258

(..)
It's me, isn't that right? I'm what I knew. Acts came from me—this me?
I did not do those things; I only watched, watched myself act, react.
Emotion isn't really what I felt. Reasoning was quaintly
of use like a superficial tool. Living, one is so detached.
(..)


 Alice Notley, ‘Voices’, uit Certain Magical Acts

ports of refuge

Ms. [Krista] Tippett: [..] You speak of Tomas Tranströmer, Swedish poet who’s one of your “ports of refuge.” [..] you said something.. I'm always interested in how people describe what poetry works in us and of him you said the poems remember us and if we are perfectly still, give us a chance to catch sight of ourselves. Can you say a little bit about him — just, this person?

Mr. [Teju] Cole: I’m going to go back to a word I used earlier, which is how much help we need. We sometimes think of culture as something we go out there and consume. And this especially happens around clever people, smart people — “Have you read this? Did you check out that review? Do you know this poet? What about this other poet?” Blah blah blah. And we have these checkmarks — “I read 50 books last year” — and everybody wants to be smart and keep up. I find that I’m less and less interested in that, and more and more interested in what can help me and what can jolt me awake. Very often, what can jolt me awake is stuff that is written not for noonday but for the middle of the night. And that has to do with — again, with the concentration of energies in it.

Tomas Tranströmer, the Swedish poet, who died — can’t remember; maybe 2013 he died. He seemed to have unusual access to this membrane between this world and some other world that, as Paul Éluard said, is also in this one. Tranströmer, in his poetry, keeps slipping into that space.

In any case, I just found his work precisely the kind of thing I wanted to read in the silence of the middle of the night and feel myself escaping my body in a way that I become pure spirit, in a way. I remember when he won the Nobel Prize, which was in 2011. We live in an age of opinion, and people always have opinions, especially about things they know nothing about. So people who were hearing about Tranströmer for the first time that morning were very grandly opining that his collected works come to maybe 250 pages, that how could he possibly get the Nobel Prize for that slender body of work? — which, of course, was missing the fact that each of these pages was a searing of the consciousness that was only achieved at by great struggle. I think the best thing to compare him to is the great Japanese poets of haiku, like Kobayashi or Basho.

On Being met Teju Cole: Sitting Together in the Dark

poëzie/ layli long soldier

“WHEREAS I heard a noise I thought was a sneeze. At the breakfast table pushing eggs around my plate I wondered if he liked my cooking, thought about what to talk about. He pinched his fingers to the bridge of his nose, squeezed his eyes. He wiped. I often say he was a terrible drinker when I was a child I’m not afraid to say it because he’s different now: sober, attentive, showered, eating. But in my childhood when things were different I rolled onto my side, my hands together as if to pray, locked between my knees. When things were different I lay there for long hours, my face to the wall, blank. My eyes left me, my soldiers, my two scouts to the unseen. And because language is the immaterial I never could speak about the missing so perhaps I cried for the invisible, what I could not see, doubly. What is it to wish for the absence of nothing? There at the breakfast table as an adult, wondering what to talk about if he liked my cooking, pushing the invisible to the plate’s edge I looked up to see he hadn’t sneezed, he was crying. I’d never heard him cry, didn’t recognize the symptoms. I turned to him when I heard him say I’m sorry I wasn’t there sorry for many things / like that / curative voicing / an opened bundle / or medicine / or birthday wishing / my hand to his shoulder / it’s okay I said it’s over now I meant it / because of our faces blankly / because of a lifelong stare down / because of centuries in sorry;”

; Layli Long Soldier, Whereas.

op dit moment zoek ik het koekje

losse notities regarding Annie Dillards Pelgrim langs Tinker Creek:

//


er is dat welbekende dilemma: maakt een vallende boom geluid in een verlaten bos? Annie Dillard houdt zich vooral bezig met een variatie daarvan: Stel dat ik omval in een bos, zou een boom dat dan horen? (p111)

dat is een vraag over bezieling.
(en misschien een half antwoord op die oude vraag; waarom gaan wij mensen er van uit dat er oren nodig zijn om te kunnen horen?)

ik las dit boek al eens maar het viel me toen niet op hoeveel duisternis en licht er in zit; aarde en hemel. een interessant evenwicht: verspilling en overdaad, volgens Dillard, is waar het leven uit bestaat. & verspilling plus overdaad = schoonheid.

*

ik ben vooral onder de indruk van de laatste twee hoofdstukken, denk ik: ik heb het boek dit keer zo traag gelezen dat de betovering van de eerste hoofdstukken al wat was weggeëbd toen ik ‘Noordwaarts’ & ‘De wateren der reiniging las’ – zowel die van de schrijver als die van mij. de eerste hoofdstukken, vol licht en wonder, maken plaats voor chaos en dood. net zo boeiend maar ingewikkelder boeiend. het licht en wonder keren later in het boek weer terug.

de laatste twee hoofdstukken zijn vragend, dolend. oneidigheid en overvloed, overdaad en verspilling, hebben geleid tot een groot respect voor de nietigheid van haar (/ons) wezenlijke bestaan, en de schoonheid van die nietigheid.

Ik leef tussen gemoedsrust en beroering. Soms droom ik. Ik vind Alice vooral interessant nadat ze het koekje dat haar klein maakt heeft gegeten. Ik zou bereid zijn mezelf te snoeien of te laten snoeien om ook door het kleinste kiertje te kunnen, een bres in de hemel waarvan ik weet dat die er is. Op dit moment zoek ik het koekje. (p311)

(klein willen zijn zodat er meer zichtbaar wordt/ zodat dat wat zichtbaar is groter wordt/ zodat de kieren zichtbaar worden? in een moment (willen) zitten. de bres: vingerafdruk van de maker; bewijs dat er een andere kant is.)


tijdens een moment waarop de nietigheid haar misschien bijna te veel wordt, ze het liefst wortel zou schieten om de verbinding die ze voelt materieel te maken; dwarrelt er voor haar ogen plotseling een esdoornvrucht naar beneden.

zo een kleine gebeurtenis wekt de indruk dat de natuur, de wereld, het universum, wat dan ook; dat het even aan jouw mouw trekt.

: enkele jaren geleden viel er tijdens een windstilte heel voorzichtig een donsveertje naar beneden, vlak bij het raam waar ik achter zat.
ik zag het.
waarom herinner ik het me nu nog? ik zag het.
getuige zijn van zoiets kleins voelt kwetsbaar, en als een voorrecht. terwijl, wat gebeurt er nu eigenlijk? een klein wezen verloor een wit wolkje dons en ik zag toevallig hoe het de laatste meters naar beneden aflegde.

wát betovert?
het idee getuige te zijn van een moment die door anderen niet is opgemerkt? of; dat de wereld heel even van mij was? misschien gaat het om verbinding.
misschien is het zien betekenis. schoonheid. misschien is schoonheid wat ons met de wereld verbindt. schoonheid is de verbinding. of: wat de geest met de wereld verbindt.

Dillard schrijft ook over die vallende boom in het verlaten bos:

De oplossing van dat dilemma is, denk ik, dat er daden van schoonheid en gratie bestaan ongeacht of we die bewust oproepen of ervaren. Het minste wat we kunnen doen is erbij proberen te zijn. (p17)

(het moment is waar het om gaat.)

esdoornvrucht.


//

ik las dit boek al eens (lees hier mijn vorige bespreking), in het Engels; merkte toen al op dat ik het eens zal moeten lezen, & ik denk daar nog altijd zo over; dat ik het ongetwijfeld nog eens moet lezen. er zit heel, heel veel in dit boek.

poëzie/ ruth lasters

BERICHT

Als je kan drinken uit papieren bekers – iedereen weet toch
dat ze bestaan. Als je je dorst kan lessen met iets afkomstig van

een boom die zelf water dronk
toast dan met mij op het niet-erg van dat dit zich niet verderzet

na ons, dat niemand ooit een droge mond verdrijft met iets
gemaakt uit ons. Het enige echte erge aan je eigen ontbreken is het er

niet over berichten kunnen zoals de beuk of berk
over het gerooide bos bericht in mij bij elke slok. Daarom zeg ik je al

van hieruit, nu: Lief, zet papieren bekers met iets warms gevuld
neer waar ik ooit rust en stoot ze, stoot ze

maaiend als de kale olmen, zwiepend als de kromme iepen
om.

poëzie/ ester naomi perquin

uit Namens de ander:


ONDERZOEK

Wilt u rusten overdag en 's nachts een man gelukkig maken?
Voelt u zich neerslachtig bij het idee van lavendel?
Heeft u wel eens een hotel bedacht?

Haal door: ik ben geen vrouw / ik ben een domme vrouw.
Ik heb in de afgelopen jaren minimaal zes keer
spijt gehad. Aan mijn vingertoppen kleeft
bij voorkeur: bladgoud, verf, tomatensap.

U past in een koffer. Als u niet in een koffer past
hoe zou u uzelf dan omschrijven? Hoe lang
heeft u last van overgewicht? Hoe vaak?

Als u van een brug springt zult u toch proberen:
A) uzelf aan te wijzen op een kaart
B) steeds verder weg te drijven
C) halverwege om te keren

Stel, uw ziekte is een dier. Bij gezondheid telt de vraag
voor twee. Welk dier is uw ziekte bij voorkeur niet?
Let op: de slechte dagen dienen meegeteld.

Bent u banger voor de uitslag dan voorheen?
Schrijf op wie volgens u de vragen stelt.

the most secret hours of a life

‘“It is very difficult to talk about an artist,” said poet Octavio Paz about Cy Twombly, “always we are talking about another way of trying to understand a secret.” The secret life of making, I think he means, is not just the color as it moves from brush or hand to surface, but how an idea travels across the surfaces of a mind. The secret life of hours spent looking. These most secret hours of a life.’

Joshua Rivkin, Chalk. The Art and Erasure of Cy Twombly

//

abonneer

Blogarchief