a summer book

Ik herlees Tove Janssons The Summer Book en ik probeerde iets te vinden om over te nemen, hier, maar het lukt niet — niet omdat het boek geen goede passages bevat, maar omdat de fragmenten zozeer met elkaar zijn verknoopt dat ik schade aanricht als ik zo'n knoop lospeuter.

En, tsja, ieder hoofdstuk lijkt op een schilderij (niet zo gek aangezien Jansson naast woordend ook beeldend kunstenaar was), en hoewel kleine details schitterend zijn wordt een doek niet in stukjes geknipt om die details in het middelpunt te plaatsen. (Dat is iets om over te treuren denk ik.)

*

Ik heb toch iets gevonden. Iets dat los kan bestaan van de rest. De grootmoeder in het boek rust uit en maakt voor een paar momenten gebruik van al haar zintuigen. Het heeft te maken met het waar: een eiland, zo'n plek die duidelijke grenzen heeft en een mens bijna dwingt toe te geven aan een bestaan dat ouder is. Misschien zelfs wijzer. Iets dat bestaat buiten het bestaan van mensen. Dat is waarom het op zichzelf kan staan, hoewel het vastgeknoopt zit aan de rest van de omstandigheden — een beeld in een beeld:

She turned on her side and put her arm over her head. Between the arm of her sweater, her hat, and the white reeds, she could see a triangle of sky, sea, and sand—quite a small triangle. There was a blade of grass in the sand beside her, and between its sawtoothed leaves it held a piece of seabird down. She carefully observed the construction of this piece of down—the taut white rib in the middle, surrounded by the down itself, which was pale brown and lighter than the air, and then darker and shiny toward the tip, which ended in a tiny but spirited curve. The down moved in a draft of air too slight for her to feel. She noted that the blade of grass and the down were at precisely the right distance for her eyes. She wondered if the down had caught on the grass now, in the spring, maybe during the night, or if it had been there all winter. She saw the conical depression in the sand at the foot of the blade of grass and the wisp of seaweed that had twined around the stem. Right next to it lay a piece of bark. If you looked at it for a long time it grew and became a very ancient mountain. The upper side had craters and excavations that looked like whirlpools. The scrap of bark was beautiful and dramatic. It rested above its shadow on a single point of contact, and the grains of sand were coarse, clean, almost gray in the morning light, and the sky was completely clear, as was the sea. (p22)


doodijsgaten

ik lees momenteel Josefine Klougarts boek Een van ons slaapt en het is schitterend. het lijkt een lang proza gedicht. Klougarts beschrijvingen van vleugjes leven (want kleine, verscholen, maar half bewuste gewaarwordingen; dat wat onbelangrijk lijkt maar een dag plotseling heel anders kan laten voelen) zijn kleine schetsen.

over sneeuw, op pagina 1:

‘Een vacht van kou, een diepe stem waar je je veilig bij kunt voelen. Het hele landschap; naakt onsentimenteel; het voelt hier als ik mis je, maar er is niemand om te missen.’

een pagina verderop, over het Deense plattelandschap:

‘Het landschap uit de ijstijd, de doodijsgaten, waar het ijs het landschap in verschillende posities dwong.’

maar ook doet/kan ze dit:

‘Het verlangen om gezien te worden, het verlangen om helemaal te verdwijnen in de blik van de ander.
     Maar dan blijkt dat toch niet te gebeuren. En misschien ben je zelfs teleurgesteld als je je realiseert dat je niet ophoudt in je eigen lichaam te leven, alleen omdat je wordt overgenomen door een ander lichaam, een andere blik, een paar bewegingen. Tevoorschijn geroepen worden in de blik van de ander in in zijn taal, jezelf daar tegenkomen als: iemand anders. Dat wat erop lijkt, en dat wat het is: en iets er tussenin wat zich toont. Op een andere plek. Meedogenloos.
(..)
     Ik kan niets met rust laten, en ondertussen is er de hele tijd dat angstige gevoel dat er ergens tussen de werkelijkheid en de creatie in iets ontstaat, iets wat niet zonder geschiedenis is, maar pasgeboren. En de wereld verandert, jij verandert als ik kijk. Zonder iets aan te raden, zonder handen.
     Wat dat betreft kun je me met natuurrampen vergelijken.’ (p35)

en:

‘Er is een handjevol beelden die me niet loslaten. Er is een hiërarchie van beelden, beelden, zowel van het lichaam als van de gedachten, van de gevoelens; ze dringen zich steeds weer aan me op. Je keert ernaar terug, steeds weer terug. Je wilt dichterbij komen. Af en toe gebeurt het toch, dan lukt het om op de een of andere manier toegang te krijgen. Een ogenblik: erbij te kunnen en ze te laten zien, ze terug te geven aan de wereld. Dan onthoud je ze misschien. Iedereen heeft zulke beelden, vier, vijf of zes. En het enige wat telt is dichterbij komen, daar schrijf je je een weg naartoe, daar schilder je voor, dat wat je graag wil zeggen en delen met andere ogen. Een andere blik. Je praat en je wijst, maar misschien is er niemand die wat ziet. Kijk, zeg je misschien. Hoe je dat beeld dan kunt doorgeven, het in de ander planten, in jou. Dat is de vraag. Of een mens het wel volhoudt om er in zijn eentje mee rond te lopen. Of ik het wel volhoud; ik heb behoefte aan een andere blik, een andere stem om het mee te delen, het is te zwaar, en ik schrijf in verwachting.’ (p48)

het zittende meisje

Uit María Gainza's Oogzenuw:

• Daar hangt het portret dat [Augusto] Schiavoni maakte, waarvan ik denk dat het het mijne is: het meisje op de stoel met de starre blik, de zondagse hoed, de vale lila jurk, de op de groei gekochte jas. Ze compenseert het weinige dat ze weet van het leven met attitude; met haar blik kan ze je in radioactieve neerslag veranderen en haar lippen zitten zo potdicht dat er als ze ze opendeed het geluid van klittenband te horen zou zijn. Maar ze heeft het gevoel dat ze vanbinnen zacht als boter is en ze doet bovenmenselijke inspanningen om haar driften in te tomen. Tijdens een wandeling langs een meer bracht haar moeder haar ooit de regels van de etiquette bij: ‘In het bijzijn van anderen moet je je beheersen. Kijk hoe sereen en sierlijk die eenden door het water glijden, terwijl ze onder water trappelen als bezetenen.’ 's Nachts bespreekt ze heel ernstig met zichzelf of mensen nou slecht zíjn of slecht worden. Soms is zij degene die driftig wordt. Als ze het onder woorden moet brengen, zegt ze dat het lijkt alsof een adder langs haar been omhoogkruipt. De eerste keer dat ze die adder voelde was op het plein. Ze zat op het gras te spelen met een vriendinnetje, toen ze ineens een vuistgrote steen van de grond raapte en zei: ‘Vangen.’ Ze gooide hem in haar gezicht. De steen liet een kleine, diepe snee achter in haar kin. Verstijfd bleef ze zitten, kijkend naar het donkere bloed dat op haar vriendins witte Flecha-gympen drupte. (..) Ze begrijpt nog steeds niet waarom ze het deed, maar sindsdien denkt ze dat er iets mis is met haar, een fabrieksfout, een kwaadaardig gen van moederszijde. ‘Sommige meisjes worden intrinsiek goed geboren. Ik niet,’ zei de heilige Laura de Nazianzi. 

(p. 152-153)

La niña sentada (1929), Augusto Schiavoni (1893-1942) (source)

*

een aantal jaar geleden kwam ik mijzelf op een dergelijke manier tegen: het zelfportret van Charlotte Salomon lijkt sprekend op mij, vind ik. het staat op de cover van David Foenkinos' boek Charlotte. het verhaal van Charlotte Salomon is te tragisch, ik kan niets met de gelijkenis. maar het bestaat.

marie howe's affliction

The Affliction
Marie Howe


When I walked across a room I saw myself walking
as if I were someone else,

when I picked up a fork, when I pulled off a dress,
as if I were in a movie.

                                    It’s what I thought you saw when you looked at me.


So when I looked at you, I didn’t see you
I saw the me I thought you saw, as if I were someone else.


I called that outside—watching. Well I didn’t call it anything
when it happened all the time.


But one morning after I stopped the pills—standing in the kitchen
for one second I was inside looking out.


Then I popped back outside. And saw myself looking.
Would it happen again? It did, a few days later.


My friend Wendy was pulling on her winter coat, standing by the kitchen door
and suddenly I was inside and I saw her.
I looked out from my own eyes
and I saw: her eyes: blue gray    transparent
and inside them: Wendy herself!


Then I was outside again,


and Wendy was saying, Bye-bye, see you soon,
as if Nothing Had Happened.
She hadn’t noticed. She hadn’t known that I’d Been There
for Maybe 40 Seconds,
and that then I was Gone.


She hadn’t noticed that I Hadn’t Been There for Months,
years, the entire time she’d known me.


I needn’t have been embarrassed to have been there for those seconds;
she had not Noticed The Difference.


This happened on and off for weeks,


and then I was looking at my old friend John:
: suddenly I was in: and I saw him,

and he: (and this was almost unbearable)
he saw me see him,
and I saw him see me.


He said something like, You’re going to be ok now,
or, It’s been difficult hasn’t it,


but what he said mattered only a little.
We met—in our mutual gaze—in between
a third place I’d not yet been.

i don't get angry, i get sad

‘For years, I described myself as someone who wasn’t prone to anger. “I don’t get angry,” I said. “I get sad.” I believed this inclination was mainly about my personality — that sadness was a more natural emotion for me than anger, that I was somehow built this way. It’s easy to misunderstand the self as private, when it’s rarely private at all: It’s always a public artifact, never fixed, perpetually sculpted by social forces. In truth, I was proud to describe myself in terms of sadness rather than anger. Why? Sadness seemed more refined and also more selfless — as if you were holding the pain inside yourself, rather than making someone else deal with its blunt-force trauma.

But a few years ago, I started to get a knot in my gut at the canned cadences of my own refrain: I don’t get angry. I get sad. At the shrillest moments of our own self-declarations — I am X, I am not Y — we often hear in that tinny register another truth, lurking expectantly, and begin to realize there are things about ourselves we don’t yet know. By which I mean that at a certain point, I started to suspect I was angrier than I thought.’

(..)

For a long time, I was drawn to “sad lady” icons: the scribes and bards of loneliness and melancholy. As a certain kind of slightly morbid, slightly depressive, slightly self-intoxicated, deeply predictable, pre-emptively apologetic literary fan-girl, I loved Sylvia Plath. I was obsessed with her own obsession with her own blood (“What a thrill ... that red plush”) and drawn to her suffering silhouette: a woman abandoned by her cheating husband and ensnared by the gendered double standards of domesticity. I attached myself to the mantra of her autobiographical avatar Esther Greenwood, who lies in a bathtub in “The Bell Jar,” bleeding during a rehearsal of a suicide attempt, and later stands at a funeral listening “to the old brag of my heart. I am, I am, I am.” Her attachment to pain — her own and others’ — was also a declaration of identity. I wanted to get it tattooed on my arm.

(..)

It took me years to understand how deeply I had misunderstood these women. I’d missed the rage that fueled Plath’s poetry like a ferocious gasoline, lifting her speakers (sometimes literally) into flight: “Now she is flying/More terrible than she ever was, red/Scar in the sky, red comet/Over the engine that killed her — the mausoleum, the wax house.” The speaker becomes a scar — this irrefutable evidence of her own pain — but this scar, in turn, becomes a comet: terrible and determined, soaring triumphant over the instruments of her own supposed destruction. I’d always been preoccupied with the pained disintegration of Plath’s speakers, but once I started looking, I saw the comet trails of their angry resurrections everywhere, delivering their unapologetic fantasies of retribution: “Out of the ash/I rise with my red hair/And I eat men like air.”’

uit Leslie Jamisons I Used to Insist I Didn't Get Angry. Not Anymore.

een weinig rebelse ode aan een rebelse dode

Om de tweehonderdste verjaardag van de Amerikaanse natuurfilosoof Henry David Thoreau (1817-1862) te vieren, verscheen eind vorig jaar Natuur als misverstand. Het boek is bedoeld als introductie, maar het is ook een ode aan Thoreaus gedachtegoed. Aan de hand van zijn ideeën worden enkele vragen over ‘natuur’ gesteld: wat is het, hoe moeten we het beschermen en waarom doen we dat?

Natuur als misverstand is vooral interessant vanwege de eigenzinnige essays van Jelle Reumer en Johan van de Gronden. De teksten bewijzen dat er te veel vanuit economisch belang wordt gedacht over natuurbehoud- en bescherming. Bovendien stellen de auteurs boeiende vragen. Reumer stelt in zijn essay Domesticatie van de wildernis bijvoorbeeld voor dat we moeten kijken naar de grenzen die natuurgebieden beschermen. Iets of iemand bedreigt de grond die door de scheidingslijnen wordt beschermd; wat gebeurt er aan de andere kant van die lijn? Wie wil die natuur vernietigen, en waarom?

Onvervangbaar
Het komt er op neer dat Nederland langzaam in een groot industriegebied verandert. Boerderijen zijn de nieuwe fabrieken. Het land is volledig gedomesticeerd, iedere vierkante meter heeft een bestemming, heeft nut. En wat is het nut van grond waar niets op geproduceerd wordt? Het levert geen geld op, is dat niet zonde? Reumer schrijft (terecht): ‘Alleen wanneer natuur de bestemming is, vindt men het ‘zonde’.’ Het feit dat natuurbescherming nodig is, dat grond eerder aan de landbouw dan aan de natuur gegund wordt, is een groot probleem. De natuur moet beschermd worden omdat wij mensen het bedreigen.

Thoreau zag dit al gebeuren. Als fervent wandelaar merkte hij op dat er met de jaren minder mogelijkheden voor zwerftochten zouden overblijven omdat er steeds meer hekken werden geplaatst: grond werd plotseling eigendom, privé of van de staat. Johan van de Gronden schrijft in zijn essay over dit probleem. Een zwerftocht zou een symbool moeten kunnen zijn voor het leven zelf. Als er niet langer verdwaald kan worden, wat betekent dat voor ons (dagelijks) bestaan? Thoreau was van mening dat er iets onvervangbaars verloren zou gaan; er is ruimte nodig om aan de maatschappij te kunnen (en mogen) ontsnappen.

Lef en lucht
Andere teksten in Natuur als misverstand zijn minder geslaagd. Een poging Jac. P. Thijsse (grondlegger van Natuurmonumenten) uit de vergetelheid te trekken door op overeenkomsten tussen hem en Thoreau te wijzen maakt alleen maar nieuwsgieriger naar de Amerikaan. Een wandeling met ecoloog Harm Piek voegt weinig tot niets toe omdat de uitwerking van het gesprek slechts een herhaling is van reeds behandelde feiten en ideeën.

Het is daarom maar de vraag of deze uitgave er in zal slagen om Thoreau nieuwe lezers te bezorgen. Liefhebbers van natuurboeken zullen al bekend zijn met de Amerikaan, en het genre is al een niche. Daar komt bij dat de teksten – met de genoemde essays van Reumer en van de Gronden als uitzondering; zij stellen de ongemakkelijke vragen – nogal braaf zijn. De wetenschappelijke achtergrond van de meeste schrijvers zit wellicht in de weg: alle teksten hebben een nette inleiding en conclusie, en zijn vooral informatief van aard. Er zit weinig lef en lucht in. De rebelse geest van Thoreau waart in slechts twee essays rond. Wat ook irriteert is dat vrijwel iedere bijdrage dezelfde passages uit het werk van Thoreau aanhaalt. Daardoor lijkt het alsof de inhoud van de verschillende stukken niet op elkaar is afgestemd; het is geen geheel.

Het voelt als een gemiste kans. Juist nu het zo belangrijk is om langer stil te staan bij het belang van natuur, en de ruimte die we de natuur gunnen, zou een boek met Natuur als misverstand als titel en Henry David Thoreau als onderwerp over dat grote misverstand mogen gaan. Dat zou ongetwijfeld een interessantere introductie op het werk en leven van Henry David Thoreau hebben opgeleverd.

the most fragile relationship in the world

‘The two sides of a secret are repression and expression, just as the two sides of the poem are the told and the untold. We must be careful not to take the word as the meaning itself; words do not “capture” a moment as much as they “communicate” it—they are a bridge that, paradoxically, breaks isolation and loneliness without eradicating it. It is the first experience you ever had of reading a decent poem: “Oh, somebody else is lonely, too!”

It is the most fragile relationship in the world.’

Mary Ruefle, ‘On Secrets’, Madness, Rack, and Honey. Collected lectures

//