maandag 16 mei 2016

het verbuigen van taal

Ik lees momenteel, naast Herta Müllers essays, Zout in de wond van Jurriaan Benschop. In Benschops boek kom ik toevallig toch Herta Müller tegen: het bevat veel stukken over kunstenaars uit Oost-Europa, en in een essay maakt hij een reis naar Roemenië – Herta Müllers vaderland.

Benschop kan niet anders dan haar te noemen, hij schrijft immers over de dictatuur onder Ceaușescu, over herinneringen van Roemenen aan de onderdrukking, over taal: Müller schreef hier weergaloze essays over. Benschop over Herta Müller (Zout in de wond, p. 144):

‘In het jargon van de dictatuur werd er destijds over rationalisering van de elektriciteit gesproken. Hoezo rationalisering? Het is een aspect van de dictatuur dat me fascineert: de wijze waarop de taal werd verbogen om de werkelijkheid naar de logica van de dictatuur te modelleren. Of om verwarring tussen realiteit en de fictie van de macht te zaaien. Woorden, in Roemenië, bleken weinig stabiele waarde te bezitten. En er is niemand die dat zo zorgvuldig heeft geobserveerd en beschreven als Herta Müller, de schrijver die in 2009 de Nobelprijs kreeg voor een oeuvre dat in vele toonaarden de Ceaușescu-jaren oproept. Ik ben haar vooral gaan lezen nadat ik was teruggekeerd uit Roemenië en de indrukken van diepte wilde voorzien. Of eigenlijk, om te weten te komen wat ik niet had kunnen zien, maar wat vagelijk wel was opgeroepen. Müllers stijl is hard en karig, op momenten messcherp en tegelijk ook hoogpoëtisch. Haar oog voor de onbetrouwbaarheid van de mens is groot, wat niet verwonderlijk is als je opgroeit in een dictatuur die mensen geen privéleven gunt en alle mensen die niet collaboreren het leven zuur maakt, onder wie haarzelf, destijds een jonge schrijver. Haar literaire taal mocht niet bestaan, die werd als hetze tegen de Sovjetunie en het regime beschouwd. Haar debuut Niederungen verscheen in Roemenië in 1982 in gecensureerde versie en twee jaar later in Duitsland ongecensureerd.

Duitsland is in zekere zin ook een vaderland van Müller, omdat ze opgroeide in een streek van Roemenië waar Duits werd gesproken. Pas later, in 1987, zou ze in Duitsland gaan wonen, toen ze het niet meer uithield in Roemenië. Ze had overigens vele gelegenheden om te vluchten voorbij laten gaan. De trouw aan haar land, aan haar miserabele omstandigheden is iets wat fascineert. Waarom zoveel loyaliteit aan misère? Dat heeft te maken met solidariteit met mensen die achterblijven en met een gevoel over waar je thuis hoort.

Müller vond zelf, als kind, in taal het gereedschap om een eigen werkelijkheid mee te creëren, die haar als het ware afschermde van de realiteit. De taal was onder censuur. Maar in het geheim, als ze alleen in het maisveld liep, kon ze spreken zoals ze wilde. De taal was hogelijk politiek en een vluchtweg naar meer vrijheid.’

Voorbeelden van ‘de wijze waarop de taal werd verbogen om de werkelijkheid naar de logica van de dictatuur te modelleren’ kwam ik in De koning buigt, de koning moordt al in overvloed tegen. Zo werd de engel voor in de kerstboom een eindejaarsvleugelfiguur, kreeg een vlaggetje de naam zwaai-element, ‘de Stasiafdeling die zich met feest- en sterfdagen van de bonzen bezighield’ werd afdeling vreugde en verdriet genoemd, en een doodskist heette in het DDR-Duits grondmeubel

Eerder schreef Müller dat zwaluwen in Roemenië rijzittertjes worden genoemd, en het gehemelte mondhemel. Poëzie. Hoewel ook grondmeubel een mooi woord is, is het verbuigen van taal in dit geval nooit een poging tot kunst, maar onderdrukking: bij vlaggetje zou het verkleinende ‘-tje’ beledigend zijn, een meubel biedt de illusie dat de dood niet het einde is, en eindejaarsvleugelfiguur werd bedacht om men vooral niet aan engelen te herinneren. Zo kan taal worden gebruikt (misbruikt) om de wereld (/de mens) kleiner te maken, en klein te houden. 

zondag 15 mei 2016

tweetalige lelies (herta müller #3)

‘In het dialect van mijn dorp werd gezegd: der Wind GEHT (de wind gaat). In het Hoogduits dat op school werd gesproken werd gezegd: der Wind WEHT (de wind waait). En ik als zevenjarige hoorde daar WEH (pijn) in en dacht dat de wind zich pijn deed. En in het Roemeens werd gezegd: vîntul bate, de wind SLAAT. Als je 'slaat' zei hoorde je meteen het geluid van de beweging, en dan deed de wind niet zichzelf maar anderen pijn. Even verschillend als het waaien is ook het ophouden van de wind. In het Duits is dat: der Wind hat sich GELEGT (de wind is gaat liggen) – dat is plat en horizontaal. Maar in het Roemeens is het: vîntul a stat, de wind is BLIJVEN STAAN. Dat is steil en verticaal. Het voorbeeld van de wind is maar een van de voortdurende veschuivingen die tussen talen bij één en hetzelfde feit plaatsvinden. Bijna elke zin is een andere blik. Het Roemeens keek net zo anders naar de wereld als zijn woorden anders waren. Ook anders opgenomen in het net van de grammatica.

Lelie, crin, is in het Roemeens mannelijk en in het Duits vrouwelijk. Natuurlijk kijkt de Duitse lelie je anders aan dan de Roemeense. In het Duits heb je met een leliedame, in het Roemeens met een heer te maken. Als je beide visies kent, verenigen ze zich in je hoofd. De vrouwelijke en de mannelijke blik zijn opengebroken, in de lelie dansen een vrouw en een man samen. Het voorwerp voert in zichzelf een klein spektakel op omdat het zichzelf niet meer zo goed kent. Wat wordt de lelie in twee gelijktijdig lopende talen? Een vrouwenneus in een mannengezicht, een groenachtig lang gehemelte of een witte handschoen of kraag. Ruikt de lelie naar komen en gaan of naar lang blijven? De afgesloten lelie van de twee talen is door de ontmoeting tussen twee meningen over de lelie in een raadselachtig, eindeloos gebeuren veranderd. Een lelie met een dubbele bodem is altijd onrustig in je hoofd en zegt dus voortdurend iets onverwachts over zichzelf en de wereld. Je ziet er meer in dan in de eentalige lelie.’

De koning buigt, de koning moordt, Herta Müller; p. 36.

vrijdag 13 mei 2016

zwijgend dwalen (herta müller #2)

‘Het criterium voor de kwaliteit van een tekst is voor mij altijd dit ene geweest: ontstaat er een zwijgend dwalen in je hoofd of niet.’

De koning buigt, de koning moordt, Herta Müller; p. 32.

zaterdag 7 mei 2016

dagelijkse handgrepen (herta müller)

‘Woorden begeleidden het werk alleen als verschillende mensen samen iets deden en de een op de handgreep* van de ander was aangewezen. Maar ook dan niet altijd. Zwaar werk als zakken dragen, spitten, hakken, met de zeis maaien was een leerschool van zwijgen. Het lichaam had het veel te zwaar om energie in praten te steken. Twintig, dertig mensen konden urenlang zwijgen. Soms dacht ik als ik ernaar keek: Ik kijk nu naar hoe het gaat als mensen het praten verleren. Als ze dit gezwoeg achter de rug hebben zullen ze alle woorden vergeten zijn.

Wat je doet hoeft niet in het woord verdubbeld te worden. Woorden vertragen de handgrepen*, ze staan het lichaam gewoon in de weg – dat kende ik. Maar het gebrek aan overeenstemming tussen buiten bij je handen en binnen in je hoofd, het besef: nu denk je iets wat je niet past en wat niemand van je verwacht, dat was iets anders. Dat gebeurde alleen als de angst opkwam. Ik was niet banger dan anderen, had alleen maar, waarschijnlijk net zoals zij, al die ongegronde redenen om bang te zijn – in mijn hoofd opgebouwde, verzonnen redenen. Maar die verzonnen angst is niet louter ingebeeld, hij is geldig als je er steeds last van hebt want hij is even werkelijk als de objectief gegronde angst. Je zou hem, juist omdat hij in je hoofd geconstrueerd is, ook hoofdloze angst kunnen noemen. Hoofdloos omdat hij geen precieze oorzaak en geen remedie kent. Emil M. Cioran zegt ergens dat de ogenblikken van ongegronde angst het bestaan het diepst raken. Het plotselinge zoeken naar zin, de nerveuze koorts, het huiveren van je gemoed bij de vraag: wat is mijn leven waard.’

[*‘De dingen heetten precies zo als ze waren en ze waren precies zo als ze heetten. Een overeenstemming voor altijd. Voor de meeste mensen bestonden er tussen woord en voorwerp geen kieren waar je doorheen moest kijken en in het niets moest staren, alsof je uit je huid gleed, de leegte in. De dagelijkse handgrepen ware instinctief, waren woordloos aangeleerd werk, het hoofd volgde de weg van de handgrepen niet en had ook niet zijn eigen afwijkende wegen.’]

De koning buigt, de koning moordt, Herta Müller; p. 22.