honger

ik vind het lastig om over Roxane Gay's Honger te schrijven. ik ben blij dat het boek bestaat maar ik vind het eigenlijk niet zo goed.

Roxane Gay maakte op heel jonge leeftijd iets mee dat haar leven heeft gebroken. volledig. ze is nu dik omdat haar geest het trauma destijds niet kon dragen. daar is met de jaren verandering in gekomen maar omdat Gay in haar jeugd niet om hulp durfde te vragen moest ze een andere manier vinden om te overleven. ze bedacht dat ze veiliger zou zijn als haar lichaam minder aantrekkelijk zou zijn voor het mannelijk oog, en dus begon ze te eten. het bracht haar ook troost: voor even. en dus was het nooit genoeg.

ik zei dat ik het boek niet heel goed vind maar dat is niet helemaal waar. Gay beschrijft bijvoorbeeld hoe haar familie op haar steeds groter wordende lijf reageert en dat zijn pijnlijke verhalen: mensen maken zich alleen zorgen om haar lichaam: om dat wat ze zien veranderen: om dat wat ze zien. Gay bracht veel tijd door op kostscholen en als ze dan thuis kwam tijdens vakanties bracht haar verschijning zonder uitzondering een schokreactie teweeg. zomervakanties moest ze doorbrengen op afslankkampen. iedereen probeerde haar aldoor tips te geven. probeert haar nog altijd tips te geven. alsof ze daar om smeekt. alsof ze zelf niet weet hoeveel ruimte haar lijf inneemt. alsof ze zelf nooit heeft nagedacht over haar voeding of beweging of, alles; alsof ze achterlijk is. Gay geeft keer op keer aan: mensen met (veel) overgewicht worden behandeld alsof ze niet in de gaten hebben dat ze niet aan de norm voldoen, en alsof ze niet volledig mens zijn ómdat ze niet aan die norm voldoen.

de norm being (voor vrouwen): slank, mooi, wit, heteroseksueel, stil, klein.
onzichtbaar, onopvallend.

Honger zit vol trauma; de gevolgen van een moment of een paar momenten voor de rest van een leven. op goodreads zijn onuitstaanbare reacties te lezen: mensen zeuren over Gay's obsessie voor lijven, sportende lijven, gezonde lijven. wederom denkt men dat Gay er niets van begrijpt maar zij zijn het die iets niet begrijpen: dat Gay met meer worstelt dat zij weten. good for them, maar het is een misverstand dat mij dwars zit. & het illustreert het probleem dat ik heb met dit boek: dat Gay de thema's waar ze omheen beweegt eigenlijk weinig tot niet uitdiept. dat is enigszins ironisch aangezien ze vanwege haar omvang regelmatig wordt behandeld als een geesteloos, levenloos object: iets dat zich niets aantrekt van de 'regels' en dus ook niet volgens de 'regels' benaderd hoeft te worden. Gay is meer dan haar lichaam, en haar trauma is meer dan alleen haar lijf, toch voelt het alsof ze vooral heeft geschreven over haar zichtbare leven, haar zichtbare problemen. het voelt alsof ze zichzelf uitlegt; verantwoording aflegt. misschien is ze nog niet in staat op een andere manier over haar leven te schrijven; misschien is dat nooit haar bedoeling geweest. trauma is ingewikkeld, en ongetwijfeld moeilijk te verwoorden, maar ik heb het gevoel dat er te veel onbeschreven blijft. ik heb het niet over details. ik heb het over de innerlijke kronkels en grotten die door trauma worden gevormd. denk ik. ik weet het niet. ik dacht dat Roxane Gay een meer beschouwende schrijver was; dat viel tegen.

(desondanks ben ik, zoals ik al zei, blij dat het boek bestaat.)

(als boeken me tegenvallen bekruipt me vaak het gevoel dat ik er niets van heb begrepen.
wie weet.
toch is dit wat ik van dit boek vind.)

wat te doen met het oude


wat te doen met het oude
dat zo lustig meestinkt in het nieuwe
het oude virus bemant al flink de nieuwe kleppen

hoe herken je het oude
met zijn racisme en slijm
zijn onveranderlijke bezittelijke voornaamwoord
wat is de verleden tijd van het woord haat
wat is het symptoom van ontmenselijkt bloed
van pijn die geen taal wilde worden
van pijn die geen taal kón worden

wat moet je met het oude
hoe word je jezelf tussen anderen
hoe word je heel
hoe word je vrijgemaakt in begrip
hoe maak je goed
hoe snijd je schoon
hoe ver kan de tong overhellen naar tederheid
of de wang raken aan verzoening

een punt
een lijn die zegt: van hier af aan
van dit moment af
gaat het anders klinken
want al onze woorden liggen naast elkaar op de tafel
bibberend van mensenkleur
nu kennen we elkaar
elkaars hoofdhuid en elkaars geur elkaars bloed
we kennen de diepste geluiden die
onze nieren maken in de nacht
langzaam worden wij elkaar
opnieuw
nieuw
en híer begint het




; een fragment uit ‘Land van genade en verdriet’ (/ de bundel Kleur komt nooit alleen, maar ook opgenomen in Waar ik jou word) van Antjie Krog (vertaald door Robert Dorsman).

moederschap/ sheila heti

in Moederschap stelt Sheila Heti's hoofdpersoon, ook schrijver, zichzelf keer op keer de vraag of ze moeder wil, of moet, worden. omdat ze snel veertig zal worden. omdat al haar vrienden plotseling kinderen krijgen, of willen krijgen. omdat ze het gevoel heeft dat ze dat moet weten.

soms weet ze zeker dat ze een kind wil. vaker weet ze zeker dat ze gelukkiger zal zijn zonder.
(maar hoe weet je dat. hoe kun je dat weten.)

omdat ze niets zeker weet heeft Heti's schrijver er moeite mee argumenten van anderen te negeren. het bewandelen van een onzichtbaar pad, waar wat er het meest toe doet nauwelijks zichtbaar is (p108), bevalt haar maar tegelijkertijd heeft ze het gevoel dat ze zichzelf moet kunnen uitleggen. het boek staat dan ook vol met vragen over wie ze zal zijn als ze geen moeder zal worden. wat doet een vrouw met haar leven als ze geen moeder hoeft te zijn? en, Hoe kan ik de afwezigheid van die ervaring uitdrukken zonder het gemis centraal te stellen? Kan ik zeggen waar zo'n leven een ervaring van is zonder het in verband te brengen met het moederschap? Kan ik zeggen wat het is in positieve zin? (p172)

het gevoel zelf een vraag te zijn & het idee hebben elders het antwoord te moeten vinden.
alsof ze niet het recht heeft om over haar eigen leven te beschikken.

*

Moederschap gaat ook over de moeder en grootmoeder van de protagonist. dit boek is misschien zelfs wel een liefdesbrief; een manier om zorg en verantwoordelijkheid te dragen voor het leed waar deze vrouwen mee hebben moeten leven; een manier om verlossing te zoeken. er zit een bepaald verdriet in het bestaan van de schrijver waar ze de vinger niet op kan leggen. ze weet soms niet waarom ze huilt. wel weet ze waar haar grootmoeder vandaan komt: uit het Europa dat zoveel joden heeft gedood. veel familieleden van haar grootouders (van haarzelf) werden door nazi's om het leven gebracht.

het komt er op neer dat ik me voorstel dat het om familieverdriet gaat.

de intentie dat leed in iets anders te transformeren wordt als volgt beschreven:

Dit wordt een boek om toekomstige tranen te voorkomen, om te voorkomen dat ik en mijn moeder ooit nog huilen. Het zal pas een succes zijn als mijn moeder het leest en voorgoed stopt met huilen. Ik weet dat het niet de taak van een kind is som zijn moeder te laten ophouden met huilen, maar ik ben geen kind meer. Ik ben schrijver. De verandering die ik heb doorgemaakt, van kind tot schrijver, geeft me zekere krachten, waarmee ik wil zeggen dat magische krachten niet ver buiten mijn bereik liggen. Als ik als schrijver goed genoeg ben, zal ik misschien kunnen voorkomen dat ze nog huilt. Misschien kom ik er wel achter waarom ze huilt, en waarom ook ik soms huil, en kan ik ons allebei met mijn woorden genezen.

~

Is aandacht hetzelfde als ziel? Als ik aandacht schenk aan mijn moeders droefheid, verleent die dan een ziel? Als ik aandacht schenk aan haar verdriet – als ik het in woorden vang, het transformeer, er iets nieuws van maak – kan ik dan zijn als de alchemisten, en lood in goud veranderen? Als ik dit boek verkoop, krijg ik er goud voor terug. Dat is een soort alchemie. De filosofen wilden donkere materie in goud veranderen, en ik wil mijn moeders verdriet in goud veranderen. Als het goud binnenrolt zal ik naar mijn moeders deur gaan, het aan haar geven en zeggen: Hier is je verdriet, veranderd in goud. (p28)

*

beide elementen – het familieverdriet, het moederschapdilemma – spelen een grote rol in het leven van de schrijver omdat de neus richting het verleden wijst: de pijn van de holocaust, de rol van de vrouw in familie en maatschappij. alle vragen en angsten en twijfels lijken een (vaak onbewuste) reactie te zijn op de (familie)geschiedenis. de relatie met dat verleden probeert de schrijver voorzichtig te verbreken; niet op een boze manier maar door uit te vogelen waar het plaats heeft genomen in het werktuig van haar denken en handelen.

ofzo.

misschien stel ik me aan maar ik denk dat we nog geen idee hebben van hoe pijn overleeft: van hoe tijd pijn meeneemt: & ik stel me voor dat Moederschap daar deels over gaat. de schrijver neemt het leed van haar moeder in handen geeft er al haar aandacht aan. Hier is je verdriet, veranderd in goud.

wabi sabi



de laatste pagina van mijn wabi-sabi for artists, designers, poets & philosophers van leonard koren 〰

i did not know intuition and repugnance counted

At eighteen I had no proper understanding of the ways that constituted encroachment. I had a feeling for them, an intuition, a sense of repugnance for some situations and some people, but I did not know intuition and repugnance counted, did not know I had a right not to like, not to have to put up with, anybody and everybody coming near. Best I could manage in those days was to hope the person concerned would hurry up and say whatever it was he or she thought they were being friendly or obliging by saying, then for them to go away; or else to go away myself, politely and quickly, the very moment I could.

Anna Burns, Milkman

miljoenen toetsen van tedere liefde

Marcel Proust over muziek/ Swanns reactie op een regel uit een sonate van de (fictieve) componist Vinteuil:

‘(..) sinds, ruim een jaar geleden, de liefde voor de muziek, die hem veel van zijn eigen zielerijkdom had leren kennen, vooreerst althans in zijn leven was gekomen, zag Swann muzikale motieven als werkelijke ideeën, uit een andere wereld, van een andere orde, ideeën versluierd in duisternis, onbekend, ondoorgrondelijk voor het verstand, maar die daarom niet minder volstrekt verscheiden zijn van elkaar, onderling van ongelijke waarde en betekenis.’

‘Hij wist dat zelfs de herinnering aan de piano het vlak waarop hij alle muziek zag nog vertekende, dat het voor de musicus openliggende veld niet een pover klavier met zeven noten is, maar een onmeetbaar klavier, nog vrijwel geheel en al onbekend, waarvan maar hier en daar, van elkaar gescheiden door een dicht, onbezocht duister, enkele van de miljoenen toetsen van tedere liefde, hartstocht, levensmoed, sereniteit, waar het uit bestaat, elk even verschillend van de andere als het ene universum van een ander universum, ontdekt zijn door enkele grote kunstenaars die ons de dienst bewijzen, door de pendant van het thema dat zij hebben gevonden in ons wakker te roepen, dat zij ons laten zie wat een rijkdom, wat een verscheidenheid zonder dat wij het weten dat grote ondoorgronde, ontmoedigende donker van onze ziel die wij aanzien voor een leegte en voor een niets in zich bergt.’

‘Swann geloofde dus niet ten onrechte dat de frase van de sonate werkelijk bestond. Weliswaar menselijk in zoverre, behoorde het zinnetje toch tot een orde van bovenaardse schepselen die wij nooit hebben gezien, maar die wij desondanks vol verrukking herkennen wanneer enige onderzoeker van het onzichtbare er een weet te vangen en mee te brengen uit de goddelijke wereld waar hij toegang toe heeft, om voor even boven de onze te schitteren. Dat was wat Vinteuil had gedaan met het zinnetje. Swann voelde dat de componist ermee had volstaan het met zijn muziekinstrumenten te onthullen, zichtbaar te maken, de lijn ervan te volgen en te eerbiedigen met een zo liefdevolle, zo omzichtige, zo zachte en zo vaste hand dat de klank ieder ogenblik anders werd, vervagend om een schaduw aan te geven, verlevendigd wanneer hij langs het spoort een gewaagdere contour moest volgen.’

Marcel Proust, De Kant van Swann (p. 445-447/ vert. Thérèse Cornips en Anneke Brassinga, 2009)

hoe lees ik?

de lessen letterkunde op school vond ik afschuwelijk. ik begreep nooit waarom juist en alleen dat ene antwoord goed was. mijn gedachten dwaalden altijd andere kanten op dan de kant die het antwoord vertegenwoordigde. ik heb wel eens een cursus literatuurwetenschap gevolgd en ook dat vond ik ongelooflijk saai. het voelde alsof er op een technische manier werd gesproken over iets dat ik lief heb. ik vind het nog steeds stomvervelend om na te denken over perspectief en.. de rest. ik ben geen technisch denker. ik haakte af omdat het niet gaat over de poëzie van de literatuur, over het beleven van het kunstwerk.

(waar geef ik dan wel om?
schrijvers die het niet weten, die het ook niet weten.
ik heb altijd gezocht naar antwoorden in boeken/literatuur. niet omdat ik antwoorden verwacht (niet meer) maar omdat ik meer wil weten over wat ik wil weten.
hoe werkt mijn nieuwsgierigheid? en waar beweegt het naartoe?

het zijn vragen waar ik eigenlijk geen antwoord op wil maar ik verbeeld me dat de vragen me zullen helpen.)

ik las Lidewijde Paris' boeken over haar leeswijze omdat ik meer wilde weten over hoe ik lees. kort antwoord: niet zoals zij leest. de manier waarop zij analyseert interesseert mij weinig. haar boeken zijn ook eigenlijk niet voor mij bedoeld dus neem mijn op- en aanmerkingen vooral niet te serieus. Paris schrijft:

Dit boek en mijn vorige [Hoe lees ik?] zijn er voor wie dit mysterie [van de fictie] niet zelf kennen maar van anderen weten dat het bestaat, of die het mysterie wel kennen maar niet weten wat ze ermee moeten, of die gewoon nieuwsgierig zijn naar hoe een ander hoofd — om te beginnen het mijne — het mysterie probeert te vangen. Wat volgens Eudora Welty onmogelijk is. Het zij zo. Ik wil mensen graag laten delen in het geluk dat ik tijdens het lezen beleef, in de rijkdom van taal en de ongelooflijke genialiteit van schrijvers. Dit is mijn manier, maar iedereen kiest zijn pad.

dit fragment komt uit een van de laatste hoofdstukken uit Paris' tweede boek, Hoe lees ik korte verhalen? en eerlijk gezegd vond ik het daar pas interessant worden. Paris schrijft (kort; te kort) over het mysterie van fictie, en haalt Flannery O'Connor aan. O'Connor (beroemd schrijver van eigenaardige verhalen) was van mening dat een verhaal alleen als verhaal kan bestaan. anders gezegd: dat wat er met het verhaal gezegd wordt niet op een andere manier gezegd kan worden. ik lees wat er niet letterlijk staat maar wat opgeroepen wordt door wat er wel staat. door een verhaal te analyseren haal je het werk uit elkaar (aldus O'Connor) en verdwijnt het mysterie met iedere steek die losgehaald wordt. ook Eudora Welty was van mening dat dat mysterie niet te vangen is: je [kunt] het mysterie niet op een goedkope manier eenvoudigweg [..] benoemen, je moet het laten zien in hoe dingen in het leven gebeuren. Het mysterie van natuur, omgeving, en mensen en alles wat zich daartussen afspeelt, wordt dan als het ware gevangen.

ik denk dat ze gelijk hebben. wat weten mensen überhaupt van het leven? door te analyseren zoals Paris analyseert lijkt het alsof schrijvers met moraal spelen: alsof ze iets te zeggen hebben over hoe te leven. i can't help but think dat dat juist het tegenovergestelde is van wat kunst wil en/of probeert.

Paris gelooft, vermoed ik, niet dat een verhaal door analyseren kapot kan; Het zij zo, schrijft ze. Dit is mijn pad, schrijft ze. ja. ik ben een veel naïevere lezer, of misschien moet ik het intuïtief noemen. ik wil wel weten waarom ik iets mooi vind maar die informatie haal ik nooit uit perspectief of motief of thema. bovendien vind ik een beetje niet-weten heel aantrekkelijk (hoewel ik het tegelijkertijd ook heel irritant vind). ik rommel wat aan, denk ik. een oordeel is altijd persoonlijk, in veel gevallen maakt het niet uit of iets technisch goed is. bovendien kan een boek dat heel ‘goed’ is alsnog saai zijn. om allerlei redenen. dat geeft Paris overigens zelf ook toe in het begin van Hoe lees ik? maar ze komt er niet op terug, en dat vind ik jammer wat ik lees graag mensen die aanrommelen.

(is het veelzeggend dat Paris symboliek vermoeiend vindt?)

*

omdat ik een andere opvatting heb dan Paris ergerde ik me regelmatig aan wat ze schreef. een voorbeeld. ‘Brandhout’ van Ninni Holmqvist gaat over een vrouw, Berit, die na de dood van haar vader alleen overblijft in een boerderij op het Zweedse platteland. het is een droevig verhaal maar als ik aan die boerderij denk kan ik me niet voorstellen dat het niet een plek is waar die vrouw, nu ze alleen is, eindelijk kan ademhalen. Paris vraagt de lezer van haar boek: zal deze vrouw haar leven veranderen? dat betekent niet dat Paris vindt dat Berit haar leven moet veranderen, niet per sé, maar als Paris antwoord geeft op haar eigen vraag (zo zit haar boek over korte verhalen in elkaar: eerst stelt ze vragen waar de lezer aan kan denken bij het lezen van een verhaal, om vervolgens zelf antwoord te geven: een idee van de wijze waarop zij leest/denkt) is voor haar toch het belangrijkste dat Berit dat huis verlaat. enkele signalen, volgens Paris: een ‘moment van ontsnapping’ dat voorbijgaat: het wolkendek sluit zit, de zon verdwijnt weer; Berit stapt de drempel van het huis weer over, ze betreedt het huis. ok, i get it (er zijn er meer manieren om die fragmenten te interpreteren, maar soit). maar dan beweert Paris dat ze niets weet over Berits innerlijke leven, terwijl Berits omstandigheden toch voldoende zeggen over de keuzes die ze heeft gemaakt (of uitgesteld), en die keuzes over hoe ze zich waarschijnlijk heeft gevoeld. Holmqvist schetst wel degelijk een beeld van Berits leven: Holmqvists hoofdpersoon wordt al sinds haar jeugd gekleineerd omdat ze geen symmetrisch gezicht heeft, en later ook omdat ze niet leefde zoals anderen leven; zoals haar broer die liever in de stad woont, kinderen heeft (een tweeling: perfect symmetry), etcetera; het leven zoals veel mensen het leven. evenals Berits broer denkt Paris dat Berit niet gelukkig kan/zal zijn als ze (alleen) op die boerderij blijft wonen. maar Berit denkt aan gras en bloemperken.
een a-symmetrisch leven.

maar misschien komt het toch nog goed, stelt Paris aan het einde van haar bespreking: het verhaal heeft immers een open einde.

tsja.
al die antwoorden. misschien hindert mijn naïviteit me hier maar ik vind Paris' ideeën weinig interessant: ze zijn me te klein.

*

(mocht iemand interesse hebben in mijn exemplaren van deze boeken van Lidewijde Paris, laat dat dan even weten. in ruil voor verzendkosten stuur ik ze je toe. reageer hier beneden of stuur me een mailtje.)

i don't know why, she said

een aantal van de mooiste pagina's in Rachel CuskKudos vertellen over een zwarte kerk.

het is misschien handig om eerst te vermelden dat Kudos, net als Outline (Nederlands: Contouren) en Transit (de eerste twee delen van deze trilogie) een hoofdpersoon heeft die zelf weinig aanwezig is: Faye vertelt, maar wat ze vertelt is wat anderen háár hebben verteld. ze luistert, spreekt nauwelijks. ze houdt mensen net zo lang aan de praat tot er een (soms natuurlijk) einde wordt bereikt. Faye is de ontvanger. ik weet niet of ze dat erg vindt. er zit iets in haar luisteren dan veel geduld heeft en anderen misschien zelfs aanmoedigt: stuk voor stuk worden haar verhalen verteld die interessant, droevig, grappig zijn. misschien is het idee dat Faye straks met dat verhaal naar huis vliegt aantrekkelijk.

Faye reist in Kudos door Europa om haar nieuwe boek onder de aandacht te brengen. ze wandelt met haar uitgever Paola door de straten van een hete stad (waarschijnlijk Lissabon) als Paola beweert dat Europa stervende is; and because every separate part is being replaced as it does it becomes harder and harder to tell what is fake and what is real, so that we might not realize until the whole thing has gone. (p211)

en dan bedenkt Paola dat ze Faye iets wil laten zien: de zwarte kerk. Paola vertelt:

Some fifty years before, she said, the church had been ravaged one night by a terrible fire, whose intensity was such that the very stones had lifted and the leading of the windows melted away, and two of the firefighters had lost their lives putting it out. But instead of restoring the church, the decision was made simply to repair the structural aspects of the building, which continued to be used as a regular place of worship, despite the disturbing extremity of its appearance and the violent events to which that appearance testified.
    ‘Inside it is completely black,’ she said, ‘and the walls and ceiling are warped like the inside of a cave where the layers of stone have expanded, and the fire, even while it devoured whatever paintings and statues had been there, left everywhere a patina of its own in which one believes one can glimpse ghostly images. Everywhere there are these strange half-shapes like melted wax and then in other places sheared areas where the stonework was split into two by the heat, and empty plinths and alcoves where things are missing, and the texture of the whole thing is so densely affected that it is almost no longer manmade, as if the trauma of the fire had turned it into a natural form. I don't know why,’ she said, ‘but I find the sight of it extremely moving. The fact that it has been allowed to continue in its true state,’ she said, ‘when everything else around it has been replaced and cleaned up, has a meaning that I am not quite able to understand or articulate, and yet people continue to go there and act as if everything is normal. At first I thought that someone had made a terrible mistake,’ she said, ‘in letting it stay like that, as if they thought no one would notice what had happened, and when I saw people inside praying or hearing mass I thought it was indeed possible that somehow they hadn't realised. And this seemed so awful that I wanted to scream at everyone there and force them to look at the black walls and the emptiness. But then I noticed,’ she said, ‘that in certain places where statues had obviously been, new lights had been installed which illuminated the empty spaces. These lights,’ she said, ‘had the strange effect of making you see more in the empty space than you would have seen had it been filled with a statue. And so I knew,’ she said, ‘that this spectacle was not the result of some monstrous neglect or misunderstanding but was the work of an artist.’ (p211-213)

(als ze bij de kerk arriveren blijkt het te zijn gesloten.)

dus, verwoesting kan iets z'n natuurlijke vorm geven. en dat iets mag blijven bestaan zoals het geworden is. verwoesting of geweld of trauma hoeft niet onzichtbaar te zijn, uit het zicht genomen, of vernieuwd te worden.
of uitgelegd te worden.

Paola sprak eerder al over zichzelf. Paola en die kerk: binnenstebuiten.

inside it is completely black, she said
i don't know why, she said
the fact that it has been allowed to continue it its true state, she said
i wanted to scream at everyone there and force them to look at the black walls and the emptiness
but then i noticed, she said,

new lights
making you see more in the empty space

[/zomer]


soms hoor ik de wind komen.

als ik naar de maan kijk moet ik mezelf eraan herinneren dat ik naar een hemellichaam kijk; iets dat zich heel ver weg van mij door dezelfde ruimte beweegt. die onvoorstelbare ruimte; ik begrijp het niet.

het ruikt naar stro, buiten.
dromerige, zachte zomermiddagen. alles dat groen was is nu goudgeel door de droogte. het maakt de wereld wazig, verkruimelt grenzen, zoals technicolor films die zich in zomers italië afspelen.
de gierzwaluwen zijn weg. boerenzwaluwen hebben zich plotseling vermenigvuldigd, kletsend en pruttelend schieten ze boven mijn hoofd door de lucht.
zien vogels de lijnen van de wind?

er lag een dode mus op het fietspad. hij zag er uit als nieuw.

in de wind klinkt een hartslag. vlug. het levert inspanning.

de zachte zuchten wind laten de bomen ruisen. het klinkt zilver.
het zilvergoude licht van vanmorgen is nu glanzend zachtgeel, alsof er boter over de wereld is gesmeerd.

grijze haren. mijn grijze haren.

de ingang van het bos ziet er spookachtig uit; door de diepe schaduwen, door de harde wind, doordat het pad linksaf buigt en direct uit zicht verdwijnt.

er vallen vlokken witte verf, losgeregend van het plastic dak boven de uitbouw. het stroomt met het hemelwater naar beneden of waait in mijn gezicht als de zon het heeft laten drogen en het als veertjes met windvlagen meereist.

de plataanbomen in het dorp laten schors los door de droogte.
mijn voeten zijn koud.
langs de kant van de weg een hoopje egel.

de weg is een spiegel, verdwijnt tussen het gras van bermen, is nu een rivier.
de wereld druipt. er kan weer adem worden gehaald.
linten kou glippen via het open raam naar binnen. er hangt een blauwe zomerstormlucht boven het ijsselmeer.

ik ben er bijna zeker van dat boerenzwaluwen de wind kunnen zien.
het is nacht. ik maak me zorgen om mijn jonge echinacea-planten.

hoe ziet het geluid van de noordzee eruit?

de wereld is blauw, de avond kalm, de zon een gloeilamp; het licht eromheen als glas.
overal luchtballonnen.
de zon ging bijna onder maar iemand had een strook papier voor de zon geplakt. zo veel ruimte. het licht kwam boven de strook uit, en kwam er onderdoor, maar het oog zelf bleef verborgen.
de zomer is op.

het regent terwijl de zon schijnt; de wereld rijgt een kralengordijn van de recht naar beneden vallende druppels.

niets is zo eenzaam als het lezen van poëzie.
kieviten verzamelen zich.
wat is het tegenovergestelde van “verlaten”?

een gillende slijptol, en een trekker die stationair draaiend ergens op wacht. dertig minuten later staat het daar nog steeds te brommen. de zomer is voorbij en men denkt weer aan vooruitgang.

mars ziet rood in het zuid-zuidoosten van de avondhemel.
we vliegen.

ik zwom in de noordzee. ik bewoog mee.
duizelig op het land.
zoutkorrels op mijn lijf.
hij at friet met een rood vorkje.

*


zó spinnen goden de levensdraad van de rampzalige mensen:
dat ze lijden terwijl de goden zelf zorgeloos leven.

ilias, homeros (vert. imme dros)

kassandra/ christa wolf

Uit Kassandra van Christa Wolf (vert. Tinke Davids/ Van Gennep Amsterdam 1986/ met een nawoord van Margret Brügmann):

Spreken met mijn stem: het uiterste. Meer, iets anders, heb ik niet gewild. (p6)

Wie zal, en wanneer, de taal terugvinden. (p10)

Alles wat ze moeten weten zal zich voor hun ogen afspelen, en ze zullen niets zien. Zo is het nu eenmaal.
Nu kan ik gebruiken wat ik mijn leven lang geoefend heb: mijn gevoelens overwinnen door denken. (p. 10)

Ook zelfverwijt voorkomt dat de belangrijke vragen geformuleerd worden. (p10) 

Wat was er aan de hand. Waar woonde ik eigenlijk. Hoeveel werkelijkheden waren er in Troia nog naast de mijne, die ik toch had aangezien als de enige. Wie bepaalde de grenzen tussen het zichtbare en het onzichtbare. (p22)


(Ja, weinig vraagtekens. Ik vond de afwezigheid van die vraagtekens prettig; betwijfelt een zin die eindigt met een vraagteken vooral zichzelf?
Maar het volgende passage bevat wel een vraagteken. Wat betekent dat.)


Wat ik levend noem? Wat noem ik levend. Het moeilijkste niet schuwen, verandering brengen in het beeld dat je van jezelf hebt. (p23)

Er zijn geheimen die een mens verteren, en andere die hem sterker maken. (p32)

Veel later heb ik begrepen dat de manier waarop een mens tegenover zijn pijn staat meer verraadt over zijn toekomst dan de meeste andere voortekenen die ik ken. (p33)

Wie leeft zal zien. De gedachte komt bij me op dat ik in het geheim de geschiedenis van mijn angst zoek. Of juister gezegd: de geschiedenis van haar ontbreideling, of nog nauwkeuriger: van haar bevrijding. Ja, echt, angst kan bevrijd worden, en daarbij blijkt dat ze met alles en allen die onderdrukt zijn samenhangt. (p37)

Waarom worden verlangens die op vergissingen berusten altijd oppermachtig in ons? (p39)

Ik wist nog niet dat gevoelloosheid nooit vooruitgang betekent, en nauwelijks hulp biedt. Hoe lang heeft het niet geduurd voordat mijn gevoelens weer de lege zieleruimte binnenvloeiden. Mijn wedergeboorte gaf me niet alleen het heden terug, wat men leven noemt, ook het verleden werd voor mij opnieuw ontsloten (..). (p53)

Wie leeft is niet verloren. (p75)

Als een kind slaapt, zo zegt men, vliegt zijn ziel, een fraaie vogel, naar de zilveren olijf, en dan langzaam naar de ondergaande zon. Ziel, fraaie vogel. Soms licht als de aanraking van een veer, soms krachtig en pijnlijk voelde ik hoe ze zich in mijn borst bewoog. (p80)

Een ring, de buitenste die mij omsloten had, barstte open, viel neer, vele andere bleven. Het was een adem scheppen, een versoepelen van de gewrichten, een opbloeien van het vlees. (p90)

Ik heb een angst-geheugen. Een gevoelsgeheugen. (p107)

Wat niet zichtbaar, ruikbaar, hoorbaar, tastbaar is, bestaat niet. Het is het andere dat ze tussen hun scherpe distincties vermalen, het derde dat volgens hen helemaal niet bestaat, het glimlachend levende dat in staat is steeds weer zichzelf te reproduceren, het ongescheidene, geest in het leven, leven in de geest. (p108)

Het naamloze kwetsbare dat de mens tot mens maakt. (p115)

Ik geloof dat wij ons wezen niet kennen. Dat ik niet alles weet. Dus misschien komen er in de toekomst mensen die hun overwinning weten om te zetten in leven. (p118)

Tegen een tijd die om helden vraagt kunnen wij niets beginnen (..). (p139)

mowing/ ada limón

The man across the street is mowing 40 acres on a small lawn mower.
It’s so small, it must take him days, so I imagine that he likes it. He
must. He goes around each tree carefully. He has 10,000 trees; it’s
a tree farm, so there are so many trees. One circle here. One circle
there. My dog and I’ve been watching. The light’s escaping the sky,
and there’s this place I like to stand, it’s before the rise, so I’m invis-
ible. I’m standing there, and I’ve got the dog, and the man is mow-
ing in his circles. So many circles. There are no birds or anything, or
none that I can see. I imagine what it must be like to stay hidden,
disappear in the dusky nothing and stay still in the night. It’s not
sadness, though it may sound like it. I’m thinking about people
and trees and how I wish I could be silent more, be more tree than
anything else, less clumsy and loud, less crow, more cool white pine,
and how it’s hard not to always want something else, not just to let
the savage grass grow.

Ada Limón, ‘Mowing’, uit de bundel Bright Dead Things. 

(Op de website Poets&Writers staat meer poëzie van Limón uit dezelfde bundel, en leest ze ook voor: Bright Dead Things by Ada Limón.)

het nestje van de schuldige

Ik lees momenteel Leslie Jamisons Ontwenning en kwam het volgende tegen:

In haar eerste boek, The New Jim Crow, een verhaal over massa-opsluiting, legt juriste Michelle Alexander uit dat veel van die vooroordelen een veel groter verhaal vertellen over ‘wie als wegwerpartikel wordt beschouwd – iemand die uit de samenleving moet worden verwijderd – en wie niet.’ Het zijn geen incidentele tegenstellingen [..] maar gevolgen van onze behoefte om de een te demoniseren, zogenaamd om de ander te beschermen. (vert. Gerda Baardman en Bart Gravendaal/ Hollands Diep 2018)

Ik moest aan Club Mars van Rachel Kushner (vert. Lidwien Biekmann en Maaike Bijnsdorp/ Atlas Contact 2018) denken. Kushners hoofdpersoon Romy Hall is zo'n ‘wegwerpartikel’. Ze werkte als stripper, was een alleenstaande moeder, en blut, toen ze de man die haar niet met rust wilde laten de hersenen insloeg. Het feit dat de man haar stalkte werd niet belangrijk genoeg gevonden om vermeld te worden tijdens haar rechtszaak; ze werd veroordeeld tot tweemaal levenslang plus zes jaar.

Niet iedereen wordt in even gelukkige omstandigheden geboren, en mensen die met dergelijke omstandigheden moeten leven worden wel eens met argusogen bekeken, alsof ze hebben gekozen voor een leven dat niet overeenkomt met wat over het algemeen van een mens verwacht wordt. En omdat die keuze onbegrijpelijk is (want wat is belangrijker dan succes en aanzien en geld en macht) doen we net alsof die mensen minder echt zijn; alsof hun verhalen en ideeën en verlangens er minder toe doen.

nan goldins ‘amanda in the mirror, berlin, 1992’ op de kaft van club mars

Romy Hall is een van de velen; in Club Mars, in het dagelijks leven (Kushner heeft veel research gedaan, vertelde ze bij Bookworm). De maatschappij heeft deze mensen de rug toe gekeerd: ze worden afgewezen omdat ze dat nest waar ze zich in gewerkt hebben blijkbaar eerst zorgvuldig in elkaar hebben gefrutseld; iedereen is immers de architect van z’n eigen leven, en dus ook moreel verantwoordelijk voor alles dat daar plaatsvindt.

Begrijp me niet verkeerd: veel personages in Rachel Kushners boek, inclusief Romy Hall, hebben zware misdaden gepleegd, maar ‘de details van trauma en armoede waarin de misdrijven zelf lagen ingebed’ (p284) verdienen misschien wel net zo veel aandacht als de daad zelf. Een uitzichtloze straf als tweemaal levenslang plus zes jaar is excessief als je je bedenkt dat Romy Hall handelde uit zelfverdediging.

onze behoefte om de een te demoniseren, zogenaamd om de ander te beschermen; de huidige oplossing is mensen die onacceptabel gedragen vertonen uit te bannen. (Alsof zij die niet op het rechte pad lopen gebruik maken van een macht die ons angst aanjaagt, en ons vredige bestaan bedreigt.) Uitzichtloze straffen te geven. Uit de maatschappij te verwijderen. (Alsof verslaving, armoede besmettelijk is.) Dus: gedraag je, doe wat wij doen, dan mag je blijven. En anders doe je niet langer mee.

*

Rachel Kushner laat in Club Mars meer stemmen klinken dan alleen die van Romy Hall. Zo krijgt bijvoorbeeld ook de man die Romy stalkte krijgt ergens aan het eind van het boek ruimte om te praten. Al die stemmen maakten me duizelig, en brachten me aan het twijfelen, maar die veelvuldigheid aan belevingen zorgt er wel voor dat er meer zichtbaar wordt: de waarheid van een verhaal én de andere kant van dat verhaal: ook waarheid.

Niemand is onschuldig, en iedereen is onschuldig. Dus, wat betekent het om iemand schuldig te achten, en wat betekent het om schuldig te zijn?

*

dit is een stugge bespreking maar ik krijg het niet losser. het boek maakt me zo boos dat ik alleen maar kan razen.

natuurlijk gaat Club Mars over meer dan alleen het onrecht dat mensen wordt aangedaan, alleen maar omdat ze recht niet kunnen betalen; het gaat ook over andere dingen (die toch nog altijd tot ellende leiden. sorry, maar het spijt me niet: het is onze eigen schuld): seksisme en racisme en gender, en over waarheid en vrijheid. mensen als Romy Hall worden weggegumd maar er zijn ook mensen als Henry David Thoreau, en Ted Kaczynski: zij die de maatschappij niet accepteren en verdwijnen uit vrije wil; bedenken hoe die maatschappij te veranderen maar dat niet voor elkaar krijgen. omdat geweld niet het antwoord is, en omdat de meeste mensen toch kiezen voor de weg van de minste weerstand.

het is geen ellendig boek, ik beloof het. maar je wordt er wel boos van.

een lied van geesten

Het lied van de geesten (een curieus lelijke vertaling van de oorspronkelijke titel Sing, Unburied, Sing) van Jesmyn Ward (vert. Harm Damsma en Niek Miedema/ Atlas Contact 2018) gaat over mensen en doden en geesten, en over onze relatie met tijd en ruimte. Dat lijkt vanzelfsprekend want hoe kan een verhaal daar niets mee te maken hebben, etcetera --

maar dit is wat mij opviel: het verhaal gaat over een jongen die geconfronteerd wordt met iemand die er niet is of slechts overblijfselen zijn van die iemand, die er wel ooit (helemaal) was. Die iemand speelde een rol in het verhaal van zijn grootvader. De moeder van de jongen verloor op jonge leeftijd haar broer, hij werd vermoord door een racist. Een familielid van de moordenaar is de vader van de jongen. De broer van de moeder is dus dood maar ook hij is niet helemaal weg. Of, hij is er plots weer, wederom zo’n overblijfsel.

Die overblijfselen spelen de grootste rol in dit boek: gebeurtenissen blijven niet in de tijd hangen. Gebeurtenissen blijven plakken. Een man krijgt een zoon en een dochter; de zoon sterft maar de dochter niet. De dochter krijgt een zoon en een dochter; de zoon krijgt te maken met overblijfselen zoals zijn moeder te maken krijgt met overblijfselen.

Dat lijkt allemaal heel vaag maar het is heel simpel: mensen blijven aan familieleden of plekken of verhalen plakken door pijn. Levens raken vervormd door wat mensen elkaar aandoen. Tijd heelt misschien wonden maar de dood heeft weinig op met tijd.

Zo simpel zo ingewikkeld.

Grenzen die we normaal gesproken (met angst en beven) in stand proberen te houden bestaan in het verhaal van deze mensen niet. Deze familie ziet doden, hoort stemmen van mensen die geen lichaam meer bewonen, of vermoedt dat de dood zich in een kraai heeft genesteld.
Misschien zijn dergelijke waarnemingen het gevolg van hitte of voedselvergiftiging of uitdroging, of drugs of drank -- misschien ook niet.

*

Ik ben onder de indruk van de manier waarop dood en leven elkaar omarmt in Het lied van de geest, maar het boek hield me niet erg bezig als ik er niet in las. Omdat ik over het boek wil schrijven denk ik er nu veel aan, en ik kan niet zeggen dat het geen boeiend boek is -- maar het blijft niet echt plakken (ha). Dat heeft vermoedelijk vooral te maken met de enorme vaart waarmee er verteld wordt: ik houd van boeken die me zo nu het dan het verhaal uitslingeren zodat ik kan nadenken over wat ik zojuist gelezen heb (of over wat er niet staat). Dit boek liet dat bij mij niet gebeuren.

Ik lees nu Club Mars van Rachel Kushner. Ook dit boek trekt me alsmaar verder maar ook dwingt het me regelmatig even te stoppen. Ik vind het erg goed -- over dat boek later misschien meer.

a summer book

Ik herlees Tove Janssons The Summer Book en ik probeerde iets te vinden om over te nemen, hier, maar het lukt niet — niet omdat het boek geen goede passages bevat, maar omdat de fragmenten zozeer met elkaar zijn verknoopt dat ik schade aanricht als ik zo'n knoop lospeuter.

En, tsja, ieder hoofdstuk lijkt op een schilderij (niet zo gek aangezien Jansson naast woordend ook beeldend kunstenaar was), en hoewel kleine details schitterend zijn wordt een doek niet in stukjes geknipt om die details in het middelpunt te plaatsen. (Dat is iets om over te treuren denk ik.)

*

Ik heb toch iets gevonden. Iets dat los kan bestaan van de rest. De grootmoeder in het boek rust uit en maakt voor een paar momenten gebruik van al haar zintuigen. Het heeft te maken met het waar: een eiland, zo'n plek die duidelijke grenzen heeft en een mens bijna dwingt toe te geven aan een bestaan dat ouder is. Misschien zelfs wijzer. Iets dat bestaat buiten het bestaan van mensen. Dat is waarom het op zichzelf kan staan, hoewel het vastgeknoopt zit aan de rest van de omstandigheden — een beeld in een beeld:

She turned on her side and put her arm over her head. Between the arm of her sweater, her hat, and the white reeds, she could see a triangle of sky, sea, and sand—quite a small triangle. There was a blade of grass in the sand beside her, and between its sawtoothed leaves it held a piece of seabird down. She carefully observed the construction of this piece of down—the taut white rib in the middle, surrounded by the down itself, which was pale brown and lighter than the air, and then darker and shiny toward the tip, which ended in a tiny but spirited curve. The down moved in a draft of air too slight for her to feel. She noted that the blade of grass and the down were at precisely the right distance for her eyes. She wondered if the down had caught on the grass now, in the spring, maybe during the night, or if it had been there all winter. She saw the conical depression in the sand at the foot of the blade of grass and the wisp of seaweed that had twined around the stem. Right next to it lay a piece of bark. If you looked at it for a long time it grew and became a very ancient mountain. The upper side had craters and excavations that looked like whirlpools. The scrap of bark was beautiful and dramatic. It rested above its shadow on a single point of contact, and the grains of sand were coarse, clean, almost gray in the morning light, and the sky was completely clear, as was the sea. (p22)


doodijsgaten

ik lees momenteel Josefine Klougarts boek Een van ons slaapt en het is schitterend. het lijkt een lang proza gedicht. Klougarts beschrijvingen van vleugjes leven (want kleine, verscholen, maar half bewuste gewaarwordingen; dat wat onbelangrijk lijkt maar een dag plotseling heel anders kan laten voelen) zijn kleine schetsen.

over sneeuw, op pagina 1:

‘Een vacht van kou, een diepe stem waar je je veilig bij kunt voelen. Het hele landschap; naakt onsentimenteel; het voelt hier als ik mis je, maar er is niemand om te missen.’

een pagina verderop, over het Deense plattelandschap:

‘Het landschap uit de ijstijd, de doodijsgaten, waar het ijs het landschap in verschillende posities dwong.’

maar ook doet/kan ze dit:

‘Het verlangen om gezien te worden, het verlangen om helemaal te verdwijnen in de blik van de ander.
     Maar dan blijkt dat toch niet te gebeuren. En misschien ben je zelfs teleurgesteld als je je realiseert dat je niet ophoudt in je eigen lichaam te leven, alleen omdat je wordt overgenomen door een ander lichaam, een andere blik, een paar bewegingen. Tevoorschijn geroepen worden in de blik van de ander in in zijn taal, jezelf daar tegenkomen als: iemand anders. Dat wat erop lijkt, en dat wat het is: en iets er tussenin wat zich toont. Op een andere plek. Meedogenloos.
(..)
     Ik kan niets met rust laten, en ondertussen is er de hele tijd dat angstige gevoel dat er ergens tussen de werkelijkheid en de creatie in iets ontstaat, iets wat niet zonder geschiedenis is, maar pasgeboren. En de wereld verandert, jij verandert als ik kijk. Zonder iets aan te raden, zonder handen.
     Wat dat betreft kun je me met natuurrampen vergelijken.’ (p35)

en:

‘Er is een handjevol beelden die me niet loslaten. Er is een hiërarchie van beelden, beelden, zowel van het lichaam als van de gedachten, van de gevoelens; ze dringen zich steeds weer aan me op. Je keert ernaar terug, steeds weer terug. Je wilt dichterbij komen. Af en toe gebeurt het toch, dan lukt het om op de een of andere manier toegang te krijgen. Een ogenblik: erbij te kunnen en ze te laten zien, ze terug te geven aan de wereld. Dan onthoud je ze misschien. Iedereen heeft zulke beelden, vier, vijf of zes. En het enige wat telt is dichterbij komen, daar schrijf je je een weg naartoe, daar schilder je voor, dat wat je graag wil zeggen en delen met andere ogen. Een andere blik. Je praat en je wijst, maar misschien is er niemand die wat ziet. Kijk, zeg je misschien. Hoe je dat beeld dan kunt doorgeven, het in de ander planten, in jou. Dat is de vraag. Of een mens het wel volhoudt om er in zijn eentje mee rond te lopen. Of ik het wel volhoud; ik heb behoefte aan een andere blik, een andere stem om het mee te delen, het is te zwaar, en ik schrijf in verwachting.’ (p48)

het zittende meisje

Uit María Gainza's Oogzenuw:

• Daar hangt het portret dat [Augusto] Schiavoni maakte, waarvan ik denk dat het het mijne is: het meisje op de stoel met de starre blik, de zondagse hoed, de vale lila jurk, de op de groei gekochte jas. Ze compenseert het weinige dat ze weet van het leven met attitude; met haar blik kan ze je in radioactieve neerslag veranderen en haar lippen zitten zo potdicht dat er als ze ze opendeed het geluid van klittenband te horen zou zijn. Maar ze heeft het gevoel dat ze vanbinnen zacht als boter is en ze doet bovenmenselijke inspanningen om haar driften in te tomen. Tijdens een wandeling langs een meer bracht haar moeder haar ooit de regels van de etiquette bij: ‘In het bijzijn van anderen moet je je beheersen. Kijk hoe sereen en sierlijk die eenden door het water glijden, terwijl ze onder water trappelen als bezetenen.’ 's Nachts bespreekt ze heel ernstig met zichzelf of mensen nou slecht zíjn of slecht worden. Soms is zij degene die driftig wordt. Als ze het onder woorden moet brengen, zegt ze dat het lijkt alsof een adder langs haar been omhoogkruipt. De eerste keer dat ze die adder voelde was op het plein. Ze zat op het gras te spelen met een vriendinnetje, toen ze ineens een vuistgrote steen van de grond raapte en zei: ‘Vangen.’ Ze gooide hem in haar gezicht. De steen liet een kleine, diepe snee achter in haar kin. Verstijfd bleef ze zitten, kijkend naar het donkere bloed dat op haar vriendins witte Flecha-gympen drupte. (..) Ze begrijpt nog steeds niet waarom ze het deed, maar sindsdien denkt ze dat er iets mis is met haar, een fabrieksfout, een kwaadaardig gen van moederszijde. ‘Sommige meisjes worden intrinsiek goed geboren. Ik niet,’ zei de heilige Laura de Nazianzi. 

(p. 152-153)

La niña sentada (1929), Augusto Schiavoni (1893-1942) (source)

*

een aantal jaar geleden kwam ik mijzelf op een dergelijke manier tegen: het zelfportret van Charlotte Salomon lijkt sprekend op mij, vind ik. het staat op de cover van David Foenkinos' boek Charlotte. het verhaal van Charlotte Salomon is te tragisch, ik kan niets met de gelijkenis. maar het bestaat.

marie howe's affliction

The Affliction
Marie Howe


When I walked across a room I saw myself walking
as if I were someone else,

when I picked up a fork, when I pulled off a dress,
as if I were in a movie.

                                    It’s what I thought you saw when you looked at me.


So when I looked at you, I didn’t see you
I saw the me I thought you saw, as if I were someone else.


I called that outside—watching. Well I didn’t call it anything
when it happened all the time.


But one morning after I stopped the pills—standing in the kitchen
for one second I was inside looking out.


Then I popped back outside. And saw myself looking.
Would it happen again? It did, a few days later.


My friend Wendy was pulling on her winter coat, standing by the kitchen door
and suddenly I was inside and I saw her.
I looked out from my own eyes
and I saw: her eyes: blue gray    transparent
and inside them: Wendy herself!


Then I was outside again,


and Wendy was saying, Bye-bye, see you soon,
as if Nothing Had Happened.
She hadn’t noticed. She hadn’t known that I’d Been There
for Maybe 40 Seconds,
and that then I was Gone.


She hadn’t noticed that I Hadn’t Been There for Months,
years, the entire time she’d known me.


I needn’t have been embarrassed to have been there for those seconds;
she had not Noticed The Difference.


This happened on and off for weeks,


and then I was looking at my old friend John:
: suddenly I was in: and I saw him,

and he: (and this was almost unbearable)
he saw me see him,
and I saw him see me.


He said something like, You’re going to be ok now,
or, It’s been difficult hasn’t it,


but what he said mattered only a little.
We met—in our mutual gaze—in between
a third place I’d not yet been.

i don't get angry, i get sad

‘For years, I described myself as someone who wasn’t prone to anger. “I don’t get angry,” I said. “I get sad.” I believed this inclination was mainly about my personality — that sadness was a more natural emotion for me than anger, that I was somehow built this way. It’s easy to misunderstand the self as private, when it’s rarely private at all: It’s always a public artifact, never fixed, perpetually sculpted by social forces. In truth, I was proud to describe myself in terms of sadness rather than anger. Why? Sadness seemed more refined and also more selfless — as if you were holding the pain inside yourself, rather than making someone else deal with its blunt-force trauma.

But a few years ago, I started to get a knot in my gut at the canned cadences of my own refrain: I don’t get angry. I get sad. At the shrillest moments of our own self-declarations — I am X, I am not Y — we often hear in that tinny register another truth, lurking expectantly, and begin to realize there are things about ourselves we don’t yet know. By which I mean that at a certain point, I started to suspect I was angrier than I thought.’

(..)

For a long time, I was drawn to “sad lady” icons: the scribes and bards of loneliness and melancholy. As a certain kind of slightly morbid, slightly depressive, slightly self-intoxicated, deeply predictable, pre-emptively apologetic literary fan-girl, I loved Sylvia Plath. I was obsessed with her own obsession with her own blood (“What a thrill ... that red plush”) and drawn to her suffering silhouette: a woman abandoned by her cheating husband and ensnared by the gendered double standards of domesticity. I attached myself to the mantra of her autobiographical avatar Esther Greenwood, who lies in a bathtub in “The Bell Jar,” bleeding during a rehearsal of a suicide attempt, and later stands at a funeral listening “to the old brag of my heart. I am, I am, I am.” Her attachment to pain — her own and others’ — was also a declaration of identity. I wanted to get it tattooed on my arm.

(..)

It took me years to understand how deeply I had misunderstood these women. I’d missed the rage that fueled Plath’s poetry like a ferocious gasoline, lifting her speakers (sometimes literally) into flight: “Now she is flying/More terrible than she ever was, red/Scar in the sky, red comet/Over the engine that killed her — the mausoleum, the wax house.” The speaker becomes a scar — this irrefutable evidence of her own pain — but this scar, in turn, becomes a comet: terrible and determined, soaring triumphant over the instruments of her own supposed destruction. I’d always been preoccupied with the pained disintegration of Plath’s speakers, but once I started looking, I saw the comet trails of their angry resurrections everywhere, delivering their unapologetic fantasies of retribution: “Out of the ash/I rise with my red hair/And I eat men like air.”’

uit Leslie Jamisons I Used to Insist I Didn't Get Angry. Not Anymore.

een weinig rebelse ode aan een rebelse dode

Om de tweehonderdste verjaardag van de Amerikaanse natuurfilosoof Henry David Thoreau (1817-1862) te vieren, verscheen eind vorig jaar Natuur als misverstand. Het boek is bedoeld als introductie, maar het is ook een ode aan Thoreaus gedachtegoed. Aan de hand van zijn ideeën worden enkele vragen over ‘natuur’ gesteld: wat is het, hoe moeten we het beschermen en waarom doen we dat?

Natuur als misverstand is vooral interessant vanwege de eigenzinnige essays van Jelle Reumer en Johan van de Gronden. De teksten bewijzen dat er te veel vanuit economisch belang wordt gedacht over natuurbehoud- en bescherming. Bovendien stellen de auteurs boeiende vragen. Reumer stelt in zijn essay Domesticatie van de wildernis bijvoorbeeld voor dat we moeten kijken naar de grenzen die natuurgebieden beschermen. Iets of iemand bedreigt de grond die door de scheidingslijnen wordt beschermd; wat gebeurt er aan de andere kant van die lijn? Wie wil die natuur vernietigen, en waarom?

Onvervangbaar
Het komt er op neer dat Nederland langzaam in een groot industriegebied verandert. Boerderijen zijn de nieuwe fabrieken. Het land is volledig gedomesticeerd, iedere vierkante meter heeft een bestemming, heeft nut. En wat is het nut van grond waar niets op geproduceerd wordt? Het levert geen geld op, is dat niet zonde? Reumer schrijft (terecht): ‘Alleen wanneer natuur de bestemming is, vindt men het ‘zonde’.’ Het feit dat natuurbescherming nodig is, dat grond eerder aan de landbouw dan aan de natuur gegund wordt, is een groot probleem. De natuur moet beschermd worden omdat wij mensen het bedreigen.

Thoreau zag dit al gebeuren. Als fervent wandelaar merkte hij op dat er met de jaren minder mogelijkheden voor zwerftochten zouden overblijven omdat er steeds meer hekken werden geplaatst: grond werd plotseling eigendom, privé of van de staat. Johan van de Gronden schrijft in zijn essay over dit probleem. Een zwerftocht zou een symbool moeten kunnen zijn voor het leven zelf. Als er niet langer verdwaald kan worden, wat betekent dat voor ons (dagelijks) bestaan? Thoreau was van mening dat er iets onvervangbaars verloren zou gaan; er is ruimte nodig om aan de maatschappij te kunnen (en mogen) ontsnappen.

Lef en lucht
Andere teksten in Natuur als misverstand zijn minder geslaagd. Een poging Jac. P. Thijsse (grondlegger van Natuurmonumenten) uit de vergetelheid te trekken door op overeenkomsten tussen hem en Thoreau te wijzen maakt alleen maar nieuwsgieriger naar de Amerikaan. Een wandeling met ecoloog Harm Piek voegt weinig tot niets toe omdat de uitwerking van het gesprek slechts een herhaling is van reeds behandelde feiten en ideeën.

Het is daarom maar de vraag of deze uitgave er in zal slagen om Thoreau nieuwe lezers te bezorgen. Liefhebbers van natuurboeken zullen al bekend zijn met de Amerikaan, en het genre is al een niche. Daar komt bij dat de teksten – met de genoemde essays van Reumer en van de Gronden als uitzondering; zij stellen de ongemakkelijke vragen – nogal braaf zijn. De wetenschappelijke achtergrond van de meeste schrijvers zit wellicht in de weg: alle teksten hebben een nette inleiding en conclusie, en zijn vooral informatief van aard. Er zit weinig lef en lucht in. De rebelse geest van Thoreau waart in slechts twee essays rond. Wat ook irriteert is dat vrijwel iedere bijdrage dezelfde passages uit het werk van Thoreau aanhaalt. Daardoor lijkt het alsof de inhoud van de verschillende stukken niet op elkaar is afgestemd; het is geen geheel.

Het voelt als een gemiste kans. Juist nu het zo belangrijk is om langer stil te staan bij het belang van natuur, en de ruimte die we de natuur gunnen, zou een boek met Natuur als misverstand als titel en Henry David Thoreau als onderwerp over dat grote misverstand mogen gaan. Dat zou ongetwijfeld een interessantere introductie op het werk en leven van Henry David Thoreau hebben opgeleverd.

the most fragile relationship in the world

‘The two sides of a secret are repression and expression, just as the two sides of the poem are the told and the untold. We must be careful not to take the word as the meaning itself; words do not “capture” a moment as much as they “communicate” it—they are a bridge that, paradoxically, breaks isolation and loneliness without eradicating it. It is the first experience you ever had of reading a decent poem: “Oh, somebody else is lonely, too!”

It is the most fragile relationship in the world.’

Mary Ruefle, ‘On Secrets’, Madness, Rack, and Honey. Collected lectures

there's nothing (to see)

‘Most visitors spend a day at the [Hancock Shaker] village, visiting all the buildings, the restaurant, the gift shop, and leave, village map in hand, without seeing the Shaker graveyard. Indeed, when I asked my guide directions to the graveyard she said, “But there's nothing to see!” And so I went. Across a field, over a footbridge, past a row of cornstalks, one turns and sees another empty field with a modest obelisk at its center. Here Lie the Shaker Dead—or something to that effect. At the beginning of this century, the elders decided to change the nature of Shaker burial and removed all of the individual headstones, using them for sidewalks, countertops, and ironing boards. Standing there one is confounded with the real Shaker theme—a simple, empty meadow full of the dead who have been stripped of their names, like the anonymous burying grounds of war, all individuals gone to a greater cause—which may be noble, and may be moving (..). By the way, nineteenth-century insane asylums also buried their dead without names—as if the deceased belonged to an anonymous collective insanity.’

Mary Ruefle, ‘On Theme’, Madness, Rack, and Honey. Collected lectures

*

dit verhaal over verdwenen namen —

ik las het 's avonds laat in bed, ik kon er niet van slapen.

ik begrijp niet dat het zo makkelijk is om gebeurtenissen te doen verdwijnen (decided to change/ removed all of the individual headstones). ik denk vaak na over wat ik niet weet en nooit zal kunnen weten. dat zwarte gat wordt almaar groter.

de stenen zijn er nog. sidewalks, countertops, ironing boards.

wie ligt waar?

//

quoi?

ada limón adrienne rich alejandro zambra aleksandar hemon ali smith alice notley alice oswald andré aciman andrea dworkin andrea wulf anna burns anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde ben lerner bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë erwin mortier ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonora carrington leslie jamison louise glück maggie nelson marcel proust maría gainza marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker piet oudolf poëzie rachel cusk rainer maria rilke rebecca solnit robert macfarlane robert walser robin wall kimmerer sara ahmed sara maitland siri hustvedt stefan zweig sue lloyd-roberts susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tjitske jansen tomas tranströmer valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

abonneer

Blogarchief