemoed en armoede
wat is het verband tussen netwerk en rijkdom
wat is het verband tussen globalisme en eenzaamheid
wat is het verband tussen discipline en publieksaantallen
wat is het verband tussen Schönberg en Bach

waarom worden onze schulden steeds meer waard

wat nu als asielzoekers een partij oprichten
wat nu als kippen vermomde engelen zijn
wat nu als het belastingparadijs vol is
wat nu als Europa zich beperkt tot een muur
wat nu als de Neanderthaler niet is uitgestorven
wat nu als alle kleuren vervagen
wat nu als liefde overschat wordt
wat nu als porno heel gezond is
wat nu als de wetenschap zich vergist
wat nu als de wetenschap zich niet vergist
wat nu als nadenken te duur wordt
wat nu als god toch bestaat

over verspilling en verwildering

Onlangs kwam ik de volgende afbeeldingen tegen:




marco cadioli, squares with concentric circles seen from above
from the google earth satellite

Ik wist waar ik naar keek omdat ik een paar jaar geleden de documentaire Watermark (2013; een aanrader) zag, waarin wordt gekeken naar de manier waarop de mensheid met 's werelds water omgaat. Squares with concentric circles seen from above from the google earth satellite (klik hier voor meer) is een voorbeeld van wat we de aarde aandoen, hoe we de aarde gijzelen. Dit zijn afbeeldingen die gevangenschap illustreren.

De cirkels hierboven zijn het gevolg van desert agriculture: het bedrijven van landbouw op plekken waar het normaal gesproken weinig tot niet regent, en waar de grond dat dus eigenlijk niet aankan (o.a. Texas, Kansas). Daar wordt gebruik gemaakt van een irrigatie-systeem dat center pivot irrigation heet, een manier van beregenen waarbij een enorme arm rond een centraal aanvoerpunt draait.

Dit irrigatie-systeem maakt gebruik van grondwater waar steeds dieper voor moet worden geboord.

Ik moest aan Cadioli's cirkels denken toen ik onlangs De vlucht van de hommel van Dave Goulson las. Dit boek bestaat grotendeels uit reisverslagen: in verband met zijn wetenschappelijke werk wordt Goulson regelmatig uitgenodigd om hommels te komen (be)zoeken. Tijdens zo'n werkbezoek aan Californië (waar men last heeft van aanhoudende droogte, een direct gevolg van het plaatsen van de Glen Canyondam) werd hij met de neus op de feiten gedrukt omtrent het waanzinnige waterverbruik ten behoeve van landbouw (volgens Watermark gaat 70% van het water dat de mens gebruikt naar de landbouw):

Sommige amandeltelers hebben het recht het slinkende rivierwater voor irrigatiedoeleinden te gebruiken, maar anderen niet, en zij zien zich genoodzaakt diep in waterhoudende grondlagen te boren om water op te pompen. Boorbedrijven werken zich een slag in de rondte en er zijn wachtlijsten van een jaar. Moesten ze eerst misschien slechts een meter of 150 diep boren voor ze op water stuitten, tegenwoordig moeten ze twee keer zo diep gaan (..). Het is bovendien verontrustend: het water uit die grondlagen, dat daar misschien wel duizenden of zelfs miljoenen jaren opgeslagen heeft gelegen, wordt opgebruikt. Er wordt niet op toegezien en bijgehouden hoeveel water er wordt opgepompt, noch hoeveel putten er worden geslagen (..). Dat is niet alleen een probleem in Californië: in de hele VS wordt elk jaar de verbijsterende hoeveelheid van 25 kubieke kilometer water opgepompt. (p163)

1 kubieke kilometer = 1 kilometer × 1 kilometer × 1 kilometer.

*

Er staan (gelukkig) ook positieve verhalen in De vlucht van de hommel. Goulson vertelt onder andere over een ‘regenwoud in de monding van de Theems’, West Thurrick Lagoons (of Oliver Road Lagoon). Het gebied, waar eerst een kolencentrale stond, werd gebruikt om gepulveriseerde as te dumpen. Na zo'n twintig jaar met rust te zijn overgelaten bleek de plek ineens interessant wild leven te bieden; zo interessant dat er naar verluid zeldzame hommels wonen.

Vanwege de interessante begroeiing, en het unieke leven aldaar, probeerden natuurorganisaties het dreigende verkoop van het gebied te voorkomen. Dat is slechts deels gelukt, maar het is deels gelukt: meestal gaat economie voor ecologie.

west thurrick lagoons, londen

Een ander voorbeeld is Canvey Island. Het ligt direct aan de Theems, waardoor het ooit een getijdengebied was en er dus van alles leefde: weekdieren, waadvogels, en zo meer. In verband met overstromingen werd er besloten een betonnen zeewering te plaatsen. Dat had uiteraard gevolgen voor de plaatselijke ecologie: die verdween, feitelijk. Er werd daarna nooit echt iets met het gebied gedaan: wederom werd een verlaten plek overgenomen door een uitzonderlijke fauna:

.. alleen al vijf van de zeldzaamste hommelsoorten van Groot-Brittannië en minstens driehonderd soorten nachtvlinders. Dertig van de ongewervelden die er voorkomen staan op de Britse rode lijst van bedreigde diersoorten. (p225)

Het is nu een natuurreservaat, opnieuw vanwege inmenging van natuurorganisaties, maar zoals gezegd: meestal gaat economie voor ecologie. Er zijn nog altijd ontwikkelingsplannen en het feit dat Canvey Island nú een natuurreservaat is betekent vermoedelijk alleen dat er een extra document getekend moet worden zodra plannen concreet worden.

Geld is het toverwoord: de grootste succesverhalen in Goulsons boek gaan over privé-projecten. Knepp Castle is bijvoorbeeld mogelijk omdat de huidige eigenaar het gebied heeft geërfd. Het is een prachtig initiatief, maar ik vind het eigenaardig dat natuur alleen ongestoord mag verwilderen als land privé-bezit is; als het de keuze van de eigenaar (tussen haakjes?) is. Over de rest – reservaten, openbaar groen, etcetera – valt blijkbaar te onderhandelen.

*

Wilde natuur, volgens Robert Macfarlane (in De laatste wildernis): de tomeloosheid van de groene natuur, de pure, woeste en chaotische kracht van het eindeloze, organische bestaan. Die tomeloosheid had niets van doen met onherbergzaamheid, maar alles met volheid, vitaliteit en plezier. Onkruid dat opschiet uit een barst in een stoep, een boomwortel die onbeschaamd door het asfaltpantser heen breekt: het waren evenzeer tekenen van vrije natuur als een vloedgolf of een sneeuwvlok.

de regels gelden niet

Eerder dit jaar las ik het woeste boek Why I Am Not a Feminist van Jessa Crispin. Crispin is van mening dat het feminisme wordt misbruikt en deels is overgenomen door het systeem dat de suffragettes en eerste feministen juist verafschuwden: het patriarchaat, het kapitalisme. Ze is woest omdat het niet langer een beweging van verzet is, maar van verbetering. Verbetering wijst op participatie, terwijl verzet afkeuring betekent. En verzet is wat nodig is: het systeem is kapot, het blijft mensen buitensluiten op basis van ras, milieu, geaardheid, achtergrond, religie (etcetera). Het is aan vervanging toe: een likje verf doet geen wonderen als de fundatie verrot is.

Crispin:
The patriarchy is more than a matter of a woman's personal freedom. It is not us versus them. It is the system by which the powerful maintain their position through the control and the oppression of many. Misogyny, as well as racism, homophobia, and whatever word we will come up with to classify the pretty obvious fear and hatred of the impoverished that dominates our public life, is a logical outgrowth of the patriarchy. In order to take advantage of someone, in order to think of them as a resource to be exploited, it helps to dehumanize them. (p56)

Machthebbers vinden het vanzelfsprekend dat ze zich weinig tot geen zorgen hoeven te maken over onderdak, voedsel, onderwijs, recht, zorg. Sterker: het is alsof die macht een prestatie is, en het gevolg van het maken van de juiste keuzes. 

Deze machthebbers maken deel uit/ zijn de leiders van het patriarchaat. Of ze nu man of vrouw zijn.

*

Bij het lezen van Ariel Levy's memoir De regels gelden niet dacht ik regelmatig terug aan Jessa Crispins boek. Levy is wit, hoogopgeleid, en is zo iemand die een warm plekje toebedeeld heeft gekregen in de hiërarchie van het patriarchaat. Hoewel ze hier weet van heeft is het niet iets dat haar werkelijk bezig houdt.

Dat kan ze zich veroorloven. Haar boek getuigt hiervan.

Nu kun je zeggen: misschien is dit wat ze heeft geschreven om juist dát in beeld te brengen: veel mensen gebruiken wat er te gebruiken valt en willen zich geen zorgen hoeven maken om het lot van anderen. Anderen: zij die niet in Levy's bubbel wonen; zij, de mensen die ze in de brandende zon op velden ziet werken en ze van afstand identificeert als mensen uit Mexico of Guatemala; zij, de mensen die haar boodschappen komen brengen en Aziatisch of Latijns-Amerikaans zijn. Zij; de Anderen. 

Als dat haar bedoeling was had ze enige contemplatie moeten toepassen, ergens. Bovendien: white privilege is reeds alomtegenwoordig, er zijn voorbeelden te over. Juist omdat zij deel uitmaakt van die klasse had ze daar iets mee moeten doen, had ze er in ieder geval op papier over mogen nadenken. Levy erkent haar bevoorrechte positie, en de voor(oor)delen die dat met zich mee brengt, maar ze haalt tegelijkertijd haar schouders op; niets aan te doen.

Levy laat verdieping aldoor achterwege. Het boek is opvallend oppervlakkig.

*

Crispin:
Being marginalized should have awoken us to how the system works. It should have made us acutely aware of the other people who were not protected. Instead it made us selfish. It made us focused on our own advancement, our own entitlement. (p65)

*

Iets anders dat me opviel: Levy's feminisme is nogal ouderwets, en draait vooral om controle. Ik vraag me oprecht af of Levy wel eens een feministisch boek heeft gelezen dat niet door een witte vrouw is geschreven. Haar feminisme maakt deel uit, en gebruik, van het bestaande systeem, en Levy lijkt totaal niet geïnteresseerd in verzet of hervorming. 

Voorbeelden:

We zijn opgevoed met de gedachte dat we alles konden doen wat we maar wilden, dat we vrij waren om onszelf te zijn. En veel van de revolutionaire dromen van onze ouders waren ook uitgekomen. Een zwarte man kon zowaar president worden. Het was min of meer oké om homo te zijn, en zelfs om te trouwen als homo. Als vrouw kon je een veeleisende carrière hebben en hoefde je niet per se echtgenote of moeder te worden (ook al had het nog steeds de voorkeur: het oudevrijsterschap had zijn stigma nog bepaald niet verloren). (p20)

Vrouwen van mijn generatie kregen dankzij het feminisme de macht over ons handelen in de schoot geworpen: de overtuiging dat we zelf mochten uitmaken hoe we ons leven wilden leiden en wat er van ons zou worden. (p75)

Ik wilde wat zij ook wou, wat we allemaal willen: alles. We willen een maatje dat even vertrouwt voelt als familie en een exotische, verrassende bedgenoot. We willen jonge avonturiersters zijn en middelbare moeders. We willen intimiteit en autonomie, geborgenheid en spanning, geruststelling en het onbekende, gezelligheid en opwinding. (p96)

‘We’, schrijft Ariel Levy, maar ze sluit Anderen buiten door te generaliseren.

Het stoort mij dat een veelgelezen schrijver, door zichzelf en de media feminist genoemd, niet in de gaten heeft dat ze schade aanricht door bijvoorbeeld oeroude fabels over vrouwen en het moederschap in stand te houden. Het lijkt er op Levy daar niet bij heeft stilgestaan, en dat is mijn probleem met De regels gelden niet: het voelt alsof er niet, of maar half, over het werk is nagedacht. Het ontbreken van die reflectie is voor mij een groot struikelblok.

external equivalents for truths

‘Flying over the desert yesterday, I found myself lifted out of my preoccupations by noticing suddenly that everything was curved. Seen whole from the air, circumscribed by its global horizon, the earth confronted me bluntly as a context all its own, echoing that grand sweep. I had the startling impression that I was looking at something intelligent. Every delicate pulsation of color was met, matched, challenged, repulsed, embraced by another, none out of proportion, each at once unique and a proper part of the whole. The straight lines with which human beings have marked the land are impositions of a different intelligence, abstract in this arena of the natural. Looking down at these facts, I began to see my life as somewhere between these two orders of the natural and the abstract, belonging entirely neither to the one nor to the other.

In my work as an artist I am accustomed to sustaining such tensions: a familiar position between my senses, which are natural, and my intuition of an order they both mask and illuminate. When I draw a straight line or conceive of an arrangement of tangible elements all my own, I inevitably impose my own order on matter. I actualize this order, rendering it accessible to my senses. It is not so accessible until actualized.

An eye for this order is crucial for an artist. I notice that as I live from day to day, observing and feeling what goes on both inside and outside myself, certain aspects of what is happening adhere to me, as if magnetized by a center of psychic gravity. I have learned to trust this center, to rely on its acuity and to go along with its choices although the center itself remains mysterious to me. I sometimes feel as if I recognize my own experience. It is a feeling akin to that of unexpectedly meeting a friend in a strange place, of being at once startled and satisfied—startled to find outside myself what feels native to me, satisfied to be so met. It is exhilarating.

I have found that this process of selection, over which I have virtually no control, isolates those aspects of my experience that are most essential to me in my work because they echo my own attunement to what life presents me. It is as if there are external equivalents for truths which I already in some mysterious way know. In order to catch these equivalents, I have to stay turned on all the time, to keep my receptivity to what is around me totally open. Preconception is fatal to this process. Vulnerability is implicit in it; pain, inevitable.’

Anne Truitt, Daybook. The Journal of an Artist.

forgetting your own head/ ali smith

To forget it, to forget what made us, where it might take us, it's like, I don't know. Forgetting your own head. (p312)

*

Winter: het gaat over familie en herinneringen en krenterigheid en fatsoen; en ja, het is een spookverhaal maar spookachtig op een nieuwe manier; spoken zijn flarden, minieme overblijfselen van wat ooit was, of misschien nog altijd is maar niet langer als waardevol wordt gezien door de meerderheid van de bevolking.

Spoken: wat er overblijft als aandacht alleen nog wordt gericht op het nu, het nu, almaar het nu. Dat nu dat voor een grote groep mensen geen relatie meer heeft met eerdere nu's: eerdere momenten: eerdere gebeurtenissen. Geschiedenis: het spookt.

Maar misschien kan iets ook spoken als het een leugen is: omdat het geen ondergrond heeft: het zweeft en heeft geen inhoud: het is nergens op gebaseerd. En toch is het er, want het heeft een vorm. Kleedt het aan en niemand kijkt naar waar het de grond zou moeten raken.

Misschien komt het hier op neer: copyright. Een van de personages merkt op dat bijna alles copyright heeft, tegenwoordig, behalve de natuur. En dus verdwijnt het.

Copyright. Controle hebben. Op het eigen product; over het eigen leven, de gang van zaken in het eigen leven. (Het leven als product zien: buitenkant.) In de gaten hebben en houden wat er gaande is. In Winter raken beide hoofdpersonen de controle kwijt. Ze weten wat ze weten maar ze weten niet wat ze niet weten. Gaten. (Niet dat weten garantie biedt. Wel biedt het uit-/inzicht.) Door omstandigheden (en omstanders) worden de twee gedwongen naar binnen te gaan, lichten te ontsteken in de duisternis. (Niet dat licht garantie biedt. Wel biedt het uit-/inzicht.)

*

Beelden, verhalen, mensen aan de vergetelheid ontrukt; meer spoken. Wel genoemd, niet afgebeeld, in Ali Smiths Winter (onder meer):

edouard boubat: ‘la petite fille aux feuilles mortes’
(the little girl with dead leaves)

magnolia stellata (stermagnolia)

het pantheon, rome

barbara hepworth
by ida kar,1961. national portrait gallery

*

That's what winter is: an exercise in remembering how to still yourself then how to come pliantly back to life again. An exercise in adapting yourself to whatever frozen or molten state it brings you. (p66)

what makes it possible to write is sometimes an extreme contrast/ bhanu kapil

“Knausgaard (up on the stage in aforementioned blue suit, sweating so hard his face turned a shade of bottle-green beneath the stage lights) said: "Though I love Munch, whose trust in the world was broken, and whose painting was an attempt to repair that trust, I myself am an innocent writer, or naive writer, whose trust in the world has not been broken and I write from that place."

(..)
Fast forward.   It is night.   I wake up at 4 a.m. and begin to write.   I have been dreaming.   The dreaming is a kind of knowing.  It is what I knew in the audience, where I was, like a steamed trout ready to be devoured by killers.   I knew that I was the very opposite of this tall man who had written so much about his body, and the body-life.  I thought suddenly of all the writers I know who write -- in extreme ways -- about the body and the body-life.  Their poetry and essays and novels have been downloaded into my soul like the copper pennies that are fed into a slot machine that then emits them, the flattened pennies, with an imprint or word or stamp.  I have been stamped.  I have read a hundred books.  In that moment, in the audience, I understood that I was a writer whose trust in the world had been broken.  Does trust have a gender?  I understood that all the writers I loved were like this too.  And why we write has a different history that perhaps all my life I have been trying to attend to, or recount.

And so I woke up, with a sound in my head.  The voice I have been waiting for.  Sat up.  And wrote twenty pages.

If he can do it, why can't I?

That's what I felt in the audience, the intense contrast.  And the sudden realization that I could do it too.

Why not us?

(..)
Because perhaps.

What makes it possible to write.

Is sometimes an extreme contrast.”

*
Bhanu Kapil, ‘What makes it possible to write is sometimes an extreme contrast’.

als wassend water

‘Ik sta in mijzelf opgestegen tot de rand, als wassend water –, alles van mijzelf, ook wat ik voor gestorven hield, en wat vergeten scheen of al eerder uitgesproken, of weggesleten, of terzijde gelegd... (..) die volheid in mij, die benauwdheid, die toch niet anders dan een prop van ongevraagde vragen kan zijn, die wordt maar niet minder, wat ik ook vraag.’ (p162)

Carry van Bruggen, Eva (Astoria Uitgeverij 2015).

die aufzeichnungen des malte laurids brigge (ii)

‘Here I sit, and I am nothing (Ich sitze hier und bin nichts). And yet, this nothing begins to think, and five flights up (fünf Treppen hoch), on a grey Paris afternoon, thinks this:

Is it possible, it thinks, that we have neither seen nor perceived nor said anything real or of any importance (nichts Wirkliches und Wichtiges) yet? Is it possible that we have had thousands of years to look, ponder and record, and that we have let those thousands of years pass like a break at school, when one eats a sandwich and an apple?

Yes, it is possible (Ja, es ist möglich).

Is it possible that despite our inventions and progress, despite our culture, religion and knowledge of the world, we have remained on the surface of life (an der Oberfläche des Lebens)? Is it possible that even that surface, which might still have been something, has been covered with an unbelievably boring material, leaving it looking like drawing-room furniture in the summer holidays?

Yes, it is possible.

Is it possible that the entire history of the world (die ganze Weltgeschichte) has been misunderstood? Is it possible that we have the past all wrong, because we have always spoken of its masses, exactly as if we were describing a great throng of people, rather than speaking of the one man they were all gathered around — because he was a stranger and was dying (weil er fremd war und starb)?

Yes, it is possible.

Is it possible that we imagined we had to retrieve (nachholen zu müssen) what had happened before we were born? Is it possible that every single one of us had to be reminded (erinnern müßte) that he came from all those who had gone before, and that, knowing this, he would refuse to listen to others possessed of other knowledge (die anders wüßten)?

Yes, it is possible.

Is it possible that all these people have an exact knowledge of a past (eine Vergangenheit) that never happened? Is it possible that all realities (alle Wirklichkeiten) are nothing to them; that their life is winding down, connected to nothing at all (mit nichts verknüpft), like a clock in an empty room —?

Yes, it is possible.

Is it possible that one knows nothing of girls, who are nonetheless living? Is it possible that one says ›women‹, ›children‹, ›boys‹ without any suspicion (none whatsoever, despite all one's education) (und nicht ahn (bei aller Bildung nicht ahnt)) that these words have long since had no plural, but only countless singulars?

Yes, it is possible.

Is it possible that there are people who say ›God‹ (Gott) and suppose they mean something shared by all (Gemeinsames)? — (..) Ah, yes: is it possible to believe we could have a god without making use of him?

Yes, it is possible.

But if all of this is possible, if there is even so much as a glimmer of possibility to it, then something must be done, for pity's sake (um alles in der Welt). Anyone — anyone who has had these disquieting thoughts — must make a start on some of the things that we have omitted to do; anyone at all, no matter if (s)he is not the aptest to the taks: the fact is, there is no one else. This young foreigner of no consequence, Brigge, will have to sit himself down, five flights up, and write, day and night: yes, that s what it will come to — he will have to write (ja, er wird schreiben müssen, das wird das Ende sein).’

*
Rainer Maria Rilke, Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge.

die aufzeichnungen des malte laurids brigge

Ich lerne sehen. Ich weiß nicht, woran es liegt, es geht alles tiefer in mich ein und bleibt nicht an der Stelle stehen, wo es sonst immer zu Ende war. Ich habe eine Inneres, von dem ich nicht wußte. Alles geht jetzt dorthin. Ich weiß nicht, was dort geschieht.

‘I am learning to see. Why, I cannot say, but all things enter more deeply into me; nor do the impressions remain at the level where they used to cease. There is a place within me of which I knew nothing. Now all things tend that way. I do not know what happens there.’ (vert. Michael Huse)

‘Ik leer zien. Ik weet niet, waar het aan ligt, alles dringt dieper in mij door en houdt niet op bij de plaats, waar het anders altijd een einde vond. Ik heb een innerlijk, waar ik niets van wist. Alles gaat daar nu heen. Ik weet niet wat daar gebeurt.’ (vert. Pim Lukkenaer)


Rainer Maria Rilke: Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge / The Notebooks of Malte Laurids Brigge / De aantekeningen van Malte Laurids Brigge.

part of their memory

‘The woods are full of wild anemones now, shall we go? (..) I said wild anemones, flowers, hundreds and thousands of wild flowers all over the ground under the trees all the way up to the gazebo. They have no smell but they have a presence just like a perfume and quite as obsessive, I shall remember them all my life.
     Are you going somewhere Darling?
     Yes, going to the woods.
     Then why do you say you will remember them all your life?
     Because you are part of their memory and you are going to disappear, the anemones are going to blossom eternally, we are not.’

&

‘You may not believe in magic but something very strange is happening at this very moment. Your head has dissolved into thin air and I can see the rhododendrons through your stomach. It's not that you are dead or anything dramatic like that, it is simply that you are fading away and I can't even remember your name. I remember your white flannels better than I can remember you. I remember all the things I felt about the white flannels but whoever made them walk about has totally disappeared.’

Leonora Carringtons protagonist in The Hearing Trumpet weet dat ze niet is waar ze voelt dat ze is maar dat is geen probleem. Ze bedenkt het terwijl het gebeurt & uiteindelijk, weet ze, zal dit alles verdwijnen. Dat neemt echter niet weg dat ze de anemonen haar leven lang niet zal vergeten, de bloemen die keer op keer zullen bloeien, altijd terug zullen keren terwijl zij zelf zal verdwijnen, ooit, voorgoed; zoals wij allen ooit zullen verdwijnen. Maar, die mooiste gedachte: you are part of their memory.

that kind of feminist/ sara ahmed

‘I have always resisted the idea that feminist killjoys mature, grow by growing up, and that maturity is about becoming less volatile. Maturity is without question the wrong term for my attempt to think through timing. The idea that maturing out of being a feminist killjoy assumes or hopes that feminism itself, or at least being that kind of feminist, the wrong kind, the one who always insists on making feminist points, the one who is angry, confrontational, is just a phase you are going through.

If being a feminist killjoy is a phase, I willingly aspire to be a phase.

The idea that you mature out of being a feminist killjoy, that in growing up you unbecome her, also implies a linear development and progression: as if being unaffected or less bothered is the point you should reach; what you should aim to reach. It associates maturity with giving up, not necessarily conviction as such, but the willingness to speak from that conviction.’ p173

Sara Ahmed, Living a Feminist Life.

to still the yammering brain/ kathleen jamie

‘This is what I want to learn: to notice, but not to analyze. To still the part of the brain that's yammering, My god, what's that? A stork, a crane, an ibis? — don't be silly, it's just a weird heron. Sometimes we have to hush the frantic inner voice that says Don't be stupid, and learn again to look, to listen. You can do the organising and redrafting, the diagnosing and the idenitying later, but right now, just be open to it, see how it's tilting nervously into the wind, try to see the colour, the unchancy shape — hold it in your head, bring it home intact.’ p42

Kathleen Jamie, Findings.

fake/ the woman upstairs

‘It occurred to me, not for the first time, that Lili's world was not so different from my dioramas, or even from Sirena's installations: you took a tiny portion of the earth and made it yours, but really what you wanted was for someone else – ideally, a grown-up, because a grown-up matters, has authority, but is also not the same as you – to come and see, to get it, and thereby, somehow, to get you; and all of this, surely, so that you might ultimately feel less alone on the planet. And what was also true was that I was happy to be in Lili's hidden lair – more than happy, I was honored – but after a few minutes I wanted to get out of it. I wanted to lift the blanket and climb back into the room and stretch my limbs and leave the dollies and their crumbs and their thimble-cups of cold tea (with milk, if you please) behind, and go back to my grown-up friends and their conversation. For fifteen of the twenty minutes I stayed in there, I was humoring her.
       And this was why, I told myself, I didn't want to show my art to anyone, even though showing it had always, from the beginning, been a large part of the point: I didn't want to show it because I didn't want to be humored. I didn't want anybody to feel they had to say nice things, or say anything at all, because I could tell they were fake, I could always tell, and I hated it. I didn't want anybody to tell me it wasn't any good – just as Lili would have been shocked if I'd said such a thing to her: these were not the terms of her world at all – and I didn't particularly want anyone to tell me it was good, either. I just wanted to be got, and I didn't trust that I would be.’ p69-70

Claire Messud, The Woman Upstairs

make it burn/ the woman upstairs

‘ (..) I'm not an Underground Woman, harboring resentment for my miseries against the whole world. Or rather, it's not that I'm not in some sense an Underground Woman – aren't we all, who have to cede and swerve and step aside, unacknowledged and unadmired and unthanked? Numerous in our twenties and thirties, we're positively legion in our forties and fifties. But the world should understand, if the world gave a shit, that women like us are not underground. (..) We're always upstairs. We're not the madwomen in the attic – they get lots of play, one way or another. We're the quiet woman at the end of the third-floor hallway, whose trash is always tidy, who smiles brightly in the stairwell with a cheerful greeting, and who, from behind closed doors, never makes a sound. In our lives of quiet desperation, the woman upstairs is who we are, with or without a goddamn tabby or a pesky lolloping Labrador, and not a soul registers that we are furious. We're completely invisible. I thought it wasn't true, or not true of me, but I've learned I am no different at all. The question now is how to work it, how to use that invisibility, to make it burn.’ p6

Claire Messud, The Woman Upstairs.

narcistische mishandeling (ii)

Ik heb het boek nog niet helemaal uit, maar kan al wel vaststellen dat ook het tweede boek van Iris Koops een prettig naslagwerk is. Waar Herstellen van narcistische mishandeling vooral onderzoekt wat narcistische mishandeling is en hoe je er achter komt of je daar inderdaad mee te maken hebt (gehad), helpt Je leven in eigen hand te dealen met het zwarte gat dat onstaat zodra er wordt geaccepteerd dat er inderdaad sprake is (geweest) van narcistische mishandeling.

Ik zeg heel stoer dat het een prettig naslagwerk is, maar het is ook een confronterend werk over wat er in de geest verschoven wordt om ruimte te maken voor de wil en gevoelens (/het bestaan) van een ander. De ruimte voor de narcist. Het zwarte gat dat overblijft als de invloed van die narcist langzaam wordt weggewerkt. Maar ook dat is lastig, want wat is een gevolg van die invloed en wat is daadwerkelijk van het zelf?

& inderdaad, wat te doen met de ruimte die onstaat? Hoe wek ik dat (verborgen/overgebleven) zelf weer tot leven? Uit Je leven in eigen hand:

Tijdens een relatie met een narcist of psychopaat ontwikkel je een bepaald overlevingsgedrag. Dit gedrag is erop gericht om te kunnen overleven binnen deze destructieve relatie. Het herstel is er juist op gericht, los te komen van deze relatie en bijbehorend gedrag. Het gaat erom weer jezelf te worden. Als je identiteit nauwelijks gevormd is of nooit tot uiting heeft mogen komen, is het moeilijk om de gebaande paden, namelijk het jou zo bekende overlevingsgedrag, te verlaten. Nieuwe wegen ontdekken vereist moed.’ p237

Hetzelfde boek (h)erkent waar de valkuilen liggen, hoe triggers werken & hoe deze op te vangen, en heel veel meer.

*

Bizar: de narcist is leeg maar zijn slachtoffer dient ruimte te maken; almaar meer ruimte te maken.

*

Ik heb aldoor de neiging dit alles nu te.. relativeren. Het is voor ‘normale’ (hierover zostraks meer) mensen ongetwijfeld moeilijk de gevolgen van narcistische mishandeling voor slachtoffers in te schatten. De vragen die men, naar ik mij voorstel, stelt zijn dan ook naïef: waarom deed je er niets aan? Waarom zei je er niet iets van? Dergelijke vragen leiden tot schaamte en twijfels, want inderdaad, waarom deed ik niet iets?

Ondertussen weet ik dat het niet zo simpel is: 1) ieder mens leeft slechts één leven, er is dus geen vergelijkingsmateriaal: het slachtoffer heeft geen idee van de abnormaliteit van de situatie; 2) de narcist luistert niet. Simpelweg, niet. Het maakt niet uit waar het om gaat: zolang je het niet met hem eens bent is hij niet geïnteresseerd in wat je te zeggen hebt. Dat geldt voor alles: aangeven wat je voelt, wat je ziet, waarom je iets wel of niet wilt, wat je mooi of lekker of lelijk vindt, waar je pijn voelt, waar de theedoek hangt, dat het regent — zolang de narcist het zelf niet (als dusdanig) ervaart wordt jouw ervaring niet serieus genomen. Als iets echt niet valt te ontkennen (denk aan missende ledematen, aan bloed: onomstotelijk bewijs), is het jouw eigen verantwoordelijkheid, ook als iemand anders (bijvoorbeeld de narcist zelf) jou iets heeft aangedaan.

Er wordt, kortom, keer op keer over je heen gewalst. Je bestaat maar je bestaat niet. Zo voelt het.
Ik weet niet hoe ik dit duidelijker kan maken.

*

Ik dacht lang dat het normaal was overal aan te twijfelen; mijn eigen ideeën, sensaties, ervaringen, minder serieus te nemen dan die van anderen. Zoals ik in mijn blogpost over Koops’ eerste boek al zei:

Jarenlang samenleven met een narcist kan er [..] voor zorgen dat de eigen beleving volledig verdwijnt.

De grens tussen de ander en het zelf bestaat dan niet. Het gevolg is dat er nooit een keuze wordt gemaakt zonder (lang) stil te staan bij de wensen en/of gevolgen van/voor anderen: in eerste instantie de narcist; later iedereen.

Van jongs af aan te maken hebben met een narcist is hard: je voelt je nooit veilig. Je weet nooit wat te verwachten: en dat is wat je wordt: in afwachting. Wel weet je dat er altijd een reactie zal komen (ook al is die reactie soms een langdurig zwijgen) en dus zul je moeten leren anticiperen en incasseren. Maar onberekenbare mensen zijn niet te vertrouwen, en onberekenbare mensen zijn niet eerlijk. Je leert al op jonge leeftijd dat er geen normen, geen waarden zijn die staan, en blijven staan ongeacht de situatie: niets is normaal. & dat geldt voor iedereen en alles, denk je te weten: het generaliseren wordt met de paplepel ingegoten. (Ik haat spreekwoorden, maar hier past het juist omdat ik ze verafschuw.)

En dus bestaat ‘normaal’ simpelweg niet: ik heb het woord jarenlang alleen tussen haakjes gebruikt, ik geloofde niet in het woord. Nu pas begin ik te beseffen dat het te maken heeft met een basis, met normen en waarden, en het recht op een eigen identiteit.

Ik begin meer dingen te beseffen.

wringing my hands/ over ‘hot milk’

Where had I got to in my own life by trying to please everyone all the time? Right here. Wringing my hands. p66

*

De hoofdpersoon van Hot Milk is een apathische jonge vrouw. Ze laat zich gebruiken, waait mee met de wind van wie wat dan ook van haar wil. & om een of andere reden wekt dit nogal heftige reacties op bij lezers.

Which is curious, considering the history of literature: eigenzinnige, zelfbewuste en vastberaden fictieve vrouwelijke personages zijn daar uitzonderingen.

Deborah Levy’s Sofia is zoals gezegd een jonge vrouw. Maar ze wordt niet gebruikt, gestuurd, door een man. Is dat wat dit boek zo eigenaardig maakt? Zou het anders voelen als niet Sofia’s moeder, maar haar vader de hulpbehoevende figuur in Sofia’s leven was?

Achtergrond: moeder is ziek, of denkt dat ze ziek is, dochter heeft haar studie (tijdelijk) opgegeven om voor haar moeder te zorgen. De dochter twijfelt of haar moeder wel echt ziek is, maar durft dat niet hardop te denken, zeker niet hardop te zeggen. En dus sloft haar leven voort. Deze moeder-dochter-relatie, en de gevolgen hiervan voor Sofia, staan centraal in Hot Milk.

Ik probeer me niet te veel aan te trekken wat andere mensen vinden van boeken die ik zelf heel goed vind, maar in dit geval is er sprake van een misverstand. Denk ik. Wat niet begrepen wordt is dat een gezonde relatie tussen ouders en hun kinderen niet vanzelfsprekend is. De verhoudingen tussen Sofia en haar moeder, Rose, zijn ongewoon. & dat is waar dit verhaal om gaat: een dochter die op de automatische piloot haar leven leeft en in een onbekend heet land door medusa’s (kwallen) lijkt te worden gewezen op eigen liefdes en verlangens.

(Sofia is niet dom. Daarom zijn de verhoudingen zo ingewikkeld, & het boek zo goed.)

*

Ik verdedig dit boek omdat het mijn leven aanraakt. Ik wil daar niet te veel over zeggen maar ik begrijp Sofia, zoals ik Lucy Barton begrijp. Hot Milk en My Name is Lucy Barton zijn in mijn geest familie. De omstandigheden van Lucy Barton zijn (op het oog) minder ingewikkeld, waardoor het makkelijker is haar karakter te begrijpen en haar als persoon sympathiek te vinden. Deborah Levy’s Sofia is lastiger te doorgronden. Hoewel ook haar karakter een gevolg is van de omstandigheden in haar leven, is dat minder goed zichtbaar. Ik denk dat het zo zit: Lucy Barton was van jongs af aan op zichzelf aangewezen: haar zelf was alles wat ze had: daar vocht ze voor; Sofia werd dat juist afgenomen, ze werd aanhankelijk gemaakt, waardoor er niets van haar zelf over bleef om naar te luisteren, om serieus te nemen; waardoor er niets over bleef om te beschermen. 

(vechten / beschermen —
vechten als actie om te beschermen;
beschermen suggereert dat er zicht is op wat er is (omlijnd: begrensd) om voor te vechten;
maar als dat nooit is erkent, lijkt er niets te zijn.

ook dat maakt Hot Milk verwant aan My Name is Lucy Barton;
We vergeten misschien te gemakkelijk dat we zonder vaardigheden worden geboren, dat alles aangeleerd handelen/gedrag is. Waar we niets van weten neemt geen ruimte in, omdat we simpelweg niet weten dat het er toch is.

maar Sofia. Sofia is apathisch omdat haar gevecht nooit serieus genomen werd.
en ze zichzelf, als gevolg daarvan, niet serieus nam.
machteloos: want het heeft geen zin;
want het uitzicht biedt geen uitzonderingen, oplossingen.

maar ze bedenkt;
I want to get away from the kinship structures that are supposed to hold me together. To mess up the story I have been told about myself. To hold the story upside down by its tail. p63)

*

Het is niet normaal, blijkbaar niet voor te stellen: toch niet onwaarschijnlijk.

Een niet-perfecte en egoïstische moeder maakt ons van slag,
een jonge vrouw die de perfecte dochter probeert te zijn maakt ons van slag;
hoe is het mogelijk.

Bovendien; Sofia neemt haar lichaam, haar bestaan terug in eigen beheer. Ze is taai, ze overleeft.

*

The door to the concrete terrace on the beach opened of its own accord. A breeze filled the room. A warm desert breeze carrying with it the deep, salt smell of seaweed and hot sand. The waves were crashing on the beach, the table on the terrace had my laptop resting on it, the night stars made in China were open under the real night stars in Spain. All summer, I had been moonwalking in the digital Milky Way. It's calm here. But I am not calm. My mind is like the edge of motorways where foxes eat the owls at night. In the starfields, with their faintly glowing paths running across the screen, I have been making footprints in the dust and glitter of the virtual universe. it never occurrerd to me that, like the medusa, technology stares back and that its gaze might have petrified me, made me fearful to come down, down to earth, where all the hard stuff happens, down to the check-out tills and the barcodes and the too many words for profit and the not enough words for pain. p216

au sérieux/ etty hillesum

‘Woensdagmiddag [13 augustus 1941]. — Een koelbloedige, ijskoude objectiviteit bereik ik natuurlijk niet, met mijn aanleg. Daarvoor zit er te veel gemoed. Maar ik ga ook niet meer zo kapot als vroeger, door al dat gemoed. Daan [Sajet] is uit een vliegmachine gevallen en er gaan zoveel van die levendige veelbelovende jongens ieder ogenblik van de dag en de nacht dood. Ikw eet niet wat ik daarmee beginnen moet. Door het vele leed om je heen begin je je er voor te generen, dat je jezelf met al je stemmingen au sérieux neemt. Maar je móét jezelf sérieux blijven nemen, je moet zelf het centrum blijven en met alles wat er in deze wereld gebeurt moet je ook klaar zien te komen, je mag nergens je ogen voor sluiten, je moet je auseinandersetzen met deze verschrikkelijke tijd en een antwoord zien te vinden op het aantal vragen op leven en dood die deze tijd je stelt. En misschien vind je op enkele van deze vragen een antwoord, niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen. Ik leef nu eenmaal. Ik moet alles onder ogen zien. Ik moet ook niet weglopen voor mezelf. Ik voel me soms net een paal aan een woedende zee, van alle kanten gebeukt door de golven. Maar ik blijf staan en raak dan verweerd door de jaren. Ik wil vol blijven leven.

Ik wil de kroniekschrijfster worden van veel dingen uit deze tijd (beneden moord en brand, vader brult: ga dan, en smijt met deuren; ook dat moet verwerkt worden en nou huil ik – brul opeens, zó objectief ben ik dus nog niet; eigenlijk kan je heir in huis niet leven, enfin, vooruit maar weer); o ja, kroniekschrijfster, daar was ik gebleven. Ik neem bij mijzelf waar dat naast al dat subjectieve lijden dat ik doe altijd weer een a.h.w. objectieve nieuwsgierigheid komt, een hartstochtelijke belangstelling voor alles wat deze wereld en z'n mensen en m'n eigen zielenroerselen betreft. Ik geloof soms dat ik een taak heb. Alles, wat er om me heen gebeurt moet in mijn hoofd tot klaarheid gedacht worden en later door mij beschreven worden. Arm hoofd en hart, wat zullen jullie nog veel te verwerken krijgen. Rijk hoofd en rijk hart, jullie hebben toch ook wel een mooi leven.

(..) Je wordt soms zo afgeleid door de schokkende gebeurtenissen om je heen, dat je je later maar moeizaam de weg tot jezelf terug kunt banen. En toch moet dat. Je mag niet ten onder gaan in de dingen om je heen, uit een soort schuldgevoel. De dingen moeten in jóú tot klaarheid komen, je mag niet zelf in de dingen ondergaan.

En een gedicht van Rilke is even reëel en belangrijk als een jongen, die uit een vliegmachine valt, dat wil ik je nog even op het hart drukken. Dat alles is er nu eenmaal in deze wereld en je mag het ene niet wegcijferen voor het andere. (..)

De vele tegenstrijdigheden moeten geaccepteerd worden, je zou alles wel willen samensmelten tot een eenheid en op de een of andere manier willen vereenvoudigen in je geest, omdat het leven dan eenvoudiger zou worden voor jezelf, maar het leven bestaat nu eenmaal uit tegenstrijdigheden en die moeten alle geaccepteerd worden als behorende bij het leven en men mag op het ene niet een zwaarder accent leggen ten koste van het andere. Laat maar draaien, de hele zaak en misschien wordt het dan toch nog een geheel.’

Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943.

het geremde gemoed/ etty hillesum

‘Zondag, 9 maart [1941]. — Vooruit dan maar! Dit wordt een pijnlijk en haast onoverkomelijk moment voor mij: het geremde gemoed prijsgeven aan een onnozel stuk lijntjespapier. De gedachten zijn soms zo klaar en helder in het hoofd en de gevoelens zo diep, maar opschrijven, dat wil nog niet. In de hoofdzaak is het geloof ik het schaamtegevoel. Grote geremdheid, durf de dingen niet prijs te geven, vrij uit me te laten stromen en toch zal dat moeten, wil ik op den duur het leven tot een redelijk en bevredigend einde brengen.’

Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943.

the poetry that is going to matter after you are dead/ dorothea lasky


Sylvia Plath is my favorite poet. She was not only a descendant of Modernism and the Romantics, she was a poet that cared about her own feelings so much that she cared about yours. She had some fucked-up shit happen in her life, but who cares about that? We all suffer and that has everything to do with poetics. Have you ever heard of Modernism? The Nazis called Modernism primitive and the work of the brutes. The only brutes on this earth are the dogs and those are the things that I love. Do you wonder what I am? You are reading the work of a great poet, possibly one of the greatest ones of your time. If I am standing in front of you right now, you are listening to the voice of one of the greatest poets of your time. Do you take time to analyze greatness? I don’t think you should bother—you will never get it right. I am both a Modernist and a Romantic. All poetry that is good today is some combination of modernism, ethics, and faith. Take note. All poetry that matters today has feelings in it. You can refute or deny this with your lack of them. You can wrestle against feelings and make funny words for it. Take a look in the mirror. You were born a child and you will die one, too. When you are in your grave all that you will be able to say is mommy. You are going to die you know and so am I. That’s it. You were born to die. Take the things you say because you can’t write poems and figure out how to write some. Go to the grocery store and buy some food. Sit alone by yourself and think of how it is, the way it really is. There are a million cells of fluid rushing in your veins. On earth a thousand rivers rush through. The only thing that keeps you contained is the faith God has in your every breath. When you are mean, you let him down, so don’t be. Read Plath. Hell, Read Stein. She was a woman and would have approved of you—you man, you woman, you dog. Bark your last breath while we all swim along a river. There are children playing around you. They know more than you will ever know.

Dorothea Lasky, ‘The Poetry That is Going to Matter After You Are Dead’, uit Black Life.

narcistische mishandeling

Narcissus’ moeder kreeg van de ziener Tiresias te horen dat het levensgevaarlijk voor haar zoon zou zijn om zichzelf te leren kennen. Narcissus begint inderdaad met sterven op het moment dat hij zichzelf tegenkomt: in het spiegelende water van een heilig meer: hij wordt verliefd op een beeld en weigert dat vervolgens los te laten, ook al leidt het tot zijn ondergang.

Dat is interessant: als ik Iris Koops’ boek Herstellen van narcistische mishandeling goed begrijp heeft de narcist geen ‘zelf’, en vult hij (of zij) die leegte op met aandacht, bewondering, en toewijding van anderen. Hij eigent zich dat toe, denkt dat hij recht heeft op de sympathie en empathie van anderen. De narcist is daar echter zelf niet toe in staat: alles draait om hem: het zelf van anderen is er alleen om gecontroleerd, uitgegumd te worden. Jarenlang samenleven met een narcist kan er dan ook voor zorgen dat de eigen beleving volledig verdwijnt.

Wat veel mensen niet weten is dat narcisten een aantal overeenkomsten met psychopaten vertonen: ze zijn goed in het manipuleren en bespelen van mensen, en zullen zich nooit verantwoordelijk voelen voor het eigen gedrag en de gevolgen daarvan. De narcist heeft een bepaald beeld van zichzelf, en de wereld: een Waarheid — en die waarheid beschermt hij koste wat kost. Kritiek of twijfels accepteert hij niet: het tast immers zijn beeld (en daarmee zijn zekerheid) aan. Als hij er toch mee wordt geconfronteerd kaatst hij de bewering of kritiek terug, verdraait hij woorden, bespeelt hij onzekerheden met opmerkingen die de ander doen twijfelen aan de eigen beleving. Het is een verdedigingsmechanisme, een manier om vooral zichzelf niet te hoeven onderzoeken. Hij speelt de ander tegen zichzelf uit, vermorzelt de integriteit van zijn slachtoffer: hij gaat nooit inhoudelijk in op kritiek, negeert het. Ontwijken doet hij met zoveel kunde dat het niet opvalt: hij maakt gebruik van afleidingsmanoeuvres om zijn vestiging, zijn zekerheid, zijn waarheid, geen risico te hoeven laten lopen.   

De zekerheid van een narcist is een door hemzelf gefabriceerd beeld: het is plat, 2D: alleen te zien vanuit één point of view: zíjn point of view. Narcissus zou zichzelf niet mogen leren kennen want dat zou de dood betekenen: maar zijn zelf leeft niet: hij zou, zoals hij ontdekt bij het meer, ontdekken dat er niets is behalve zijn buitenkant. Het meer laat alleen een wispelturige weerspiegeling zien. Raak het aan en de verschijning verdwijnt. Wijs hem op z’n vluchtigheid en Narcissus komt tot de conclusie dat hij niets weet; hij verdwijnt in zijn eigen niets.

*

Iris Koops’ boek (met als ondertitel Het verdwenen zelf (tevens de titel van haar website)) is een poging om narcistische mishandeling meer bekendheid te geven, in de hoop dat het sneller herkend zal worden door hulpverleners. Het is lastig narcisme te diagnosticeren omdat narcisten een zeer charmant masker op kunnen zetten (zelfbehoud). Als narcistische mishandeling al wordt erkend, dan worden er nogal eens fouten gemaakt tijdens therapie.

Wat ik zeer waardeer aan Koops’ benadering van deze mishandeling is haar stelligheid als het gaat om populaire, new age-achtige therapieën waarbij het vooral draait om empathie. Er wordt geleuterd over vergeving en begrip, over welke rol het slachtoffer zelf heeft gespeeld, en de jeugd van de mishandelaar — het slachtoffer van narcistische mishandeling wordt hier niet mee geholpen. Sterker nog: dit is de manier waarop de narcist haar al die tijd heeft mishandeld: de verantwoordelijkheid voor de wijze waarop ze werd behandeld heeft de narcist altijd bij zijn slachtoffer gelegd. Nogmaals een beroep doen op haar empathie suggereert wederom dat ze het aan zichzelf te danken heeft: had je je zich maar anders moeten gedragen. Nee. Niet. De verantwoordelijkheid van mishandeling ligt ALTIJD bij de mishandelaar. Het slachtoffer van narcistische mishandeling heeft niet voor niets moeite met begrijpen wat ‘normaal’ is: ze heeft geen besef van/ gevoel voor grenzen: niemand heeft haar ooit laten zien dat haar ‘nee’ een grens zou moeten zijn, dat daar overheen denderen geen optie zou mogen zijn. Zo simpel is het. Zo ingewikkeld is het.

*

Later meer; ik ga ook Koops’ tweede boek, Je leven in eigen hand – Verder na narcistische mishandeling lezen. Bovendien, ik kan het niet helpen: ik lees over feminisme (Living a Feminist Life/ Sara Ahmed) & zie allerlei verbindingen tussen narcistisch gedrag/narcistische mishandeling en misogynie/racisme/discriminatie.

problems with names, or: the figure of the killjoy/ sara ahmed

Uit het eerste hoofdstuk van Sara Ahmeds Living a Feminist Life (Duke University Press 2017), ‘Feminism Is Sensational’ (to be clear: iedere witregel betekent einde/ begin van alinea/ fragment. Ik heb lukraak overgetypt wat ik in mijn boek heb onderstreept. Vermelden dat alle woorden uit het eerste hoofdstuk komen lijkt mij op deze plek voldoende. Woorden die dik zijn of schuin staan, doen dat ook in Ahmeds boek.):

Feminist work is often memory work.

You are taught to care for yourself by being careful about others.

Documentation is a feminist project; a life project.

Sometimes it might even seem that it is as or even more tiring to notice sexism and racism than to experience sexism and racism: after all, it is this noticing that makes things real.

In Sister Outsider, Audre Lorde describes the words racism and sexism as "grown up words". We encounter racism and sexism before we have the words that allow us to make sense of what we encounter. Words can then allow us to get closer to our experiences; words can allow us to comprehend what we experience after the event. We become retrospective witnesses of our becoming. Sexism and racism: if they are problems we have given names, the names tend to lag behind te problems.

Feminist and antiracist consciousness involves not just finding the words, but through the words, how they point, realizing how violence is directed: violence is directed toward some bodies more than others. To give a problem a name can change not only how we register an event but whether we register an event. Perhaps not having names is a way of turning away from a difficulty that persists whether or not we turn away. Not naming a problem in the hope that it will go away often means the problem just remains unnamed. At the same time, giving the problem a name does not make the problem go away. To give the problem a name can be experienced as magnifying the problem; allowing something to acquire a social and physical density by gathering up what otherwise would remain scattered experiences into a tangible thing. Making sexism and racism tangible is also a way of making them appear outside of oneself; something that can be spoken of and addressed by and with others. It can be a relief to have something to point to; otherwise you can feel alone or lost. We have different tactics for dealing with sexism and racism; and one difficulty is that these tactics can be in tension. When we give problems their names, we can become a problem for those who do not want to talk about a problem even though the know there is a problem. You can cause a problem by not letting things recede.
         We need to acquire words to describe what we come up against. Becoming feminist; finding the words. Sexism is another such word. It often arrives after the event: we look back and we can explain things that happened as sexism. To name something as sexist does not make something there that was not there before; it is a sexist idea that to describe something as sexist is to make something sexist. But naming something as "sexism" does do something. Because, after all, to name something as sexist is not only to name something that happens as part of a wider system (to refuse to give what happens the status of an exceptional event), but it is also to give an account of that something as being wrong and unjustifiable. To name something as sexist is not only to modify a relation by modifying our understanding of that relation; it is also to insist that further modification is required. When we say, "That's sexist," we are saying no to that, as well as no to the world that renders such a speech or behavior permissible; we are asking individuals to change such that these forms of speech and behavior are nog longer acceptable or permissable.
         Not just individuals: the point is that individuals are encouraged and rewarded for participating in sexist culture. It might be a reward given through affirmation from peers (the egging on that allows a group to solidify over how they address others as imposters). But institutions also enable and reward sexist behavior: institutional sexism. Sexual banter is so often institutionalized. You might participate in that banter because it is costly not to participate: you become the problem, the one who is disapproving or uptight. You are treated as policing the behavior of others simply by virtue of not participating in that bevior. Not participating can be judged as disapproval whether or not you make that judgment. You are judged as taking something the wrong way when you object to something. When we give an account of something as sexist or racist, we are often dismissed as having a faulty perception, as not receiving the intentions or actions of others fairly or properly. "I didn't mean anything by it," he might say. And indeed then by taking something said or done the wrong way, not only are you wrong, but you are misunderstood as ommitting a wrong against someone else. When you talk about sexism and racism, you are heard as damaging the reputation of an individual or an organization.

When you expose a problem you pose a problem.
         It might then be assumed that the problem would go away if you would just stop talking about it or if you went away. The charge of sensationalism falls rather quickly onto feminist shoulders: when she talks about sexism or racism, her story is heard as sensationalist, as if she is exaggerating for effect. The feminist killjoy begins as a sensationalist figure. It is as if the point of making her point is to cause trouble, to get in the way of the happiness of others, because of her own unhappiness.

She makes things tense.

Rolling eyes = feminist pedagogy. 

We can see now how feminism is refuted or dismissed as simply a personal tendency, as if she disagrees with something because she is being disagreeable; as if she opposes something because she is being oppositional.

Feminists: looking for problems. It is as if these problems are not there until you point them out; it is as if pointing them out is what makes them there.

We become a problem when we describe a problem.

Poor him

Mean

When you question sexism and racism it is hard not to question everything.
         That is another promise.

The experience of being feminist is often an experience of being out of tune with others. The note heard as out of tune is not only the note that is heard most sharply but the note that ruins the whole tune.

To be misattuned is to be out of sync with a world. Not only that: it is to experience what is in tune as violence.

If alienation is sensation, it is not then just or only the sensation of negation: of experiencing the impress of a world as violence, although it includes those feelings. Alienation is studious; you learn more about wishes when they are not what you wish for.

It is when we are not attuned, when we do not love what we are supposed to love, that things become available to us as things to ponder with, to wonder about. It might be that we do destroy things to work them out. Or it might be that working them out is perceived as destroying things.

dear friend, from my life i write to you in your life

Yiyun Li / Dear Friend, from My Life I Write to You in Your Life:

For a while I read Katherine Mansfield's notebooks to distract myself. “Dear friend, from my life I write to you in your life,” she wrote in an entry. I cried when I read the line. It reminds me of the boy from years ago who could not stop sending the designs of his dreams in his letters. It reminds me too why I do not want to stop writing. The books one writes—past and present and future—are they not trying to say the same thing: Dear friend, from my life I write to you in your life? What a long way it is from one life to another, yet why write if not for that distance, if things can be let go, every before replaced by an after.

a vapid pleaser/ catherine lacey

After a few weeks of failure, I told Christopher I couldn't do his project, that I didn't have it in me, and he said I'd ruined his entire thesis and wasted his time. I didn't know you were such a vapid pleaser, he said. I asked him what he meant and he said, You know, one of those women who want male approval so badly they go along with whatever a man asks them but ultimately end up failing because they never think about what they actually want. It was a beautiful autumn day and we were standing in front of the old library, the concrete steps strewn with students. My veins dilated. I said, I didn't know you could be one of those pretentious assholes who think they have a right to something just because they have one stupid idea, you skeezy fuck. I had never felt so large and small at the same time. I didn't recognize my own voice and words. Shame and pride swirled together in a way that felt animal, so I darted away from him. I was still new to this kind of adrenaline, the immediate release of anger instead of gnawing on it like overdue gum.

~ Catherine Lacey, The Answers/ p. 31.

de kieren van lucy barton

It was her style, her forthright spilling out about things I didn’t know people spoke of.’ Elizabeth Strout, My Name is Lucy Barton (p. 62).

*

Lucy Barton is een small town girl. De eerste elf jaar van haar leven woonde ze in een garage. Ouders werkten, beide; Lucy bracht dagen alleen door in een opgesloten truck. Mishandeling en armoede, zowel geestelijk als lichamelijk. Ze kwam los van haar omgeving/ouders omdat een universiteit Lucy's cijfers opmerkte; ze mocht gaan studeren.

Boeken kusten haar wakker, maar eenmaal studerend merkte ze al snel dat ze de wereld van huis uit anders benadert: ze mist de vanzelfsprekendheid waarmee anderen de wereld bewonen, onderzoeken, voelen, en verwerken.

*

spilling out about things I didn't know people spoke of

Een boek over woorden, Lucy Barton. Vooral over de afwezigheid daarvan. Daar wil ik iets meer over zeggen dan dat Elizabeth Strout een fantastische schrijver is — want een wereld zonder woorden, de wereld waarin Lucy Barton opgroeide, is niet alleen een stille wereld: het is ook een kleine wereld, één met weinig mogelijkheden. 

Woorden zijn er om lijnen mee te tekenen: rondom ideeën, gevoelens, sensaties, dromen; maar in de wereld waarin Lucy Barton opgroeide waren woorden er alleen om iets duidelijk te maken.

*

Ik moest denken aan Herta Müllers ‘dagelijkse handgrepen’

De dingen heetten precies zo als ze waren en ze waren precies zo als ze heetten. Een overeenstemming voor altijd. Voor de meeste mensen bestonden er tussen woord en voorwerp geen kieren waar je doorheen moest kijken en in het niets moest staren, alsof je uit je huid gleed, de leegte in. De dagelijkse handgrepen ware instinctief, waren woordloos aangeleerd werk, het hoofd volgde de weg van de handgrepen niet en had ook niet zijn eigen afwijkende wegen.

&: Zwaar werk (..) was een leerschool van zwijgen. Het lichaam had het veel te zwaar om energie in praten te steken. (Praten als luxe (maatschappelijk gezien)/ als je praat ben je lui, werk je niet hard genoeg.)

&: Soms dacht ik als ik ernaar keek: ik kijk nu naar hoe het gaat als mensen het praten verleren. Als ze dit gezwoeg achter de rug hebben, zullen ze alle woorden vergeten zijn.

&: Wat je doet hoeft niet in het woord verdubbeld te worden. Woorden vertragen de handgrepen – dat kende ik.

Communistisch Roemenië is natuurlijk niet te vergelijken met Amerika, maar het gaat om dezelfde druk: werken om te leven. Praten gebeurt alleen als het nodig (/nuttig) is. En dus gaan er woorden verloren. En dus vergeet men dat er ook over andere dingen gesproken kan worden.

(de reikwijdte van het leven krimpt)

Als je opgroeit in een wereld waarin mensen urenlang kunnen zwijgen, omdat ‘het lichaam (..) het veel te zwaar [had] om energie in praten te steken’ (HM) — dan kan het lang duren voor je überhaupt in de gaten hebt dat er zelfs woorden zijn voor ‘things I didn't know people spoke of’.

We vergeten misschien te gemakkelijk dat we zonder vaardigheden worden geboren, dat alles aangeleerd handelen/gedrag is. Waar we niets van weten neemt geen ruimte in, omdat we simpelweg niet weten dat het er toch is.

*

Als ergens geen woorden voor zijn bestaat het niet. Dit klinkt vanzelfsprekend maar ik wil dit duidelijker maken. Is het wel over te brengen? 

: het is alsof je naar de zee tuurt en niet weet dat er onder de waterspiegel heel veel meer aan de hand is: dat er verschillende dieren leven, dat er een bodem is, dat onder die aardkorst vuur leeft. Dat de aardkorst bestaat uit losse, bewegende platen; dat bewegende platen ruimte geven en nemen, dat er vuur naar boven klimt, een weg zoekt naar boven, waar lucht beweegt. Dat er eilanden kunnen ontstaan, waar dan weer ander leven tot stand zal komen. Het is alsof de scheiding tussen lucht en water alleen maar een lijn is die soms de vorm aanneemt van een berg, dan een dal, maar bovenal een lijn blijft. (Het is alsof je in 2D leeft.)

Geconfronteerd worden met manieren van beschouwen, verwerken, manieren waarvan je het bestaan niet kon vermoeden, is overweldigend als je opgroeit in een wereld waarin bespiegeling als overbodig of moeilijk doen wordt bezien.

*

Ergens woorden voor zoeken begint met (h)erkennen dat er iets is om vorm aan te geven: de ervaring, de sensatie, een gevoel. Om vervolgens actief vorm te geven. Ik herinner me een moment in het boek waar Lucy letterlijk woorden zoekt, en vindt, voor haar moeder. Het lukt moeder Barton niet en Lucy schiet haar te hulp:

‘My mother pointed at the magazine she had handed me. “I think she looks—I don’t know.” My mother sat back. “What does she look like?”
       “Nice?” I didn’t think she looked nice; she looked something, but I would not have said “nice”.
       “No, not nice,” said my mother. “Something. She looks something.”
       I stared at the picture again. She was next to her new boyfriend, an actor from a television series my husband watched some nights. “She looks like she’s seen stuff,” I finally said.
       “That’s it,” my mother nodded. “You’re right, Wizzle. That’s what I thought too.”’


*

Geef er een woord aan en het bestaat; My Name is Lucy Barton.

mid-year booklist

Ik las in zeer korte tijd twee boeken waar ik nogal van onder de indruk ben: Hot Milk van Deborah Levy, en My Name is Lucy Barton van Elizabeth Strout. Als boeken me overvallen zoals deze twee dat deden, heb ik allereerst de neiging om iedereen die boeken in de hand te drukken; in tweede instantie trek ik de boeken mee terug in mijzelf en wil ik achterhalen wat ze tegen me zeggen. (Het is alsof ze veel geluid (/herrie) maken, vanbinnen. Ik begrijp niet waar die klanken vandaan komen. Zoiets.)

(Overigens maakte Strouts boek zoveel indruk op dat ik direct Olive Kitteridge en Anything is possible bestelde. Olive Kitteridge lees ik nu.)

Kortom: ik ben nu aan het nadenken over deze boeken en heb daarom niet de neiging over iets anders te schrijven. Ook niet hier. Radiostilte. & toen kwam ik ergens een ‘mid-year booklist’ tegen en dacht ik: hier kan ik wel iets mee. Iets, being: iets over wat ik tot nu toe gelezen heb. Of misschien gewoon een aantal aanraders.

*

Gelezen en het meest bijgebleven:

Contouren en Transit van Rachel Cusk
Book of Mutter van Kate Zambreno
Hier zijn is heerlijk van Marie Darrieussecq
Garments Against Women van Anne Boyer

& het gedicht Mutable earth van Louise Glück.

*

In Rachel Cusk romans Contouren en Transit gebeurt weinig: het is een boek vol observaties en herinneringen en interpretaties en ideeën. Haar personages zijn eigenaardig maar op die manier waarop we allemaal eigenaardig zijn: heel begrijpelijk als je luistert naar het verhaal dat verteld kan worden. Cusks boeken bestaan dan ook vooral uit ervaringen die in context worden geplaatst, achteraf, door de eigenaar van de herinneringen. Er wordt, kortom, een verhaal gemaakt. De verhalen bestaan uit momenten die herinnerd worden: de verhalen (/levens) zouden wellicht een ander karakter hebben als men zich andere momenten zou herinneren. Waarom juist deze momenten? Waarom dit verhaal? (Dat is in ieder geval wat ik nu bedenk /mijn herinneringen.)

Om een idee te krijgen van Cusks taal:

‘Ook ik zag in alles om me heen steeds meer mijn eigen angsten en verlangens, zag andermans leven steeds vaker als een commentaar op mijn eigen leven. Kijkend naar het gezin op de boot zag ik wat ik niet meer had: iets wat er niet was, met andere woorden. Die mensen gingen volledig op in het moment, en al keek ik ernaar, ik kon er evenmin naar terug als dat ik over het water kon lopen dat ons scheidde. Welk van die twee manieren van leven – opgaan in het moment of erbuiten staan – was echter?’ (Contouren, p. 67)

‘De laatste tijd had ik nagedacht over het kwaad, vervolgde ik, en ik was gaan beseffen dat het kwaad niet voorkwam uit wilskracht maar uit de tegenhanger daarvan: overgave.’ (Transit, p. 166)

*

Book of Mutter, Kate Zambreno. Semiotext(e) 2017/ p. 131
Kate Zambreno werkte dertien jaar aan Book of Mutter. Het is een reactie op de dood van haar moeder, en gaat dus over het geweld van rouw, en herinneringen, en lege ruimte. Ze komt er achter dat ze haar moeder niet zo goed kende. Nee, dat zeg ik verkeerd — ze kende haar moeder, maar niet de persoon die haar moeder was zonder kinderen; de persoon achter de schermen.

Book of Mutter is heel bijzonder.
Ik weet er niet veel meer over te zeggen. Een paar zinnen:

‘What does it mean to write what is not there. To write absence.’ (p. 51)

‘I study this photograph. Her tweezed eyebrows are uneven. Yet so manicured and put together. I recognize that about my mother.
I put my ear to the glossy image but no sound comes out.’ (p. 66)

‘How and why to take out the cherished, the sentimental, these protestations of innocence, that which you hold onto too fiercely?’ (p. 85)

‘Writing is how I attempt to repair myself, stitching back former selves, sentences. When I am brave enough I am never brave enough I unravel the tapestry of my life, my childhood.’ (p. 103)

*

de strijd tussen vorm en inhoud

vorm en inhoud

Als het om schrijven gaat, heeft men het vaak over het probleem van vorm en inhoud; er wordt zelfs weleens gezegd: de inhoud is goed maar de vorm niet, enzovoort. Maar verdorie, het probleem is dat er niet aan de ene kant een inhoud is en aan de andere kant een vorm. Dat zou makkelijk zijn: alsof je via een vorm verslag zou doen van wat al vrij bestond, de inhoud. De strijd tussen vorm en inhoud woedt echter in het denken zelf: de inhoud vecht om zich te vormen. Om eerlijk te zijn, je kunt niet aan een inhoud denken zonder de vorm die hij heeft. Alleen de intuïtie raakt aan de waarheid zonder vorm of inhoud nodig te hebben. De intuïtie is de onbewuste diepe reflectie die het zonder vorm kan stellen wanneer ze naar boven komt. Het lijkt me dat de vorm verschijnt wanneer het hele zijn al een rijpe inhoud heeft, aangezien men het denken of schrijven wil splitsen in twee fasen. Het probleem van de vorm ligt daarin dat hij voortkomt uit de inhoud, het denken of voelen op zichzelf, die niet zouden kunnen bestaan zonder hun adequate en soms unieke vorm.

Uit De ontdekking van de wereld van Clarice Lispector (p. 258).

neem me aan met zijden draden

zijden draden

Ik heb nauwelijks iets gelezen van Henry James, toch een geweldig schrijver volgens een vriend van mij. Hij is hermetisch en helder. Zou ik als ik James zou citeren hermetisch worden voor mijn lezers? Dat spijt me dan. Ik moet de dingen zeggen en de dingen zijn niet gemakkelijk. Lees en herleest u het citaat. Hier is het, door mij vertaald uit het Engels: Wat voor soort ervaring is noodzakelijk en waar begint en eindigt die? Ervaringen zijn nooit begrensd en nooit compleet; het is een immense gevoeligheid, een soort enorm spinnenweb gemaakt van de allerfijnste zijden draden dat in de kamer van het bewustzijn hangt en in zijn weefsel elk stofdeeltje opvangt dat door de lucht wordt aangedragen. Het is de eigen sfeer van de geest; en als de geest fantasierijk is – en al helemaal wanneer het gaat om een genie – vangt hij de lichtste wenken op en zet de luchtgolven om in openbaringen.

Zonder ook maar in de verste verte een genie te zijn: hoeveel openbaringen, hoeveel golven heb ik zelf opgevangen uit de ijle lucht. De fijne draden in de kamer van het bewustzijn. En in het onderbewuste de enorme spin zelf. Oh, wat is het leven geweldig met zijn vangende webben!

Zegt u het als ik te veel mezelf begin te worden. Ik heb die neiging nu eenmaal. Maar ik ben ook objectief. Zo objectief dat ik het subjectieve van de spinnendraden kan omzetten in objectieve woorden. Elk woord is trouwens een object, is objectief. Bovendien, gelooft u me maar, hoef je niet intelligent te zijn: de spin is dat ook niet en de woorden, de woorden zijn onvermijdelijk. Begrijpt u het? Dat hoeft niet eens. Neem het gewoon aan zoals ik het u geef. Neem me aan met zijden draden.

Uit De ontdekking van de wereld van Clarice Lispector (p. 178).

retrieval/ durga chew-bose

Uit ‘The Girl’ (Too Much and Not the Mood) van Durga Chew-Bose:

‘She is standoffish, unwilling, harsh, up to something. She is a narcissist, a snob, a spy, some suspect. She is haughty, selfish, plenty vain, and proud. Affected. She puts on airs, I've heard people say.

(..) Despite your grievances, she isn't withholding. Simply, she'll never tell you the things she takes an interest in, because what she doesn't want is this: that you procure them for her.
     You yearn for her vulnerability. Which you believe comes complimentary, like peanuts on a flight; two packets. Like a smile. Vulnerability she refuses to give you because she is, after all these years, gaining back custody of herself. Lost long ago, before she was born (..).
     Hers is an everyday process of retrieval.

(..) She wishes she had a genius for curbing small talk; for manufacturing an arbitrary tone when airing something considered; for soft-boiling an egg.’

nook people


I don't require much to feel far-removed; to impose my wanderings on what's close. Because of this, my friend and I have started calling ourselves nook people. Those of us who seek corners and bays in order to redeploy our hearts and not breakt he mood. Those of us who retreat in order to cubicle our flame. Who collect sea glass. Who value a deep pants pocket. Who are our own understudies and may as well have shadowboxes for brains.

.. Nook people express appreciation in the moment by maintaining how much we will miss what is presently happening. Our priorities are spectacularly disordered.

.. Nook people might be terrible at giving and receiving hugs despite often feeling—on the whole, at home and in public—as though we are holding on tight. Nook people sense slight tremors or the onset of a neck rash when faced with people at parties who yell-speak. A nook person catches sight of the quiet cranny at any gathering: the arm of a couch, a sill to perch on, the corner of a counter where the vegetable platter—only celery and ashy carrots are left—has been abandoned. (..); sits on the floor and braids carpet tassels only to become self-conscious and unbraid them. From afar, even nearby actually, a nook person can seem like a real bore. The last person whom you want to meet. A fun-killer.

.. Nook people need relief from distraction's overall insistence: the trap of everything else. Their ambition is not to be understood outright, but to return to an original peg. To share without betraying whatever mechanism individuates him or her. Perhaps that's what we call our disposition. How becoming is multipart, but mainly a pilgrimage inward. If you share too much of yourself, you risk growing into someone who has nothing unacknowledged. Those yet-to-access riches that I'd suspect are what tingle when a song's lyrics eject me into outer space; assure me I can love; can go about and be loved; can retreat and still get, as in both catch and understand, love. Those yet-to-access riches that I'd suspect too are what tingle when a building's architecture persuades me to notice other systems of proportion.

.. What a nook person wants is space, however small, to follow whatever image is driving her, instead of sensing like she might have to trade it in or share it before she's willing. Her awakening demands no stage but, rather room to store that second half of what she deems her double life: what's corrugated inside. Intuition's buildup.
     Nook people find it trying to imagine themselves in real-life situations but long to climb into, for instance, a movie still.

.. Nook people are interested in what's backstage; (..) [n]ook people can gently disagree while securing their spark. No. No. Spark is not substantive enough. Their approach. That radiant heat they typically keep stored inside because it functions as insulation.
     Nook people love signing with a heavy pen; don't mind waiting in the car; love sitting on a stack of banquet chairs in an empty banquet hall, feet dangling; appreciate the surprising density of a beaded curtain (..).

.. Nook people confuse emotional truth with other varieties of truth. They are a composite of the last person who complimented them and the next person who might ignore them, and also whomever or whatever they consider themselves a child of.

.. As adults, nook people cower under overhead lightning. They prefer when lamps yoke the floor rather than animate an entire room. They are habitual creatures who fear each time they're charmed by something, because what if it's the last time they are charmed by anything?


Durga Chew-Bose, Too Much and Not the Mood; ‘Heart Museum’.

//

quoi?

ada limón adrienne rich alejandro zambra aleksandar hemon ali smith alice notley alice oswald andré aciman andrea dworkin andrea wulf anna burns anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde ben lerner bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë erwin mortier ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonora carrington leslie jamison louise glück maggie nelson marcel proust maría gainza marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker piet oudolf poëzie rachel cusk rainer maria rilke rebecca solnit robert macfarlane robert walser robin wall kimmerer sara ahmed sara maitland siri hustvedt stefan zweig sue lloyd-roberts susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tjitske jansen tomas tranströmer valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

abonneer

Blogarchief