vrijdag 20 oktober 2017

part of their memory

I'm in love with Leonora Carringtons strange & poetic fiction (The Hearing Trumpet):

‘The woods are full of wild anemones now, shall we go? (..) I said wild anemones, flowers, hundreds and thousands of wild flowers all over the ground under the trees all the way up to the gazebo. They have no smell but they have a presence just like a perfume and quite as obsessive, I shall remember them all my life.
     Are you going somewhere Darling?
     Yes, going to the woods.
     Then why do you say you will remember them all your life?
     Because you are part of their memory and you are going to disappear, the anemones are going to blossom eternally, we are not.’


‘You may not believe in magic but something very strange is happening at this very moment. Your head has dissolved into thin air and I can see the rhododendrons through your stomach. It's not that you are dead or anything dramatic like that, it is simply that you are fading away and I can't even remember your name. I remember your white flannels better than I can remember you. I remember all the things I felt about the white flannels but whoever made them walk about has totally disappeared.’

Carringtons protagonist weet dat ze niet is waar ze voelt dat ze is maar dat is geen probleem. Ze bedenkt het terwijl het gebeurt & uiteindelijk, weet ze, zal dit alles verdwijnen. Dat neemt echter niet weg dat ze de anemonen haar leven lang niet zal vergeten, de bloemen die keer op keer zullen bloeien, altijd terug zullen keren terwijl zij zelf zal verdwijnen, ooit, voorgoed; zoals wij allen ooit zullen verdwijnen. Maar, die mooiste gedachte: you are part of their memory.

woensdag 4 oktober 2017

that kind of feminist/ sara ahmed

‘I have always resisted the idea that feminist killjoys mature, grow by growing up, and that maturity is about becoming less volatile. Maturity is without question the wrong term for my attempt to think through timing. The idea that maturing out of being a feminist killjoy assumes or hopes that feminism itself, or at least being that kind of feminist, the wrong kind, the one who always insists on making feminist points, the one who is angry, confrontational, is just a phase you are going through.

If being a feminist killjoy is a phase, I willingly aspire to be a phase.

The idea that you mature out of being a feminist killjoy, that in growing up you unbecome her, also implies a linear development and progression: as if being unaffected or less bothered is the point you should reach; what you should aim to reach. It associates maturity with giving up, not necessarily conviction as such, but the willingness to speak from that conviction.’ p173

Sara Ahmed, Living a Feminist Life.

vrijdag 29 september 2017

to still the yammering brain/ kathleen jamie

‘This is what I want to learn: to notice, but not to analyze. To still the part of the brain that's yammering, My god, what's that? A stork, a crane, an ibis? — don't be silly, it's just a weird heron. Sometimes we have to hush the frantic inner voice that says Don't be stupid, and learn again to look, to listen. You can do the organising and redrafting, the diagnosing and the idenitying later, but right now, just be open to it, see how it's tilting nervously into the wind, try to see the colour, the unchancy shape — hold it in your head, bring it home intact.’ p42

Kathleen Jamie, Findings.

woensdag 20 september 2017

fake/ the woman upstairs

‘It occurred to me, not for the first time, that Lili's world was not so different from my dioramas, or even from Sirena's installations: you took a tiny portion of the earth and made it yours, but really what you wanted was for someone else – ideally, a grown-up, because a grown-up matters, has authority, but is also not the same as you – to come and see, to get it, and thereby, somehow, to get you; and all of this, surely, so that you might ultimately feel less alone on the planet. And what was also true was that I was happy to be in Lili's hidden lair – more than happy, I was honored – but after a few minutes I wanted to get out of it. I wanted to lift the blanket and climb back into the room and stretch my limbs and leave the dollies and their crumbs and their thimble-cups of cold tea (with milk, if you please) behind, and go back to my grown-up friends and their conversation. For fifteen of the twenty minutes I stayed in there, I was humoring her.
       And this was why, I told myself, I didn't want to show my art to anyone, even though showing it had always, from the beginning, been a large part of the point: I didn't want to show it because I didn't want to be humored. I didn't want anybody to feel they had to say nice things, or say anything at all, because I could tell they were fake, I could always tell, and I hated it. I didn't want anybody to tell me it wasn't any good – just as Lili would have been shocked if I'd said such a thing to her: these were not the terms of her world at all – and I didn't particularly want anyone to tell me it was good, either. I just wanted to be got, and I didn't trust that I would be.’ p69-70

Claire Messud, The Woman Upstairs

zondag 17 september 2017

make it burn/ the woman upstairs

‘ (..) I'm not an Underground Woman, harboring resentment for my miseries against the whole world. Or rather, it's not that I'm not in some sense an Underground Woman – aren't we all, who have to cede and swerve and step aside, unacknowledged and unadmired and unthanked? Numerous in our twenties and thirties, we're positively legion in our forties and fifties. But the world should understand, if the world gave a shit, that women like us are not underground. (..) We're always upstairs. We're not the madwomen in the attic – they get lots of play, one way or another. We're the quiet woman at the end of the third-floor hallway, whose trash is always tidy, who smiles brightly in the stairwell with a cheerful greeting, and who, from behind closed doors, never makes a sound. In our lives of quiet desperation, the woman upstairs is who we are, with or without a goddamn tabby or a pesky lolloping Labrador, and not a soul registers that we are furious. We're completely invisible. I thought it wasn't true, or not true of me, but I've learned I am no different at all. The question now is how to work it, how to use that invisibility, to make it burn.’ p6

Claire Messud, The Woman Upstairs.

zaterdag 16 september 2017

narcistische mishandeling (ii)

Ik heb het boek nog niet helemaal uit, maar kan al wel vaststellen dat ook het tweede boek van Iris Koops een prettig naslagwerk is. Waar Herstellen van narcistische mishandeling vooral onderzoekt wat narcistische mishandeling is en hoe je er achter komt of je daar inderdaad mee te maken hebt (gehad), helpt Je leven in eigen hand te dealen met het zwarte gat dat onstaat zodra er wordt geaccepteerd dat er inderdaad sprake is (geweest) van narcistische mishandeling.

Ik zeg heel stoer dat het een prettig naslagwerk is, maar het is ook een confronterend werk over wat er in de geest verschoven wordt om ruimte te maken voor de wil en gevoelens (/het bestaan) van een ander. De ruimte voor de narcist. Het zwarte gat dat overblijft als de invloed van die narcist langzaam wordt weggewerkt. Maar ook dat is lastig, want wat is een gevolg van die invloed en wat is daadwerkelijk van het zelf?

& inderdaad, wat te doen met de ruimte die onstaat? Hoe wek ik dat (verborgen/overgebleven) zelf weer tot leven? Uit Je leven in eigen hand:

Tijdens een relatie met een narcist of psychopaat ontwikkel je een bepaald overlevingsgedrag. Dit gedrag is erop gericht om te kunnen overleven binnen deze destructieve relatie. Het herstel is er juist op gericht, los te komen van deze relatie en bijbehorend gedrag. Het gaat erom weer jezelf te worden. Als je identiteit nauwelijks gevormd is of nooit tot uiting heeft mogen komen, is het moeilijk om de gebaande paden, namelijk het jou zo bekende overlevingsgedrag, te verlaten. Nieuwe wegen ontdekken vereist moed.’ p237

Hetzelfde boek (h)erkent waar de valkuilen liggen, hoe triggers werken & hoe deze op te vangen, en heel veel meer.


Bizar: de narcist is leeg maar zijn slachtoffer dient ruimte te maken; almaar meer ruimte te maken.


Ik heb aldoor de neiging dit alles nu te.. relativeren. Het is voor ‘normale’ (hierover zostraks meer) mensen ongetwijfeld moeilijk de gevolgen van narcistische mishandeling voor slachtoffers in te schatten. De vragen die men, naar ik mij voorstel, stelt zijn dan ook naïef: waarom deed je er niets aan? Waarom zei je er niet iets van? Dergelijke vragen leiden tot schaamte en twijfels, want inderdaad, waarom deed ik niet iets?

Ondertussen weet ik dat het niet zo simpel is: 1) ieder mens leeft slechts één leven, er is dus geen vergelijkingsmateriaal: het slachtoffer heeft geen idee van de abnormaliteit van de situatie; 2) de narcist luistert niet. Simpelweg, niet. Het maakt niet uit waar het om gaat: zolang je het niet met hem eens bent is hij niet geïnteresseerd in wat je te zeggen hebt. Dat geldt voor alles: aangeven wat je voelt, wat je ziet, waarom je iets wel of niet wilt, wat je mooi of lekker of lelijk vindt, waar je pijn voelt, waar de theedoek hangt, dat het regent — zolang de narcist het zelf niet (als dusdanig) ervaart wordt jouw ervaring niet serieus genomen. Als iets echt niet valt te ontkennen (denk aan missende ledematen, aan bloed: onomstotelijk bewijs), is het jouw eigen verantwoordelijkheid, ook als iemand anders (bijvoorbeeld de narcist zelf) jou iets heeft aangedaan.

Er wordt, kortom, keer op keer over je heen gewalst. Je bestaat maar je bestaat niet. Zo voelt het.
Ik weet niet hoe ik dit duidelijker kan maken.


Ik dacht lang dat het normaal was overal aan te twijfelen; mijn eigen ideeën, sensaties, ervaringen, minder serieus te nemen dan die van anderen. Zoals ik in mijn blogpost over Koops’ eerste boek al zei:

Jarenlang samenleven met een narcist kan er [..] voor zorgen dat de eigen beleving volledig verdwijnt.

De grens tussen de ander en het zelf bestaat dan niet. Het gevolg is dat er nooit een keuze wordt gemaakt zonder (lang) stil te staan bij de wensen en/of gevolgen van/voor anderen: in eerste instantie de narcist; later iedereen.

Van jongs af aan te maken hebben met een narcist is hard: je voelt je nooit veilig. Je weet nooit wat te verwachten: en dat is wat je wordt: in afwachting. Wel weet je dat er altijd een reactie zal komen (ook al is die reactie soms een langdurig zwijgen) en dus zul je moeten leren anticiperen en incasseren. Maar onberekenbare mensen zijn niet te vertrouwen, en onberekenbare mensen zijn niet eerlijk. Je leert al op jonge leeftijd dat er geen normen, geen waarden zijn die staan, en blijven staan ongeacht de situatie: niets is normaal. & dat geldt voor iedereen en alles, denk je te weten: het generaliseren wordt met de paplepel ingegoten. (Ik haat spreekwoorden, maar hier past het juist omdat ik ze verafschuw.)

En dus bestaat ‘normaal’ simpelweg niet: ik heb het woord jarenlang alleen tussen haakjes gebruikt, ik geloofde niet in het woord. Nu pas begin ik te beseffen dat het te maken heeft met een basis, met normen en waarden, en het recht op een eigen identiteit.

Ik begin meer dingen te beseffen.

vrijdag 8 september 2017

wringing my hands/ over ‘hot milk’

Where had I got to in my own life by trying to please everyone all the time? Right here. Wringing my hands. p66


De hoofdpersoon van Hot Milk is een apathische jonge vrouw. Ze laat zich gebruiken, waait mee met de wind van wie wat dan ook van haar wil. & om een of andere reden wekt dit nogal heftige reacties op bij lezers.

Which is curious, considering the history of literature: eigenzinnige, zelfbewuste en vastberaden fictieve vrouwelijke personages zijn daar uitzonderingen.

Deborah Levy’s Sofia is zoals gezegd een jonge vrouw. Maar ze wordt niet gebruikt, gestuurd, door een man. Is dat wat dit boek zo eigenaardig maakt? Zou het anders voelen als niet Sofia’s moeder, maar haar vader de hulpbehoevende figuur in Sofia’s leven was?

Achtergrond: moeder is ziek, of denkt dat ze ziek is, dochter (tijdelijk) heeft haar studie opgegeven om voor haar moeder te zorgen. De dochter twijfelt of haar moeder wel echt ziek is, maar durft dat niet hardop te denken, zeker niet hardop te zeggen. En dus sloft haar leven voort. Deze moeder-dochter-relatie, en de gevolgen hiervan voor Sofia, staan centraal in Hot Milk.

Ik probeer me niet te veel aan te trekken wat andere mensen vinden van boeken die ik zelf heel goed vind, maar in dit geval is er sprake van een misverstand. Denk ik. Wat niet begrepen wordt is dat een gezonde relatie tussen ouders en hun kinderen niet vanzelfsprekend is. De verhoudingen tussen Sofia en haar moeder, Rose, zijn ongewoon. & dat is waar dit verhaal om gaat: een dochter die op de automatische piloot haar leven leeft en in een onbekend heet land door medusa’s (kwallen) lijkt te worden gewezen op eigen liefdes en verlangens.

(Sofia is niet dom. Daarom zijn de verhoudingen zo ingewikkeld, & het boek zo goed.)


Ik verdedig dit boek omdat het mijn leven aanraakt. Ik wil daar niet te veel over zeggen maar ik begrijp Sofia, zoals ik Lucy Barton begrijp. Hot Milk en My Name is Lucy Barton zijn in mijn geest familie. De omstandigheden van Lucy Barton zijn (op het oog) minder ingewikkeld, waardoor het makkelijker is haar karakter te begrijpen en haar als persoon sympathiek te vinden. Deborah Levy’s Sofia is lastiger te doorgronden. Hoewel ook haar karakter een gevolg is van de omstandigheden in haar leven, is dat minder goed zichtbaar. Ik denk dat het zo zit: Lucy Barton was van jongs af aan op zichzelf aangewezen: haar zelf was alles wat ze had: daar vocht ze voor; Sofia werd dat juist afgenomen, ze werd aanhankelijk gemaakt, waardoor er niets van haar zelf over bleef om naar te luisteren, om serieus te nemen; waardoor er niets over bleef om te beschermen. 

(vechten / beschermen —
vechten als actie om te beschermen;
beschermen suggereert dat er zicht is op wat er is (omlijnd: begrensd) om voor te vechten;
maar als dat nooit is erkent, lijkt er niets te zijn.

ook dat maakt Hot Milk verwant aan My Name is Lucy Barton;
We vergeten misschien te gemakkelijk dat we zonder vaardigheden worden geboren, dat alles aangeleerd handelen/gedrag is. Waar we niets van weten neemt geen ruimte in, omdat we simpelweg niet weten dat het er toch is.

maar Sofia. Sofia is apathisch omdat haar gevecht nooit serieus genomen werd.
en ze zichzelf, als gevolg daarvan, niet serieus nam.
machteloos: want het heeft geen zin;
want het uitzicht biedt geen uitzonderingen, oplossingen.

maar ze bedenkt;
I want to get away from the kinship structures that are supposed to hold me together. To mess up the story I have been told about myself. To hold the story upside down by its tail. p63)


Het is niet normaal, blijkbaar niet voor te stellen: toch niet onwaarschijnlijk.

Een niet-perfecte en egoïstische moeder maakt ons van slag,
een jonge vrouw die de perfecte dochter probeert te zijn maakt ons van slag;
hoe is het mogelijk.

Bovendien; Sofia neemt haar lichaam, haar bestaan terug in eigen beheer. Ze is taai, ze overleeft.


The door to the concrete terrace on the beach opened of its own accord. A breeze filled the room. A warm desert breeze carrying with it the deep, salt smell of seaweed and hot sand. The waves were crashing on the beach, the table on the terrace had my laptop resting on it, the night stars made in China were open under the real night stars in Spain. All summer, I had been moonwalking in the digital Milky Way. It's calm here. But I am not calm. My mind is like the edge of motorways where foxes eat the owls at night. In the starfields, with their faintly glowing paths running across the screen, I have been making footprints in the dust and glitter of the virtual universe. it never occurrerd to me that, like the medusa, technology stares back and that its gaze might have petrified me, made me fearful to come down, down to earth, where all the hard stuff happens, down to the check-out tills and the barcodes and the too many words for profit and the not enough words for pain. p216

vrijdag 1 september 2017

au sérieux/ etty hillesum

‘Woensdagmiddag [13 augustus 1941]. — Een koelbloedige, ijskoude objectiviteit bereik ik natuurlijk niet, met mijn aanleg. Daarvoor zit er te veel gemoed. Maar ik ga ook niet meer zo kapot als vroeger, door al dat gemoed. Daan [Sajet] is uit een vliegmachine gevallen en er gaan zoveel van die levendige veelbelovende jongens ieder ogenblik van de dag en de nacht dood. Ikw eet niet wat ik daarmee beginnen moet. Door het vele leed om je heen begin je je er voor te generen, dat je jezelf met al je stemmingen au sérieux neemt. Maar je móét jezelf sérieux blijven nemen, je moet zelf het centrum blijven en met alles wat er in deze wereld gebeurt moet je ook klaar zien te komen, je mag nergens je ogen voor sluiten, je moet je auseinandersetzen met deze verschrikkelijke tijd en een antwoord zien te vinden op het aantal vragen op leven en dood die deze tijd je stelt. En misschien vind je op enkele van deze vragen een antwoord, niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen. Ik leef nu eenmaal. Ik moet alles onder ogen zien. Ik moet ook niet weglopen voor mezelf. Ik voel me soms net een paal aan een woedende zee, van alle kanten gebeukt door de golven. Maar ik blijf staan en raak dan verweerd door de jaren. Ik wil vol blijven leven.

Ik wil de kroniekschrijfster worden van veel dingen uit deze tijd (beneden moord en brand, vader brult: ga dan, en smijt met deuren; ook dat moet verwerkt worden en nou huil ik – brul opeens, zó objectief ben ik dus nog niet; eigenlijk kan je heir in huis niet leven, enfin, vooruit maar weer); o ja, kroniekschrijfster, daar was ik gebleven. Ik neem bij mijzelf waar dat naast al dat subjectieve lijden dat ik doe altijd weer een a.h.w. objectieve nieuwsgierigheid komt, een hartstochtelijke belangstelling voor alles wat deze wereld en z'n mensen en m'n eigen zielenroerselen betreft. Ik geloof soms dat ik een taak heb. Alles, wat er om me heen gebeurt moet in mijn hoofd tot klaarheid gedacht worden en later door mij beschreven worden. Arm hoofd en hart, wat zullen jullie nog veel te verwerken krijgen. Rijk hoofd en rijk hart, jullie hebben toch ook wel een mooi leven.

(..) Je wordt soms zo afgeleid door de schokkende gebeurtenissen om je heen, dat je je later maar moeizaam de weg tot jezelf terug kunt banen. En toch moet dat. Je mag niet ten onder gaan in de dingen om je heen, uit een soort schuldgevoel. De dingen moeten in jóú tot klaarheid komen, je mag niet zelf in de dingen ondergaan.

En een gedicht van Rilke is even reëel en belangrijk als een jongen, die uit een vliegmachine valt, dat wil ik je nog even op het hart drukken. Dat alles is er nu eenmaal in deze wereld en je mag het ene niet wegcijferen voor het andere. (..)

De vele tegenstrijdigheden moeten geaccepteerd worden, je zou alles wel willen samensmelten tot een eenheid en op de een of andere manier willen vereenvoudigen in je geest, omdat het leven dan eenvoudiger zou worden voor jezelf, maar het leven bestaat nu eenmaal uit tegenstrijdigheden en die moeten alle geaccepteerd worden als behorende bij het leven en men mag op het ene niet een zwaarder accent leggen ten koste van het andere. Laat maar draaien, de hele zaak en misschien wordt het dan toch nog een geheel.’

Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943.

dinsdag 29 augustus 2017

het geremde gemoed/ etty hillesum

‘Zondag, 9 maart [1941]. — Vooruit dan maar! Dit wordt een pijnlijk en haast onoverkomelijk moment voor mij: het geremde gemoed prijsgeven aan een onnozel stuk lijntjespapier. De gedachten zijn soms zo klaar en helder in het hoofd en de gevoelens zo diep, maar opschrijven, dat wil nog niet. In de hoofdzaak is het geloof ik het schaamtegevoel. Grote geremdheid, durf de dingen niet prijs te geven, vrij uit me te laten stromen en toch zal dat moeten, wil ik op den duur het leven tot een redelijk en bevredigend einde brengen.’

Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943.

vrijdag 25 augustus 2017

the poetry that is going to matter after you are dead/ dorothea lasky

Sylvia Plath is my favorite poet. She was not only a descendant of Modernism and the Romantics, she was a poet that cared about her own feelings so much that she cared about yours. She had some fucked-up shit happen in her life, but who cares about that? We all suffer and that has everything to do with poetics. Have you ever heard of Modernism? The Nazis called Modernism primitive and the work of the brutes. The only brutes on this earth are the dogs and those are the things that I love. Do you wonder what I am? You are reading the work of a great poet, possibly one of the greatest ones of your time. If I am standing in front of you right now, you are listening to the voice of one of the greatest poets of your time. Do you take time to analyze greatness? I don’t think you should bother—you will never get it right. I am both a Modernist and a Romantic. All poetry that is good today is some combination of modernism, ethics, and faith. Take note. All poetry that matters today has feelings in it. You can refute or deny this with your lack of them. You can wrestle against feelings and make funny words for it. Take a look in the mirror. You were born a child and you will die one, too. When you are in your grave all that you will be able to say is mommy. You are going to die you know and so am I. That’s it. You were born to die. Take the things you say because you can’t write poems and figure out how to write some. Go to the grocery store and buy some food. Sit alone by yourself and think of how it is, the way it really is. There are a million cells of fluid rushing in your veins. On earth a thousand rivers rush through. The only thing that keeps you contained is the faith God has in your every breath. When you are mean, you let him down, so don’t be. Read Plath. Hell, Read Stein. She was a woman and would have approved of you—you man, you woman, you dog. Bark your last breath while we all swim along a river. There are children playing around you. They know more than you will ever know.

Dorothea Lasky, ‘The Poetry That is Going to Matter After You Are Dead’, uit Black Life.

vrijdag 18 augustus 2017

narcistische mishandeling

Narcissus’ moeder kreeg van de ziener Tiresias te horen dat het levensgevaarlijk voor haar zoon zou zijn om zichzelf te leren kennen. Narcissus begint inderdaad met sterven op het moment dat hij zichzelf tegenkomt: in het spiegelende water van een heilig meer: hij wordt verliefd op een beeld en weigert dat vervolgens los te laten, ook al leidt het tot zijn ondergang.

Dat is interessant: als ik Iris Koops’ boek Herstellen van narcistische mishandeling goed begrijp heeft de narcist geen ‘zelf’, en vult hij (of zij) die leegte op met aandacht, bewondering, en toewijding van anderen. Hij eigent zich dat toe, denkt dat hij recht heeft op de sympathie en empathie van anderen. De narcist is daar echter zelf niet toe in staat: alles draait om hem: het zelf van anderen is er alleen om gecontroleerd, uitgegumd te worden. Jarenlang samenleven met een narcist kan er dan ook voor zorgen dat de eigen beleving volledig verdwijnt.

Wat veel mensen niet weten is dat narcisten een aantal overeenkomsten met psychopaten vertonen: ze zijn goed in het manipuleren en bespelen van mensen, en zullen zich nooit verantwoordelijk voelen voor het eigen gedrag en de gevolgen daarvan. De narcist heeft een bepaald beeld van zichzelf, en de wereld: een Waarheid — en die waarheid beschermt hij koste wat kost. Kritiek of twijfels accepteert hij niet: het tast immers zijn beeld (en daarmee zijn zekerheid) aan. Als hij er toch mee wordt geconfronteerd kaatst hij de bewering of kritiek terug, verdraait hij woorden, bespeelt hij onzekerheden met opmerkingen die de ander doen twijfelen aan de eigen beleving. Het is een verdedigingsmechanisme, een manier om vooral zichzelf niet te hoeven onderzoeken. Hij speelt de ander tegen zichzelf uit, vermorzelt de integriteit van zijn slachtoffer: hij gaat nooit inhoudelijk in op kritiek, negeert het. Ontwijken doet hij met zoveel kunde dat het niet opvalt: hij maakt gebruik van afleidingsmanoeuvres om zijn vestiging, zijn zekerheid, zijn waarheid, geen risico te hoeven laten lopen.   

De zekerheid van een narcist is een door hemzelf gefabriceerd beeld: het is plat, 2D: alleen te zien vanuit één point of view: zíjn point of view. Narcissus zou zichzelf niet mogen leren kennen want dat zou de dood betekenen: maar zijn zelf leeft niet: hij zou, zoals hij ontdekt bij het meer, ontdekken dat er niets is behalve zijn buitenkant. Het meer laat alleen een wispelturige weerspiegeling zien. Raak het aan en de verschijning verdwijnt. Wijs hem op z’n vluchtigheid en Narcissus komt tot de conclusie dat hij niets weet; hij verdwijnt in zijn eigen niets.


Iris Koops’ boek (met als ondertitel Het verdwenen zelf (tevens de titel van haar website)) is een poging om narcistische mishandeling meer bekendheid te geven, in de hoop dat het sneller herkend zal worden door hulpverleners. Het is lastig narcisme te diagnosticeren omdat narcisten een zeer charmant masker op kunnen zetten (zelfbehoud). Als narcistische mishandeling al wordt erkend, dan worden er nogal eens fouten gemaakt tijdens therapie.

Wat ik zeer waardeer aan Koops’ benadering van deze mishandeling is haar stelligheid als het gaat om populaire, new age-achtige therapieën waarbij het vooral draait om empathie. Er wordt geleuterd over vergeving en begrip, over welke rol het slachtoffer zelf heeft gespeeld, en de jeugd van de mishandelaar — het slachtoffer van narcistische mishandeling wordt hier niet mee geholpen. Sterker nog: dit is de manier waarop de narcist haar al die tijd heeft mishandeld: de verantwoordelijkheid voor de wijze waarop ze werd behandeld heeft de narcist altijd bij zijn slachtoffer gelegd. Nogmaals een beroep doen op haar empathie suggereert wederom dat ze het aan zichzelf te danken heeft: had je je zich maar anders moeten gedragen. Nee. Niet. De verantwoordelijkheid van mishandeling ligt ALTIJD bij de mishandelaar. Het slachtoffer van narcistische mishandeling heeft niet voor niets moeite met begrijpen wat ‘normaal’ is: ze heeft geen besef van/ gevoel voor grenzen: niemand heeft haar ooit laten zien dat haar ‘nee’ een grens zou moeten zijn, dat daar overheen denderen geen optie zou mogen zijn. Zo simpel is het. Zo ingewikkeld is het.


Later meer; ik ga ook Koops’ tweede boek, Je leven in eigen hand – Verder na narcistische mishandeling lezen. Bovendien, ik kan het niet helpen: ik lees over feminisme (Living a Feminist Life/ Sara Ahmed) & zie allerlei verbindingen tussen narcistisch gedrag/narcistische mishandeling en misogynie/racisme/discriminatie.

vrijdag 11 augustus 2017

problems with names, or: the figure of the killjoy/ sara ahmed

Uit het eerste hoofdstuk van Sara Ahmeds Living a Feminist Life (Duke University Press 2017), ‘Feminism Is Sensational’ (to be clear: iedere witregel betekent einde/ begin van alinea/ fragment. Ik heb lukraak overgetypt wat ik in mijn boek heb onderstreept. Vermelden dat alle woorden uit het eerste hoofdstuk komen lijkt mij op deze plek voldoende. Woorden die dik zijn of schuin staan, doen dat ook in Ahmeds boek.):

Feminist work is often memory work.

You are taught to care for yourself by being careful about others.

Documentation is a feminist project; a life project.

Sometimes it might even seem that it is as or even more tiring to notice sexism and racism than to experience sexism and racism: after all, it is this noticing that makes things real.

In Sister Outsider, Audre Lorde describes the words racism and sexism as "grown up words". We encounter racism and sexism before we have the words that allow us to make sense of what we encounter. Words can then allow us to get closer to our experiences; words can allow us to comprehend what we experience after the event. We become retrospective witnesses of our becoming. Sexism and racism: if they are problems we have given names, the names tend to lag behind te problems.

Feminist and antiracist consciousness involves not just finding the words, but through the words, how they point, realizing how violence is directed: violence is directed toward some bodies more than others. To give a problem a name can change not only how we register an event but whether we register an event. Perhaps not having names is a way of turning away from a difficulty that persists whether or not we turn away. Not naming a problem in the hope that it will go away often means the problem just remains unnamed. At the same time, giving the problem a name does not make the problem go away. To give the problem a name can be experienced as magnifying the problem; allowing something to acquire a social and physical density by gathering up what otherwise would remain scattered experiences into a tangible thing. Making sexism and racism tangible is also a way of making them appear outside of oneself; something that can be spoken of and addressed by and with others. It can be a relief to have something to point to; otherwise you can feel alone or lost. We have different tactics for dealing with sexism and racism; and one difficulty is that these tactics can be in tension. When we give problems their names, we can become a problem for those who do not want to talk about a problem even though the know there is a problem. You can cause a problem by not letting things recede.
         We need to acquire words to describe what we come up against. Becoming feminist; finding the words. Sexism is another such word. It often arrives after the event: we look back and we can explain things that happened as sexism. To name something as sexist does not make something there that was not there before; it is a sexist idea that to describe something as sexist is to make something sexist. But naming something as "sexism" does do something. Because, after all, to name something as sexist is not only to name something that happens as part of a wider system (to refuse to give what happens the status of an exceptional event), but it is also to give an account of that something as being wrong and unjustifiable. To name something as sexist is not only to modify a relation by modifying our understanding of that relation; it is also to insist that further modification is required. When we say, "That's sexist," we are saying no to that, as well as no to the world that renders such a speech or behavior permissible; we are asking individuals to change such that these forms of speech and behavior are nog longer acceptable or permissable.
         Not just individuals: the point is that individuals are encouraged and rewarded for participating in sexist culture. It might be a reward given through affirmation from peers (the egging on that allows a group to solidify over how they address others as imposters). But institutions also enable and reward sexist behavior: institutional sexism. Sexual banter is so often institutionalized. You might participate in that banter because it is costly not to participate: you become the problem, the one who is disapproving or uptight. You are treated as policing the behavior of others simply by virtue of not participating in that bevior. Not participating can be judged as disapproval whether or not you make that judgment. You are judged as taking something the wrong way when you object to something. When we give an account of something as sexist or racist, we are often dismissed as having a faulty perception, as not receiving the intentions or actions of others fairly or properly. "I didn't mean anything by it," he might say. And indeed then by taking something said or done the wrong way, not only are you wrong, but you are misunderstood as ommitting a wrong against someone else. When you talk about sexism and racism, you are heard as damaging the reputation of an individual or an organization.

When you expose a problem you pose a problem.
         It might then be assumed that the problem would go away if you would just stop talking about it or if you went away. The charge of sensationalism falls rather quickly onto feminist shoulders: when she talks about sexism or racism, her story is heard as sensationalist, as if she is exaggerating for effect. The feminist killjoy begins as a sensationalist figure. It is as if the point of making her point is to cause trouble, to get in the way of the happiness of others, because of her own unhappiness.

She makes things tense.

Rolling eyes = feminist pedagogy. 

We can see now how feminism is refuted or dismissed as simply a personal tendency, as if she disagrees with something because she is being disagreeable; as if she opposes something because she is being oppositional.

Feminists: looking for problems. It is as if these problems are not there until you point them out; it is as if pointing them out is what makes them there.

We become a problem when we describe a problem.

Poor him


When you question sexism and racism it is hard not to question everything.
         That is another promise.

The experience of being feminist is often an experience of being out of tune with others. The note heard as out of tune is not only the note that is heard most sharply but the note that ruins the whole tune.

To be misattuned is to be out of sync with a world. Not only that: it is to experience what is in tune as violence.

If alienation is sensation, it is not then just or only the sensation of negation: of experiencing the impress of a world as violence, although it includes those feelings. Alienation is studious; you learn more about wishes when they are not what you wish for.

It is when we are not attuned, when we do not love what we are supposed to love, that things become available to us as things to ponder with, to wonder about. It might be that we do destroy things to work them out. Or it might be that working them out is perceived as destroying things.

vrijdag 4 augustus 2017

dear friend, from my life i write to you in your life

Yiyun Li / Dear Friend, from My Life I Write to You in Your Life:

For a while I read Katherine Mansfield's notebooks to distract myself. “Dear friend, from my life I write to you in your life,” she wrote in an entry. I cried when I read the line. It reminds me of the boy from years ago who could not stop sending the designs of his dreams in his letters. It reminds me too why I do not want to stop writing. The books one writes—past and present and future—are they not trying to say the same thing: Dear friend, from my life I write to you in your life? What a long way it is from one life to another, yet why write if not for that distance, if things can be let go, every before replaced by an after.

zondag 23 juli 2017

a vapid pleaser/ catherine lacey

After a few weeks of failure, I told Christopher I couldn't do his project, that I didn't have it in me, and he said I'd ruined his entire thesis and wasted his time. I didn't know you were such a vapid pleaser, he said. I asked him what he meant and he said, You know, one of those women who want male approval so badly they go along with whatever a man asks them but ultimately end up failing because they never think about what they actually want. It was a beautiful autumn day and we were standing in front of the old library, the concrete steps strewn with students. My veins dilated. I said, I didn't know you could be one of those pretentious assholes who think they have a right to something just because they have one stupid idea, you skeezy fuck. I had never felt so large and small at the same time. I didn't recognize my own voice and words. Shame and pride swirled together in a way that felt animal, so I darted away from him. I was still new to this kind of adrenaline, the immediate release of anger instead of gnawing on it like overdue gum.

~ Catherine Lacey, The Answers/ p. 31.

zaterdag 15 juli 2017

de kieren van lucy barton

It was her style, her forthright spilling out about things I didn’t know people spoke of.’ Elizabeth Strout, My Name is Lucy Barton (p. 62).


Lucy Barton is een small town girl. De eerste elf jaar van haar leven woonde ze in een garage. Ouders werkten, beide; Lucy bracht dagen alleen door in een opgesloten truck. Mishandeling en armoede, zowel geestelijk als lichamelijk. Ze kwam los van haar omgeving/ouders omdat een universiteit Lucy's cijfers opmerkte; ze mocht gaan studeren.

Boeken kusten haar wakker, maar eenmaal studerend merkte ze al snel dat ze de wereld van huis uit anders benadert: ze mist de vanzelfsprekendheid waarmee anderen de wereld bewonen, onderzoeken, voelen, en verwerken.


spilling out about things I didn't know people spoke of

Een boek over woorden, Lucy Barton. Vooral over de afwezigheid daarvan. Daar wil ik iets meer over zeggen dan dat Elizabeth Strout een fantastische schrijver is — want een wereld zonder woorden, de wereld waarin Lucy Barton opgroeide, is niet alleen een stille wereld: het is ook een kleine wereld, één met weinig mogelijkheden. 

Woorden zijn er om lijnen mee te tekenen: rondom ideeën, gevoelens, sensaties, dromen; maar in de wereld waarin Lucy Barton opgroeide waren woorden er alleen om iets duidelijk te maken.


Ik moest denken aan Herta Müllers ‘dagelijkse handgrepen’

De dingen heetten precies zo als ze waren en ze waren precies zo als ze heetten. Een overeenstemming voor altijd. Voor de meeste mensen bestonden er tussen woord en voorwerp geen kieren waar je doorheen moest kijken en in het niets moest staren, alsof je uit je huid gleed, de leegte in. De dagelijkse handgrepen ware instinctief, waren woordloos aangeleerd werk, het hoofd volgde de weg van de handgrepen niet en had ook niet zijn eigen afwijkende wegen.

&: Zwaar werk (..) was een leerschool van zwijgen. Het lichaam had het veel te zwaar om energie in praten te steken. (Praten als luxe (maatschappelijk gezien)/ als je praat ben je lui, werk je niet hard genoeg.)

&: Soms dacht ik als ik ernaar keek: ik kijk nu naar hoe het gaat als mensen het praten verleren. Als ze dit gezwoeg achter de rug hebben, zullen ze alle woorden vergeten zijn.

&: Wat je doet hoeft niet in het woord verdubbeld te worden. Woorden vertragen de handgrepen – dat kende ik.

Communistisch Roemenië is natuurlijk niet te vergelijken met Amerika, maar het gaat om dezelfde druk: werken om te leven. Praten gebeurt alleen als het nodig (/nuttig) is. En dus gaan er woorden verloren. En dus vergeet men dat er ook over andere dingen gesproken kan worden.

(de reikwijdte van het leven krimpt)

Als je opgroeit in een wereld waarin mensen urenlang kunnen zwijgen, omdat ‘het lichaam (..) het veel te zwaar [had] om energie in praten te steken’ (HM) — dan kan het lang duren voor je überhaupt in de gaten hebt dat er zelfs woorden zijn voor ‘things I didn't know people spoke of’.

We vergeten misschien te gemakkelijk dat we zonder vaardigheden worden geboren, dat alles aangeleerd handelen/gedrag is. Waar we niets van weten neemt geen ruimte in, omdat we simpelweg niet weten dat het er toch is.


Als ergens geen woorden voor zijn bestaat het niet. Dit klinkt vanzelfsprekend maar ik wil dit duidelijker maken. Is het wel over te brengen? 

: het is alsof je naar de zee tuurt en niet weet dat er onder de waterspiegel heel veel meer aan de hand is: dat er verschillende dieren leven, dat er een bodem is, dat onder die aardkorst vuur leeft. Dat de aardkorst bestaat uit losse, bewegende platen; dat bewegende platen ruimte geven en nemen, dat er vuur naar boven klimt, een weg zoekt naar boven, waar lucht beweegt. Dat er eilanden kunnen ontstaan, waar dan weer ander leven tot stand zal komen. Het is alsof de scheiding tussen lucht en water alleen maar een lijn is die soms de vorm aanneemt van een berg, dan een dal, maar bovenal een lijn blijft. (Het is alsof je in 2D leeft.)

Geconfronteerd worden met manieren van beschouwen, verwerken, manieren waarvan je het bestaan niet kon vermoeden, is overweldigend als je opgroeit in een wereld waarin bespiegeling als overbodig of moeilijk doen wordt bezien.


Ergens woorden voor zoeken begint met (h)erkennen dat er iets is om vorm aan te geven: de ervaring, de sensatie, een gevoel. Om vervolgens actief vorm te geven. Ik herinner me een moment in het boek waar Lucy letterlijk woorden zoekt, en vindt, voor haar moeder. Het lukt moeder Barton niet en Lucy schiet haar te hulp:

‘My mother pointed at the magazine she had handed me. “I think she looks—I don’t know.” My mother sat back. “What does she look like?”
       “Nice?” I didn’t think she looked nice; she looked something, but I would not have said “nice”.
       “No, not nice,” said my mother. “Something. She looks something.”
       I stared at the picture again. She was next to her new boyfriend, an actor from a television series my husband watched some nights. “She looks like she’s seen stuff,” I finally said.
       “That’s it,” my mother nodded. “You’re right, Wizzle. That’s what I thought too.”’


Geef er een woord aan en het bestaat; My Name is Lucy Barton.

vrijdag 7 juli 2017

mid-year booklist

Ik las in zeer korte tijd twee boeken waar ik nogal van onder de indruk ben: Hot Milk van Deborah Levy, en My Name is Lucy Barton van Elizabeth Strout. Als boeken me overvallen zoals deze twee dat deden, heb ik allereerst de neiging om iedereen die boeken in de hand te drukken; in tweede instantie trek ik de boeken mee terug in mijzelf en wil ik achterhalen wat ze tegen me zeggen. (Het is alsof ze veel geluid (/herrie) maken, vanbinnen. Ik begrijp niet waar die klanken vandaan komen. Zoiets.)

(Overigens maakte Strouts boek zoveel indruk op dat ik direct Olive Kitteridge en Anything is possible bestelde. Olive Kitteridge lees ik nu.)

Kortom: ik ben nu aan het nadenken over deze boeken en heb daarom niet de neiging over iets anders te schrijven. Ook niet hier. Radiostilte. & toen kwam ik ergens een ‘mid-year booklist’ tegen en dacht ik: hier kan ik wel iets mee. Iets, being: iets over wat ik tot nu toe gelezen heb. Of misschien gewoon een aantal aanraders.


Gelezen en het meest bijgebleven:

Contouren en Transit van Rachel Cusk
Book of Mutter van Kate Zambreno
Hier zijn is heerlijk van Marie Darrieussecq
Garments Against Women van Anne Boyer

& het gedicht Mutable earth van Louise Glück.


In Rachel Cusk romans Contouren en Transit gebeurt weinig: het is een boek vol observaties en herinneringen en interpretaties en ideeën. Haar personages zijn eigenaardig maar op die manier waarop we allemaal eigenaardig zijn: heel begrijpelijk als je luistert naar het verhaal dat verteld kan worden. Cusks boeken bestaan dan ook vooral uit ervaringen die in context worden geplaatst, achteraf, door de eigenaar van de herinneringen. Er wordt, kortom, een verhaal gemaakt. De verhalen bestaan uit momenten die herinnerd worden: de verhalen (/levens) zouden wellicht een ander karakter hebben als men zich andere momenten zou herinneren. Waarom juist deze momenten? Waarom dit verhaal? (Dat is in ieder geval wat ik nu bedenk /mijn herinneringen.)

Om een idee te krijgen van Cusks taal:

‘Ook ik zag in alles om me heen steeds meer mijn eigen angsten en verlangens, zag andermans leven steeds vaker als een commentaar op mijn eigen leven. Kijkend naar het gezin op de boot zag ik wat ik niet meer had: iets wat er niet was, met andere woorden. Die mensen gingen volledig op in het moment, en al keek ik ernaar, ik kon er evenmin naar terug als dat ik over het water kon lopen dat ons scheidde. Welk van die twee manieren van leven – opgaan in het moment of erbuiten staan – was echter?’ (Contouren, p. 67)

‘De laatste tijd had ik nagedacht over het kwaad, vervolgde ik, en ik was gaan beseffen dat het kwaad niet voorkwam uit wilskracht maar uit de tegenhanger daarvan: overgave.’ (Transit, p. 166)


Book of Mutter, Kate Zambreno. Semiotext(e) 2017/ p. 131
Kate Zambreno werkte dertien jaar aan Book of Mutter. Het is een reactie op de dood van haar moeder, en gaat dus over het geweld van rouw, en herinneringen, en lege ruimte. Ze komt er achter dat ze haar moeder niet zo goed kende. Nee, dat zeg ik verkeerd — ze kende haar moeder, maar niet de persoon die haar moeder was zonder kinderen; de persoon achter de schermen.

Book of Mutter is heel bijzonder.
Ik weet er niet veel meer over te zeggen. Een paar zinnen:

‘What does it mean to write what is not there. To write absence.’ (p. 51)

‘I study this photograph. Her tweezed eyebrows are uneven. Yet so manicured and put together. I recognize that about my mother.
I put my ear to the glossy image but no sound comes out.’ (p. 66)

‘How and why to take out the cherished, the sentimental, these protestations of innocence, that which you hold onto too fiercely?’ (p. 85)

‘Writing is how I attempt to repair myself, stitching back former selves, sentences. When I am brave enough I am never brave enough I unravel the tapestry of my life, my childhood.’ (p. 103)


maandag 12 juni 2017

de strijd tussen vorm en inhoud

vorm en inhoud

Als het om schrijven gaat, heeft men het vaak over het probleem van vorm en inhoud; er wordt zelfs weleens gezegd: de inhoud is goed maar de vorm niet, enzovoort. Maar verdorie, het probleem is dat er niet aan de ene kant een inhoud is en aan de andere kant een vorm. Dat zou makkelijk zijn: alsof je via een vorm verslag zou doen van wat al vrij bestond, de inhoud. De strijd tussen vorm en inhoud woedt echter in het denken zelf: de inhoud vecht om zich te vormen. Om eerlijk te zijn, je kunt niet aan een inhoud denken zonder de vorm die hij heeft. Alleen de intuïtie raakt aan de waarheid zonder vorm of inhoud nodig te hebben. De intuïtie is de onbewuste diepe reflectie die het zonder vorm kan stellen wanneer ze naar boven komt. Het lijkt me dat de vorm verschijnt wanneer het hele zijn al een rijpe inhoud heeft, aangezien men het denken of schrijven wil splitsen in twee fasen. Het probleem van de vorm ligt daarin dat hij voortkomt uit de inhoud, het denken of voelen op zichzelf, die niet zouden kunnen bestaan zonder hun adequate en soms unieke vorm.

Uit De ontdekking van de wereld van Clarice Lispector (p. 258).

zondag 11 juni 2017

neem me aan met zijden draden

zijden draden

Ik heb nauwelijks iets gelezen van Henry James, toch een geweldig schrijver volgens een vriend van mij. Hij is hermetisch en helder. Zou ik als ik James zou citeren hermetisch worden voor mijn lezers? Dat spijt me dan. Ik moet de dingen zeggen en de dingen zijn niet gemakkelijk. Lees en herleest u het citaat. Hier is het, door mij vertaald uit het Engels: Wat voor soort ervaring is noodzakelijk en waar begint en eindigt die? Ervaringen zijn nooit begrensd en nooit compleet; het is een immense gevoeligheid, een soort enorm spinnenweb gemaakt van de allerfijnste zijden draden dat in de kamer van het bewustzijn hangt en in zijn weefsel elk stofdeeltje opvangt dat door de lucht wordt aangedragen. Het is de eigen sfeer van de geest; en als de geest fantasierijk is – en al helemaal wanneer het gaat om een genie – vangt hij de lichtste wenken op en zet de luchtgolven om in openbaringen.

Zonder ook maar in de verste verte een genie te zijn: hoeveel openbaringen, hoeveel golven heb ik zelf opgevangen uit de ijle lucht. De fijne draden in de kamer van het bewustzijn. En in het onderbewuste de enorme spin zelf. Oh, wat is het leven geweldig met zijn vangende webben!

Zegt u het als ik te veel mezelf begin te worden. Ik heb die neiging nu eenmaal. Maar ik ben ook objectief. Zo objectief dat ik het subjectieve van de spinnendraden kan omzetten in objectieve woorden. Elk woord is trouwens een object, is objectief. Bovendien, gelooft u me maar, hoef je niet intelligent te zijn: de spin is dat ook niet en de woorden, de woorden zijn onvermijdelijk. Begrijpt u het? Dat hoeft niet eens. Neem het gewoon aan zoals ik het u geef. Neem me aan met zijden draden.

Uit De ontdekking van de wereld van Clarice Lispector (p. 178).

donderdag 8 juni 2017

retrieval/ durga chew-bose

Uit ‘The Girl’ (Too Much and Not the Mood) van Durga Chew-Bose:

‘She is standoffish, unwilling, harsh, up to something. She is a narcissist, a snob, a spy, some suspect. She is haughty, selfish, plenty vain, and proud. Affected. She puts on airs, I've heard people say.

(..) Despite your grievances, she isn't withholding. Simply, she'll never tell you the things she takes an interest in, because what she doesn't want is this: that you procure them for her.
     You yearn for her vulnerability. Which you believe comes complimentary, like peanuts on a flight; two packets. Like a smile. Vulnerability she refuses to give you because she is, after all these years, gaining back custody of herself. Lost long ago, before she was born (..).
     Hers is an everyday process of retrieval.

(..) She wishes she had a genius for curbing small talk; for manufacturing an arbitrary tone when airing something considered; for soft-boiling an egg.’

vrijdag 26 mei 2017

nook people

I don't require much to feel far-removed; to impose my wanderings on what's close. Because of this, my friend and I have started calling ourselves nook people. Those of us who seek corners and bays in order to redeploy our hearts and not breakt he mood. Those of us who retreat in order to cubicle our flame. Who collect sea glass. Who value a deep pants pocket. Who are our own understudies and may as well have shadowboxes for brains.

.. Nook people express appreciation in the moment by maintaining how much we will miss what is presently happening. Our priorities are spectacularly disordered.

.. Nook people might be terrible at giving and receiving hugs despite often feeling—on the whole, at home and in public—as though we are holding on tight. Nook people sense slight tremors or the onset of a neck rash when faced with people at parties who yell-speak. A nook person catches sight of the quiet cranny at any gathering: the arm of a couch, a sill to perch on, the corner of a counter where the vegetable platter—only celery and ashy carrots are left—has been abandoned. (..); sits on the floor and braids carpet tassels only to become self-conscious and unbraid them. From afar, even nearby actually, a nook person can seem like a real bore. The last person whom you want to meet. A fun-killer.

.. Nook people need relief from distraction's overall insistence: the trap of everything else. Their ambition is not to be understood outright, but to return to an original peg. To share without betraying whatever mechanism individuates him or her. Perhaps that's what we call our disposition. How becoming is multipart, but mainly a pilgrimage inward. If you share too much of yourself, you risk growing into someone who has nothing unacknowledged. Those yet-to-access riches that I'd suspect are what tingle when a song's lyrics eject me into outer space; assure me I can love; can go about and be loved; can retreat and still get, as in both catch and understand, love. Those yet-to-access riches that I'd suspect too are what tingle when a building's architecture persuades me to notice other systems of proportion.

.. What a nook person wants is space, however small, to follow whatever image is driving her, instead of sensing like she might have to trade it in or share it before she's willing. Her awakening demands no stage but, rather room to store that second half of what she deems her double life: what's corrugated inside. Intuition's buildup.
     Nook people find it trying to imagine themselves in real-life situations but long to climb into, for instance, a movie still.

.. Nook people are interested in what's backstage; (..) [n]ook people can gently disagree while securing their spark. No. No. Spark is not substantive enough. Their approach. That radiant heat they typically keep stored inside because it functions as insulation.
     Nook people love signing with a heavy pen; don't mind waiting in the car; love sitting on a stack of banquet chairs in an empty banquet hall, feet dangling; appreciate the surprising density of a beaded curtain (..).

.. Nook people confuse emotional truth with other varieties of truth. They are a composite of the last person who complimented them and the next person who might ignore them, and also whomever or whatever they consider themselves a child of.

.. As adults, nook people cower under overhead lightning. They prefer when lamps yoke the floor rather than animate an entire room. They are habitual creatures who fear each time they're charmed by something, because what if it's the last time they are charmed by anything?

Durga Chew-Bose, Too Much and Not the Mood; ‘Heart Museum’.

dinsdag 23 mei 2017

if you were some tall guy

‘As we were heading down Mass Ave toward campus, a man stepped out of a doorway. “I’m selling books,” he said. Instinctively I averted my eyes, picked up my pace, and changed course slightly to give him a wider berth—just as Ivan did the opposite, slowing down right in front of the man, looking right at him, right into his eyes. “Books, really?”

I was overcome by the sudden sense of Ivan’s freedom. I realized for the first time that if you were a guy, if you were some tall guy who looked like Ivan, you could pretty much stop to look at anything you wanted, whenever you felt like it. And because I was walking with him now, just for this moment, I had special dispensation, I could look at whatever he was looking at, too.’

~ Elif Batuman, The Idiot

donderdag 18 mei 2017

everyone thought they were dumbo

“I found myself remembering the day in kindergarten when the teachers showed us Dumbo, and I realized for the first time that all the kids in the class, even the bullies, rooted for Dumbo, against Dumbo’s tormentors. Invariably they laughed and cheered, both when Dumbo succeeded and when bad things happened to his enemies. But they’re you, I thought to myself. How did they not know? They didn’t know. It was astounding, an astounding truth. Everyone thought they were Dumbo.

Again and again I saw the phenomenon repeated. The meanest girls, the ones who started secret clubs to ostracize the poorly dressed, delighted to see Cinderella triumph over her stepsisters. They rejoiced when the prince kissed her. Evidently, they not only saw themselves as noble and good, but also wanted to love and be loved. Maybe not by anyone and everyone, the way I wanted to be loved. But, for the right person, they were prepared to form a relation based on mutual kindness. This meant that the Disney portrayal of bullies wasn’t accurate, because the Disney bullies realized they were evil, prided themselves on it, and loved nobody.”

~ Elif Batuman, The Idiot

zondag 30 april 2017

garments against women

ik lees Garments Against Women van Anne Boyer. ik vind het mooi hoe ze haar ideeën uiteenzet (ze volgt het spoor van haar idee terug naar waar het zich begon te vormen) en het is bijzonder dat ze dat doet door haar materieel te bevragen:

In the kitchen I was chopping vegetables and thinking about how discourse is a conspiracy, then how discourse is a conspiracy like “taste”, then how taste is a weapon of class. Those guys have gotten together and agreed on their discourse; it will make them seem middling, casual like a sweater. Who dips in or out of it? What does it mean to give stuff up? There is a risk inherent in sliding all over the place. As if the language of poets is the language of property owners. As if the language of poets is the language of professors. As if the language of poets is not the language of machines.’ (p. 14)

The synctactical evidence of poetry without the frame of poetry is a crime that is much more criminal. Or rather, if it is not in the frame of poetry, poetic syntax is evidence, mostly, of having no sense.’ (p. 18)

in haar teksten oriënteert Boyer zich, en haar bedoeling, schijnbaar tijdens het schrijven. het is duidelijk dat er een bedoeling is. of niet zozeer een bedoeling, eerder een idee dat nog omringd wordt door troebele taal, en bedoelingen en blikken en vermoedens van anderen. omringd door clichés, ook. in Boyers werk zijn de sporen van haar inspanningen waarneembaar, ik voel per zin, of alinea, hoe ze zich dichter naar een kern toe werkt terwijl ze iets anders afbreekt; clichés, regels, schijn. & ze komt daadwerkelijk dichterbij.

er wordt in Garments Against Women ruimte gecreëerd voor schrijvers die niet weten hoe ze moeten schrijven, voor schrijvers die bij het begin beginnen. ‘.. an experiment in erasing importance ..’ ~ ‘.. against information ..’ (p. 16).

On the local radio show a man who won a Pulitzer prize in fiction explained that one must write every day because if a person does not write everyday a person forgets how to access the subconscious. If one did not write everyday then whenever a person comes back to writing she would have to learn to write from the beginning again. This has always been my plan. I would like to not know how to write, also to know no words.’ (p. 16)

Boyer strijdt tegen taal, met taal, voor taal.
ze zegt: ‘literature is against us.
ze zegt ook: ‘by “garments,” I mean “literature.”

dinsdag 25 april 2017

hier zijn is heerlijk/ paula modersohn-becker

‘Ik noem haar Paula en hem noem ik Rilke. Het lukt me niet hem Rainer Maria te noemen. Maar vooral, hoe moet ik haar noemen? Modersohn-Becker, haar toekomstige naam als echtgenote, de naam uit de catalogi die aan haar werk gewijd zijn? Becker-Modersohn, zoals in haar museum in Bremen? Becker, haar meisjesnaam, haar Jungfrauname, die de naam van haar vader is?

‘De eenvoudige, eerlijke naam Becker’ is in Duitsland een veelvoorkomende naam. Paula Becker is de naam van een meisje wier vader Becker heette en dat de voornaam Paula kreeg.

Vrouwen hebben geen naam. Ze hebben een voornaam. Hun naam wordt ze tijdelijk geleend, een vluchtige aanduiding, hun eendagsvlieg. Ze vinden andere vaste punten. Hun bevestiging in de wereld, hun ‘er zijn’, hun schepping, hun handtekening wordt erdoor bepaald. Ze vinden zichzelf uit in een mannenwereld, veroveren zich er een plaats.’ (p. 41)

‘Niels Lyhne [Niels Lyhne, Jens Peter Jacobsen] is op zoek naar zuiverheid. Hij weet dat het een droom is. De vrouwelijke begeerte is werkelijk, en de werkelijkheid staat hem tegen. In de roman komt een jong echtpaar voor dat ten onder gaat aan de afkeer van seksualiteit, in een huis buiten aan een stille fjord.

Hoor de jonge echtgenote: ‘De zuiverhuid van de vrouw, dat is ook een van die zinloze fijnzinnigheden. Wat is dat voor onnatuurlijks? ...Wat is het dan voor waanzin? Waarom gooien jullie ons dan met één hand de lucht in, als jullie ons toch met de andere neer moeten halen? Kunnen jullie ons niet op aarde naast jullie laten lopen, mens naast mens, en geen zier meer? Het is immers onmogelijk voor ons om vaste voet te krijgen in het proza, als jullie ons verblinden met je dwaallichtjespoëzie. Laat ons toch, in 's hemelsnaam.’ (vert. Annelies van Hees, 2014)’ (p. 43-44)

‘Ze heeft een verhouding met de zon: dat schreef ze aan Clara vlak voor ze gebrouilleerd raakten. Niet de zon die verdeelt, die het beeld breekt in schaduwen, maar de zon die de dingen met elkaar verbindt: laag, zwaar, dromerig, gedempt haast. Zo schildert ze de zon: geen schaduw, geen effectbejag. Geen toegevoegde betekenis. Geen verloren onschuld, geen vernederende maagdelijkheid, geen heilige die voor de leeuwen wordt geworpen. Geen ingetogenheid, geen valse schaamte. Geen heilige, geen hoer. Dit hier is een jong meisje: en die twee woorden zijn al te veel, beladen met dromerigheid à la Rilke en mannelijke poëzie – ‘laat ons toch!’’ (p. 77)

maandag 10 april 2017

het uur van de ster

‘Alles op de wereld begon met een ja. Een molecuul zei ja tegen een andere molecuul en het leven ontstond. Maar voor de prehistorie was er de prehistorie van de prehistorie en was er het nooit en was er het ja. Die zijn er altijd geweest. Ik weet niet hoe of wat, maar ik weet dat het universum nooit is begonnen.’ (p. 9)

‘Denken is een daad. Voelen is een feit. Dat samen – ben ik die schrijf wat ik aan het schrijven ben. (..) De waarheid is altijd een innerlijk en onverklaarbaar contact. Mijn meest ware leven is onherkenbaar, door en door innerlijk en er is geen enkel woord dat het kan duiden.’ (p. 9)

‘Wie heeft zich nooit eens afgevraagd: ben ik een monster of is dit mens zijn?’ (p. 15)

‘Was ze voor haar geboorte een idee? Was ze voor haar geboorte dood?’ (p. 33)

‘(..) hoe moeilijk haar bestaan ook was, ze wilde niet van zichzelf beroofd worden, ze wilde zichzelf zijn.’ (p. 39)

‘(..) wie heeft de wereld van de mensen georganiseerd?’ (p. 43)

‘Als je erover nadenkt: wie is geen toevalligheid in dit leven?’ (p. 45)

Uit Het uur van de ster, Clarice Lispector (vert. Adri Boon, Arbeiderspers 2017).

woensdag 5 april 2017

over de schaamte

Volgens psychoanalyticus Louis Tas (1920-2011) is schaamte een gebrek aan empathie met jezelf. Ik las over hem in Genoeg nu over mij (in het essay ‘De ervaren schamer. Over je verstoppen en toch gezien worden’) van Marja Pruis. Ze laat Tas regelmatig aan het woord:

‘Schaamte is niet alleen een obstakel bij het onderkennen van wat er aan de hand is. Het is als vorm van zelfminachting een soort ziekte. Gevoelsmatig, tegen beter weten in, identificeert de schamer zich met de minachter, als hij zich afhankelijk voelt van diens oordeel. De haat richt zich tegen jezelf.’

Pruis schrijft: ‘Hij vertelde dat er altijd genoeg redenen zijn waarom je kunt denken geen recht van spreken te hebben (..).’ Een paar pagina's verderop: ‘Tas had me verteld dat schaamte de emotionele reactie is op de angst voor afwijzing. (..) Wanneer je je schaamt, zei Tas, heul je met de vijand. De haat richt zich tegen jezelf. Schaamte kan tot zelfmoord leiden.’

‘Idioten schamen zich niet, schreef Darwin.
Volgens Tas schamen 'echte fouteriken' zich niet, oftewel mensen die op geen enkele manier bij zichzelf te rade gaan en zich alleen maar verongelijkt voelen. Hij impliceerde hiermee dat enige mate van schaamte niet alleen onvermijdelijk, maar ook wenselijk is. Met schaamteloos gedrag schaad je jezelf en de ander.’

‘(..) schaamte [is] soms misschien meer nog dan een gebrek aan empathie voor jezelf, een overdaad aan empathie voor de ander (..). Koste wat het kost moet worden voorkomen dat de ander uit de droom geholpen wordt.’

woensdag 29 maart 2017

vertakkingen/ publicatie

In het nieuwe nummer van Gierik & NVT (#134) staat een tekst van mij gepubliceerd. Het is in principe een samenraapsel van een aantal stukken die hier op mijn blog al eens voorbij zijn gekomen (als Naar de rivier, Zonnevlekken, en Pluis), maar er zijn een klein aantal dingen aangepast, waardoor de tekst nu anders overkomt. Denk ik? Anyway, ik vind het leuk om het hier, als iets nieuws gemaakt van iets ouds, met U te delen.



Ik las laatst een boek over een rivier in Engeland en het leerde me een volledig nieuw genre kennen. Ik weet alleen niet zo goed hoe dat genre heet. Het gaat om de boeken waarin wordt geschreven over de natuur; het beleven ervan en daarnaast het filosoferen over.

Het boek dat ik las heet Naar de rivier, is geschreven door Olivia Laing, en gaat over de Ouse (je schijnt het uit te spreken als oeoezoez, een beetje op z'n uils dus). Ik wist weinig over deze Ouse, behalve dan dat Virginia Woolf besloot te verdwijnen in de rivier.

In dit boek volgt Laing de loop van de rivier, zo mogelijk (veel stukken grond die aan de rivier liggen zijn privébezit). Naast het beschrijven van het gebied, vertelt ze verhalen over de omgeving. Er wordt geschreven over natuur, literatuur en geschiedenis, over overstromingen, veldslagen en geologische ontdekkingen. Kenneth Grahame, Iris Murdoch, Odysseus. Ze duikt (soms letterlijk) in de rivier, diepte gezocht en gevonden, en breekt dan weer door het oppervlak wanneer ze terug wordt gesleurd door de realiteit.

Het plaatsen van een gebeurtenis, een verhaal uit het verleden, in een bestaand landschap brengt alles dichterbij. Kan dit? Laing wandelt, en ik wandel mee. Ik voel de koelte van het stromende water op een warme, plakkerige dag. Ik zie het zilveren water, de vissers aan de rand van de rivier, de zich ontwikkelende stapelwolken. De mooie verhalen van (soms) lang geleden komen dan binnen in een omgeving die ik lijk te kennen. Misschien herken ik de omgeving zelfs wel als ik er zelf ooit in het echt kom. Fictie kan dit natuurlijk heel goed, maar om een reden die ik (nog) niet kan aanwijzen gebeurt dit bij non-fictie sneller. En daarom neemt het mij ook sneller mee, naar waar dan ook.

Een reis onder het oppervlak (ondertitel)—als je het toelaat, jawel. Ik merkte dat ik zo nu en dan echt in mijn gedachten verzonken was, om daarna, net als Laing in haar werk, terug te keren naar de werkelijkheid en me weer met het tastbare bezig te houden: het boek. Ik bedacht bijvoorbeeld dat eigenlijk alles lijkt op een rivier (behalve de zee, maar de zee is het begin en/of het einde): wind is niet nat, maar is verder in veel aspecten net als water; bomen—wortels, takken. Vertakkingen. Als één stroom die langzaam ook andere kanten op beweegt. En, vanzelfsprekend, het leven van een mens. Want iedereen leeft, maar niet iedereen gaat eenzelfde kant op. Alles betekent evenveel. Er is geen niets. Het oppervlak bedriegt.

Dit is wat er gebeurt zodra je jezelf onderdompelt in dat waar je zelf deel van uitmaakt: natuur. Hoewel er zó veel is, en niets werkelijk overeen lijkt te komen, is alles op afstand opeens onafscheidelijk. Alles is belangrijk, of niets is belangrijk. Is het zo simpel?

Ik vind het mooi als een boek zo dichtbij komt. Het is natuurlijk altijd persoonlijk. Ik heb een volledig nieuwe wereld ontdekt, want dit is weer iets waarin ik niet alleen ben. Er zijn veel mensen die veel observeren, voelen, verbanden leggen, en dan ook nog de tijd nemen om daar over te schrijven. Ik wil meer lezen, het boek is te kort, maar een nieuwe lijst is al lang.

(Oh, slenterliteratuur? Misschien? slen·te·ren 1· langzaam en zonder doel wandelen.)


Vorige week was ik op Schiermonnikoog en stond ik naast het huis van veel oeverzwaluwen: een wand van zand waarin de zwaluwen tunnels en nesten maken (Linnaeus schreef: ‘Hij leeft in Europa, in winderige holen in hangende, zanderige heuvels’.) Ik mocht dicht in de buurt komen, ze waren aan het foerageren, ik zag baby-oeverzwaluwen in hun nest ongeduldig wachten op het terugkeren van vader, moeder, met insecten. Het was er druk, een ontelbaar aantal zwaluwen vloog boven me. Ze verdwenen niet. Zo nu en dan maakten ze een zwak geluid, een rond geluid, één toon, heel kort, maar verder bewogen ze zich geluidloos door de lucht. Ze vlogen boven me en ik kon niet anders dan denken aan de monarchvlinders die massaal pauzeren op bomen in Mexico en Canada tijdens hun migratie, en dan plots wegfladderen, wie weet waarom. Ongetwijfeld maakt dat wél geluid. De patronen die de oeverzwaluwen in de lucht tekenden deden me in ieder geval denken aan het wilde opslaan van de monarchvlinders.

Ik denk de laatste tijd veel na over natuur, houd me bezig met bomen, bloemen, planten, vogels, bijen. Omdat ik zoveel bezig ben met natuur (ik kijk iedere dag lang naar de witte wisteria die zich om een plank, gaas vouwt, werpt, ik weet het niet, het is net een sjaal), lees ik er ook graag over. Vanmorgen zat ik in de tuin naar een bij te kijken die opmerkte dat het kaasjeskruid nu bloeit. Ik kijk nu naar de bewegende schaduwen van het bladerdak, buiten, op het grote grasveld dat grenst aan een bescheiden, maar prettig bos (er staat vooral heel veel vlier, maar wie houdt er nu niet van vlier?). Het patroon van de schaduwen is prachtig, het golft als een zee. Zonnevlekken, in Tomas Tranströmers woorden.

Wellicht moet ik zelf over natuur gaan schrijven, meer dan ik tot nu toe heb gedaan. Ik bedoel, als je een boerenzwaluw, gierzwaluw en huiszwaluw van elkaar kunt onderscheiden, en weet dat de gierzwaluw stiekem geen familie is van die andere zwaluwen, dan heb je in ieder geval genoeg interesse om het te proberen. De kennis komt dan wel met het kijken, en de boeken.

Ik ga nu op zoek naar een klaproos. Ik heb al slaapmutsjes (familie van de veelvoorkomende rode bleke klaproos), vermoed ik, er is nog geen bloem of zelfs knop te vinden maar de eerste scheuten beloven slaapmutsjes. Het meest houd ik van wilde bloemen, en klimplanten, maar daarover wellicht later meer. Ik wil nu een klaproos vinden, voor de pracht, maar ook voor de zaadjes.


De ramen van mijn slaapkamer staan bijna altijd open, vooral in de zomer. Als het hard waait (dat is regelmatig het geval in de polder) en ik de deur van mijn kamer open, stormt het er even, kort maar krachtig.

Sinds een paar weken staat er in het mini-vaasje op mijn bureau een tak van het wilgenroosje. Als het wilgenroosje is uitgebloeid, produceert het z'n zaad zoals ook de paardenbloem dat doet: met veel pluis.

Dit is overigens een prachtig systeem: naast bloem en blad bevat de steel van het wilgenroosje extra steeltjes, het zijn net ranken, maar ze groeien niet, krullen niet. Dit steeltje is echter niet één, maar bestaat uit vier zeer dunne stelen die in elkaar geritst lijken te zijn. De dunne stelen laten elkaar op een gegeven moment los, het geheel knapt doordat de boel is uitgedroogd, en geeft z'n pluis en zaadjes aan de wind.

Laatst opende ik de deur van mijn slaapkamer, ook toen waaide het. Het zag plotseling wit van het pluis, het was alsof er witte, dunne sluiers door de kamer golfden. Twee tellen later was alles verdwenen. Mijn deur temde de storm, en het kleine zachte spul van het wilgenroosje had zich een nieuw, niet al te levensvatbaar plekje opgedrongen gekregen (waarvoor mijn excuses). #

maandag 20 maart 2017

mutable earth/ louise glück

Are you healed or do you only think you’re healed?

I told myself
from nothing
nothing could be taken away.

But can you love anyone yet?

When I feel safe, I can love.

But will you touch anyone?

I told myself
if I had nothing
the world couldn’t touch me.

In the bathtub, I examine my body.
We're supposed to do that.

And your face too?
Your face in the mirror?

I was vigilant: when I touched myself
I didn’t feel anything.

Were you safe then?

I was never safe, even when I was most hidden.
Even then I was waiting.

So you couldn’t protect yourself?

The absolute
erodes; the boundary, the wall
around the self erodes.
If I was waiting I had been
invaded by time.

But do you think you’re free?

I think I recognize the patterns of my nature.

But do you think you’re free?

I had nothing
and I was still changed.
Like a costume, my numbness
was taken away. Then
hunger was added.

Louise Glück, ‘Mutable Earth’, Vita Nova.

zondag 5 maart 2017

de jaren/ woolf

‘Waarom verbergen we alles wat van belang is, vroeg hij zich af.’

‘Het heeft geen zin, dacht North. Hij kan niet zeggen wat hij wil zeggen; hij durft het niet. Ze zijn allemaal bang; bang om uitgelachen te worden; bang om zich bloot te geven. (..) We zijn allemaal bang voor elkaar; bang waarvoor? Voor kritiek; voor de lach; voor mensen die anders denken... (..) Dat houdt ons gescheiden; angst, dacht hij.’

‘Er moet een ander leven zijn, dacht ze (..). Niet in dromen; maar hier en nu, in deze kamer onder levende mensen. Het voelde alsof ze met wapperende haren op de rand van een afgrond stond; ze stond op het punt zich aan iets vast te grijpen dat haar net ontglipte. Er moest een ander leven zijn, hier en nu, dacht ze opnieuw. Dit leven was te kort, te verbrokkeld. We weten niets, ook niet over onszelf. We beginnen nog maar net iets te begrijpen, dacht ze, hier en daar. Ze maakte een kom van haar handen in haar schoot (..). Ze hield haar handen in een kom; ze had het gevoel dat ze het huidige moment wilde omsluiten; het wilde laten voortduren; het voller en voller wilde laten lopen, met het verleden, het heden en de toekomst, totdat het blonk, volmaakt, helder, vol begrip.’

Virginia Woolf, De jaren (vert. Barbara de Lange; p. 417/ 429/ 430).

zaterdag 18 februari 2017

de uitvinder van de natuur

Ik heb heimwee naar groen. Zozeer dat ik momenteel allerlei kamerplanten aanschaf om de heimwee enigszins te temperen. Gistermiddag las ik De uitvinder van de natuur van Andrea Wulf uit. Het laatste deel, over John Muir en natuurbehoud, deed me beseffen dat mijn heimwee niet alleen bestaat uit een verlangen naar zomerbomen; ik ben ook boos. Boos omdat er niets veilig is als het geld oplevert, boos om wat er ondertussen allemaal al is verdwenen. Ik wil de wereld groener maken, ik ben van mening dat ik dat de wereld verschuldigd ben.


Alexander von Humboldt (1769-1859) was de eerste wetenschapper die de natuur als samenhangend geheel beschouwde, én grondlegger van de milieubeweging, schrijft Andrea Wulf:

‘Humboldt was de eerste die het cruciale belang van bossen voor eco-systeem en klimaat uiteenzette: bomen nemen water op en verrijken de atmosfeer met waterdamp, ze beschermen de bodem en zorgen voor een verkoelend effect. Hij sprak ook over de zuurstofproductie van bomen en de invloed daarvan op het klimaat. De effecten van menselijke inmenging waren nu al ‘onoverzienbaar’, betoogde hij, en zouden catastrofale vormen aannemen als we doorgingen de wereld zo ‘genadeloos’ te verstoren.’ (p. 86)

In het jaar 1800 schreef Humboldt al over het gevaar van menselijke inmenging. Dat is tweehonderdzeventien jaar geleden. Ik weet niet of ik me voor kan stellen hoe groen de wereld was toen Humboldt leefde, of ik me voor kan stellen hoezeer de wereld is veranderd door ontbossing en landbouw (/kolonialisme).


Humboldts boeken werden graag gelezen, niet alleen door wetenschappers: hij werd buitengewoon populair door wetenschappelijke informatie met natuurbeleving en -beschouwing te combineren. Dit nieuwe genre sprak ook ‘gewone’ mensen aan:

‘In Ansichten der Natur toonde Humboldt aan dat de natuur de menselijke verbeelding kon beïnvloeden. De natuur, zo schreef hij, stond in een geheimzinnig soort verbinding met ons ‘innerlijk leven’. (..) Wat wij tegenwoordig vanzelfsprekend vinden – namelijk dat er een verband bestaat tussen de externe wereld en onze gemoedstoestand – was voor Humboldts lezers een openbaring. Alleen dichters hadden zich tot dan toe met dat soort ideeën ingelaten; wetenschappers nooit.’ (p. 175)

Veel natuurboeken van nu (van schrijvers als Robert Macfarlane, Helen Macdonald, Annie Dillard en Amy Liptrot) zitten op eenzelfde manier in elkaar, hoewel ik nog geen hedendaagse schrijver ben tegengekomen die zoveel elementen met elkaar weet te verbinden als Humboldt deed in zijn Kosmos-boeken. Daarin schreef hij over oceanen, aardbevingen, meteorologie, geografie en astrologie; over organisch leven en ‘de ‘perpetuele wisselwerking’ tussen lucht, wind, zeestromen, hoogteligging en de plantendichtheid op het land.’ (p. 308) Niet voor niets bestaat de Kosmos-reeks uit vijf boeken. Het manuscript van het laatste deel leverde hij kort voor zijn dood in 1859 in bij zijn uitgever.

Humboldts ‘Naturgemälde’. De kaart (54 x 84 cm) hoorde bij Humboldts Ideen zu einer Geographie der Pflanzen (1807) 

Ansichten der Natur is altijd Humboldts persoonlijke favoriet gebleven. Het is naast een lyrisch natuurboek ook een filosofisch werk. Humboldt gebruikte in de regel de ‘Naturgemälde’ (een afbeelding van de vulkaan Chimborazo waarop met lijnen staat aangegeven welke vegetatie op welke hoogte te vinden is) om zijn theorie van de natuur als één groot web van leven te verduidelijken. Volgens Andrea Wulf slaagt Ansichten der Natur daar nog beter in door de vele poëtische beschrijvingen, en is het vanwege het beschouwende karakter bovendien een filosofisch werk.


Tijdens zijn leven inspireerde Humboldt onder andere Johann Wolfgang von Goethe, ze waren goed bevriend. Ook na Humboldts dood was hij voor velen een grote inspiratiebron: Ralph Waldo Emerson, Henry David Thoreau, Walt Whitman, en John Muir waren bijvoorbeeld grote bewonderaars van Humboldts natuurboeken. Wulf schrijft hierover:

‘De cirkel van Humboldts ideeën was rond. Humboldt had een aantal vooraanstaande denkers, wetenschappers en kunstenaars beïnvloed, en op hun beurt inspireerden die elkaar. Humboldt, [George Perkins] Marsh en Thoreau voorzagen samen in het intellectuele kader waarmee Muir de veranderende wereld om zich heen zag.’ (p. 403)

John Muir zag dat er in zijn geliefde Yosemite Valley steeds meer reuzensequoia's verdwenen en besloot zich actief in te zetten voor natuurbehoud. Door teksten als ‘The Treasure of the Yosemite’ te publiceren, waarmee hij een groot publiek wist te bereiken, heeft hij er mede voor gezorgd dat de Yosemite Valley in 1890 een nationaal park werd. Een aantal jaar later vocht hij tegen de bouw van een dam in de Hetch Hetchy Valley (de ‘tweede Yosemite’) door ‘het eerste geschil tussen de aanspraken van de natuur en de eisen van de cultuur – tussen natuurbehoud en vooruitgang’ (p. 409) in gang te zetten. De dam werd uiteindelijk wel degelijk gebouwd – Niets wat geld kan opleveren is veilig, al is het nog zo beschermd, concludeerde Muir – maar zijn poging was een belangrijk voorbeeld voor daaropvolgend activisme en later natuurbehoud.


De Amerikaanse senaat blijkt akkoord te zijn gegaan met de benoeming van Scott Pruitt als hoofd van het EPA (Environmental Protection Agency) (zie The Guardian). Het EPA bestaat om het milieu en de volksgezondheid te beschermen, maar Pruitt is openlijk een climate change skeptic en geen voorstander van het EPA:

‘Pruitt has sued the EPA, the agency he is now set to lead, multiple times over what he considers to be unwarranted meddling by the federal government. He has targeted regulations that limit air pollution haze in national parks, methane leaks from drilling, and mercury and arsenic seeping from power plants.’ (bron: The Guardian, 8 dec. 2016)

... niets wat geld kan opleveren is veilig, al is het nog zo beschermd. (De wereld moet groener, ik weet het zeker.)

zaterdag 4 februari 2017

the nature of things/ ali smith

In Public library and other stories van Ali Smith staat een verhaal over een vrouw die langzaam verandert in een rozenstruik. Allereerst zijn er ademhalingsproblemen, later verschijnen er vreemde plekken op het lichaam, ‘woody, dark browny greeny, sort of circular, ridged a bit like bark, about the size of a two pence piece.’ Smiths personage raakt er aan gehecht, heet ieder nieuw groeisel welkom. Een dokter raadt aan verschillende klinieken te bezoeken: ‘Oncology Ontology Dermatology Neurology Urology Etymology Impology Expology Infomology Mentholology Ornithology and Apology [..] Tautology [..]. He'll cut it straight out.’

herman de vries/ rosa canina (1994)

Als ze weer naar huis wandelt komt de vrouw (mensen hebben geen naam in dit verhaal) een gypsy tegen die lucky white heather verkoopt. Ze geeft al haar geld weg, in ruil voor een paar takjes witte heide. (Volgens Britse folklore groeit witte heide op het graf van een faerie, of op plekken waar tijdens veldslagen geen bloeit heeft gevloeid; het zou geluk brengen.) Bij wijze van afscheid zegt de gypsy haar:

‘may the road rise to meet you, may the wind always be at your back, may the sun shine warm upon your face, may the rains fall soft upon your fields, and until we meet again may absence make your heart grow, and I think that may well be a very nice specimen you’ve got there in your chest, if I’m not wrong, a young licitness.’ 

Ze verstond het niet goed, er werd haar eigenlijk verteld dat er ‘a Young Lycidas’ uit haar borst groeide; een Engelse roos.


Ik probeerde aan de hand van Ali Smiths Autumn een indruk te geven van Smiths schrijfkunsten maar het lukte me niet, ik bleef maar tegen een wanhoop opbotsen die met Trumps kwaadaardigheid te maken heeft. Ik schreef keer op keer iets nieuws in de hoop dat ik iets kon bewaren, een paar zinnen, maar er bleef niets over behalve Ali Smiths woorden. En dat is beter, ik ben er nooit goed in geweest in heldere taal te reageren op ‘current events’.

Omdat ik nog steeds niet weet wat voor schrijver ik zelf ben (als ik al een schrijver ben) overkomt me dit regelmatig: dat ik een bepaald onderwerp wil behandelen, en dat het me simpelweg niet lukt. Ik probeer nu al een half uur uit te leggen waarom dat zo is, terwijl ik, zoals ik al zei, begon met de intentie het over Smiths schrijfkunsten te hebben. Vandaar: schluß. 


Het verhaal dat ik hierboven beschrijf heet ‘The beholder’. Het is mogelijk dat de jonge vrouw depressief is, dat ze de realiteit uit het oog verliest, maar ik herken iets in haar neiging afstand te nemen van de wens te begrijpen wat er gebeurt, en haar intuïtieve overgave aan het groene in haar lijf (en het leven). Het is niet zozeer dat ze haar menselijkheid verliest, eerder dat ze erkent dat de mens niet alleen bestaat uit vlees en bloed.

Ali Smith schenkt veel aandacht aan het langzame leven, in ons lijf & om ons heen, en kan dat op een (voor mij) onweerstaanbare manier verwoorden;

‘I have never yet managed to see the moment of the petals of a bud unfurling. I might dedicate the rest of my life to it and might still never see it. No, not might, will: I will dedicate the rest of my life, in which I walk forward into this blossoming. When there's no blossom I will dead-head and wait. It'll be back. That's the nature of things.’

(Ik weet dat ik totaal geen aandacht schenk aan de metafoor; ik ben daar momenteel niet in geïnteresseerd. Ik denk liever na over de relatie mens/plant, droom over plantaardige eigenschappen (misschien ontdekt iemand ooit dat het menselijk lichaam wel degelijk bloemen kan maken); ik besteed mijn tijd 't liefst aan de trage beweging van stil en groen leven. In mijn lijf (/hoofd) & om ons heen.)

donderdag 2 februari 2017

autumn/ ali smith

‘(..) I’m tired of the news. I’m tired of the way it makes things spectacular that aren’t, and deals so simplistically with what’s truly appalling. I’m tired of the vitriol. I’m tired of the anger. I’m tired of the meanness. I’m tired of how we’re doing nothing to stop it. I’m tired of how we’re encouraging it. I’m tired of the violence there is and I’m tired of the violence that’s on its way, that’s coming, that hasn’t happened yet. I’m tired of liars. I’m tired of sanctified liars. I’m tired of how those liars have let this happen. I’m tired of having to wonder whether they did it out of stupidity or did it on purpose. I’m tired of lying governments. I’m tired of people not caring whether they’re being lied to any more. I’m tired of being made to feel this fearful. I’m tired of animosity. I’m tired of pusillanimosity.
      I don’t think that’s actually a word, Elisabeth says.
      I’m tired of not knowing the right words, her mother says.’ (p. 56-57)

‘Hope is exactly that, that’s all it is, a matter of how we deal with the negative acts towards human beings by other human beings in the world, remembering that they and we are all human, that nothing human is alien to us, the foul and the fair, and that most important of all we’re here for a mere blink of the eyes, that’s all. But in that Augenblick there’s either a benign wink or a willing blindness, and we have to know we’re equally capable of both, and to be ready to be above and beyond the foul even when we’re up to our eyes in in.’ (p. 190)

zondag 29 januari 2017

een troost/ poëzie

Mocht het helpen: we bestaan massaal niet. Kijk naar zomers
die nooit overgaan, roestvrijstalen keukenmessen, daarnaast
bewegen we getalenteerd, feilloos in het niet-bestaan.

Er is geen sprake van, dat valt eenvoudig aan te tonen.
Wij hebben A) geen tijd en B) geen materiaal.
We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

De duur hiervan is puur geluk. We zijn gemaakt, we
vielen te verwachten. In deze tuin, achter de ramen,
woekert de klimplant, pikken veren driftig
beestjes van een bast, zwelt het fruit.

En wij bestaan niet, kunnen bewijzen niet te bestaan.
De boom, de zee, de roos – elk woord dat past
loopt uit, hervormt zich mettertijd.
Wat groeit, groeit roekeloos.

Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

Ester Naomi Perquin, ‘Een troost’, uit Meervoudig afwezig

maandag 16 januari 2017


Het was zonnig, en de lucht blauw toen ik het dorp uit liep, zonet. Ik loop iedere dag een stukje, het dorp uit, de vlakke, wijde polder in. Het was helder maar zodra ik het dorp een eindje achter me had gelaten zag ik dat de wereld er anders uit zag: ongeveer twee kilometer ten oosten van mij (ik liep richting het noorden) miste ik ruimte; ik miste bomen, struiken, boerderijen, schuren. De gebouwen die ik wel zag hadden nu een andere kleur: wit. De wind kwam daar vandaan, wist ik dankzij de vele windmolens die deze polder nu rijk is, dus ik zou snel te maken krijgen met wat er aan de hand was. Dergelijke momenten laten mijn hart sneller kloppen. Ik, weer-detective, ik dacht eerst aan sneeuw, maar besefte al snel dat de bewolking daar te laag voor was. Bovendien liet deze bewolking bomen en boerderijen volledig verdwijnen, dat doen sneeuwwolken niet. Ondertussen werd de wereld almaar kleiner. Mist.

Ik voelde dat de wind in kracht toenam, en natter, kouder werd. De witte muur kwam vlot dichterbij. Ik was inmiddels omgekeerd en liep richting het licht, de zon was nog niet helemaal weggepoetst. Aan de andere kant van de weg, waar de wind en dus de mist vandaan kwam, begon het ineens te spoken. Het land, pas nog geploegd en dus donker, werd overspoeld door lage, lange slierten wolk. Het deed me aan water denken, aan grond die verdwijnt door een overvloed aan regen; aan stroompjes die voorzichtig een weg vinden en vervolgens veranderen in beekjes, in wilde rivieren.

In eerste instantie dacht ik dat de zon vocht uit de grond trok maar de slierten werden langzaam dikker en bewogen zich ook over de sloot, de berm, de weg; richting mij en het restje polder dat nog door de zon werd beschenen; richting het IJsselmeer. Ik herinnerde me ineens het waterlicht van Daan Roosegaarde dat ik in december 2015 bij Schokland zag. Bij dat project bootst Roosegaarde de bewegingen na van wat ooit de Zuiderzee was, met behulp van laserlicht en rookmachines. Dat licht werd echter hoog, boven het hoofd geprojecteerd, ten hoogte van waar het water was. De slierten mist die ik vanmiddag zag, golfden over de grond, met de wind mee, de kleur en het zonlicht van deze winterdag losten erin op.

waterlicht (© beeld uit filmpje)

Omdat de zon nog scheen was de beweging van de optrekkende mist heel goed te volgen. In natuurdocumentaires komen wel eens beelden voorbij van wolken die om en over bergen heen liggen. Soms wordt het beeld versneld weergegeven, dan lijkt het alsof wolken zelf een kern van leven bevatten, alsof ze weten welke weg ze moeten gaan om te komen waar ze zijn moeten (ik kan me voorstellen dat ook zij kunnen genieten van hun kunsten, weten waar hun werk het best tot hun recht komt). Die vlugge maar kordate beweging zag ik vandaag in de polder op de donkere grond van een onlangs geploegd stuk land. Het wist waar het naartoe moest.

Ik heb tien minuten met open mond staan kijken. Een heldere, zonnige, droge dag veranderde binnen een kwartier in een gesloten en grijze wereld, en het gebeurde om mij heen alsof het moest gebeuren, alsof er geen andere optie was. Het wist wat er moest gebeuren, het wist waar het naartoe moest. Ik weet niet wat ik met ‘het’ bedoel, maar ik vond het fijn dat ik diens beweging mocht zien.

maandag 9 januari 2017

de fragmentatie van het moderne leven

Uit De existentialisten. Filosoferen over vrijheid, zijn, en cocktails van Sarah Bakewell (p. 96 - 97):

‘De best opgeleide mensen namen de nazi's het minst serieus, omdat ze het optreden van Hitler en de zijnen zo absurd vonden. De meesten dachten niet dat hun succes lang zou duren.’

‘(..) journalist Sebastian Haffner, destijds rechtenstudent, gebruikte in zijn dagboek het woord unheimlich, en voegde eraan toe: “Alles vindt plaats onder een soort verdoving. Op objectief afschuwelijke gebeurtenissen volgt een zwakke, schamele emotionele reactie. Moorden worden gepleegd alsof het kwajongensstreken zijn. Zelfvernedering en moreel verval worden als onbeduidende incidenten geaccepteerd.” Haffner weet dat ten dele aan de moderniteit. De mensen waren het slachtoffer van routine en van de massamedia. Ze dachten niet meer na en onderbraken hun dagelijkse gang van zaken nooit lang genoeg om werkelijk te beseffen wat er aan de hand was.’

‘(..) Hannah Arendt schreef in haar studie The origins of totalitarianism dat totalitaire bewegingen ten dele zoveel succes hadden door de fragmentatie van het moderne leven, die mensen gevoeliger maakte voor de invloed van demagogen. Elders sprak ze over de ‘banaliteit van het kwaad’ om het extreme falen van het moreel bewustzijn te beschrijven. Die uitdrukking heeft veel kritiek opgeroepen, vooral omdat ze die woorden toepaste op een nazi als Adolf Eichmann, die de Holocaust had georganiseerd en veel meer op zijn geweten had dan een gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Maar Hannah Arendt hield vast aan haar analyse. Volgens haar tonen we een gebrek aan verbeeldingskracht en aandacht als we niet adequaat reageren wanneer de tijd daar om vraagt. Dat was net zo gevaarlijk als het opzettelijk begaan van wandaden. Het kwam neer op een ontkenning van het gebod dat ze in Marburg van Heidegger had geleerd: Denk!