Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen

de taal van de benedenwereld

een van mijn favoriete hoofdstukken in Robert Macfarlane's nieuwe boek Benedenwereld gaat over het ‘wood wide web’, het netwerk dat bomen onder de grond met elkaar verbindt. lang dachten wetenschappers dat planten, bomen, en ander gewas met elkaar wedijveren om te kunnen overleven, maar bosecoloog Suzanne Simard zag dat douglassparren en papierberken elkaar nodig hadden om in leven te blijven. ze wilde weten hoe dat zat, en kwam er na onderzoek achter dat onder de grond, de zwarte doos van de bodem, bleke, superdunne draden lagen: zogeheten ‘hyfen’ of ‘schimmeldraden’, die schimmels door de bodem heen versturen. het bleek dat iedere kubieke meter bosgrond tientallen kilometers schimmeldraden bevatten.

Simard ontdekte nog iets anders interessants: de schimmeldraden liggen tussen verschillende soorten: papierberk heeft een verbinding met andere papierberken maar ook met douglassparren: het resultaat is een niet-hierarchisch netwerk tussen uiteenlopende plantensoorten.

netwerk = uitwisseling = communicatie = taal.

nog voordat Macfarlane haar naam noemt moest ik aan Robin Wall Kimmerer denken. Kimmerer is botanist/ plantkundige, schrijver van twee boeken (Gathering Moss: A Natural and Cultural History of Mosses en Braiding Sweetgrass: Indigenous Wisdom, Scientific Knowledge and the Teachings of Plants), en heeft een Potawatomi-achtergrond. de taal die zij tijdens opleidingen leerde voor de wereld de ze onderzocht en bestudeerde komt totaal niet overeen met de taal van haar voorouders: een taal die veel meer werkwoorden bevat dan bijvoorbeeld het Engels: dertig procent tegenover zeventig procent (Potawatomi).

Macfarlane schrijft in ‘De ondergroei’ dat er een nieuwe taal nodig is om de benedenwereld van het bos te begrijpen; Ons huidige taalsysteem strijdt tegen de gedachte dat alles een ziel heeft; uit gewoonte en uit een soort reflex onderwerpen en antropomorfiseren we de bovenmenselijke wereld. hij verlangt naar een taal die de bezieling van de wereld erkent en bevordert.

het Potawatomi is een taal die de neiging heeft leven te bespeuren in dat wat anders is waardoor dat woord ‘leven’ meer betekenis krijgt dan we hier in het westen gewend zijn. naast bomen en planten, mensen en dieren beschikken ook bergen, stenen, wind, vuur, en verhalen en liederen over leven; ze zíjn. Macfarlane geeft een voorbeeld dat uit Kimmerers boek Braiding Sweetgrass komt:

Wiikwegamaa betekent bijvoorbeeld ‘baai zijn’. (Benedenwereld, RM)

Een baai is alleen een zelfstandig naamwoord als het water dóód is, gevangen tussen de oevers en gevat in het woord. Maar het werkwoord bevrijdt het water uit zijn slavernij en wekt het tot leven. ‘Baai zijn’ bevat het wonder dat, op dit moment, het levende water besloten heeft om bescherming te zoeken tussen deze oevers, zich te verstaan met cederwortels en een vlucht jonge grote zaagbekken. (Braiding Sweetgrass, RWK)

het water dat besloot bescherming te zoeken: het water. it.
de baai besloot bescherming te zoeken: bezieling. het bezielde water leeft een eigen verhaal.

*

taal speelt een enorme rol in Benedenwereld en ‘De ondergroei’ is niet het enige talige hoofdstuk. in ieder boek dat ik van hem heb gelezen doet Macfarlane moeite om in woorden te vangen wat het landschap hem zegt, wil zeggen. ik denk dat er in dit boek meer van hem wordt verlangd te luisteren dan in andere boeken, omdat hij aldoor werelden betreedt die hij niet kent. hij is altijd samen met iemand die hem gidst. op die manier komt hij plekken tegen die hem uitgelegd moeten worden. dat kan te maken hebben met locale geschiedenis of mythen, met de abstracte wetenschap van zwarte gaten, of omdat er door smeltende gletjers spoken tevoorschijn komen die zorgen voor zoveel vervreemding dat zijn maag zich omkeert.

Macfarlane is in Groenland als voor zijn neus honderdduizenden tonnen ijs losbreken van een gletsjer en er ineens een glanzende zwarte piramide oprijst, gemaakt van iets wat ijs moet zijn maar er niet als ijs uitziet (..), iets wat naar ik me voorstel het materiaal van een meteoriet moet zijn gemaakt, iets wat zo diep uit de tijd afkomstig is dat het van al zijn kleur is ontdaan. van sterren gemaakt. honderdduizend jaar oud. een zwarte ster.

ik begrijp niet helemaal wat hij vervolgens zegt (ik zag immers niet wat hij zag) maar het is interessant want iets daarvoor heeft hij het over een bewuste omgeving die luistert en spreekt, dus ik denk dat dit is waarom hij zo'n afkeer voelde bij de glanzende zwarte verschijning — hij kon zich niets bij het iets voorstellen omdat het iets niet sprak:

.. het zwarte ijs was van een heel andere orde van desinteresse, zo extreem dat je er van moest walgen. Camus noemde die eigenschap van materie ‘dichtheid’. ‘Ziedaar de vervreemding,’ schreef hij toen hij werd geconfronteerd met materie in haar rauwste vorm:
de gewaarwording dat de wereld ‘dicht’ is, het besef dat hoezeer een steen ons vreemd is, niet te begrijpen voor ons, en met welk een kracht de natuur of een landschap ons kan buitensluiten. Diep in alle schoonheid schuilt iets onmenselijks [...]. De primitieve vijandigheid van de wereld stelt zich na duizenden jaren weer tegenover ons. [...] die geslotenheid en die vreemdheid van de wereld vormen het absurde. [uit Camus' De mythe van Sisyfus]
hier biedt taal toch een plaats voor iets dat op afstand wil blijven; op afstand blijft. ik bedoel: het niet begrijpen, niet kunnen plaatsen van wat er is zorgt voor iets dat te absurd is voor taal, aldus Camus en Macfarlane. en toch staat er iets op papier. de buitenaardse indruk wordt gewekt met woorden die overtuigen;

Dit was een gebied waar compacte materie de taal terzijde schoof. Het ijs liet de taal stranden. Het object voldeed niet aan zijn profiel. IJs wilde niet betekenen, net zomin als gesteente en licht, en daarom was dit terrein bovennatuurlijk: er viel niet met de menselijke maat of met menselijke formules over te communiceren.

(de vraag is natuurlijk wat Robin Wall Kimmerer hier over denkt. ook iets dat weigert te communiceren, weigert. dat is niet niks, lijkt mij, niet leeg, niet een bestaan zonder ziel.)

een weinig rebelse ode aan een rebelse dode

Om de tweehonderdste verjaardag van de Amerikaanse natuurfilosoof Henry David Thoreau (1817-1862) te vieren, verscheen eind vorig jaar Natuur als misverstand. Het boek is bedoeld als introductie, maar het is ook een ode aan Thoreaus gedachtegoed. Aan de hand van zijn ideeën worden enkele vragen over ‘natuur’ gesteld: wat is het, hoe moeten we het beschermen en waarom doen we dat?

Natuur als misverstand is vooral interessant vanwege de eigenzinnige essays van Jelle Reumer en Johan van de Gronden. De teksten bewijzen dat er te veel vanuit economisch belang wordt gedacht over natuurbehoud- en bescherming. Bovendien stellen de auteurs boeiende vragen. Reumer stelt in zijn essay Domesticatie van de wildernis bijvoorbeeld voor dat we moeten kijken naar de grenzen die natuurgebieden beschermen. Iets of iemand bedreigt de grond die door de scheidingslijnen wordt beschermd; wat gebeurt er aan de andere kant van die lijn? Wie wil die natuur vernietigen, en waarom?

Onvervangbaar
Het komt er op neer dat Nederland langzaam in een groot industriegebied verandert. Boerderijen zijn de nieuwe fabrieken. Het land is volledig gedomesticeerd, iedere vierkante meter heeft een bestemming, heeft nut. En wat is het nut van grond waar niets op geproduceerd wordt? Het levert geen geld op, is dat niet zonde? Reumer schrijft (terecht): ‘Alleen wanneer natuur de bestemming is, vindt men het ‘zonde’.’ Het feit dat natuurbescherming nodig is, dat grond eerder aan de landbouw dan aan de natuur gegund wordt, is een groot probleem. De natuur moet beschermd worden omdat wij mensen het bedreigen.

Thoreau zag dit al gebeuren. Als fervent wandelaar merkte hij op dat er met de jaren minder mogelijkheden voor zwerftochten zouden overblijven omdat er steeds meer hekken werden geplaatst: grond werd plotseling eigendom, privé of van de staat. Johan van de Gronden schrijft in zijn essay over dit probleem. Een zwerftocht zou een symbool moeten kunnen zijn voor het leven zelf. Als er niet langer verdwaald kan worden, wat betekent dat voor ons (dagelijks) bestaan? Thoreau was van mening dat er iets onvervangbaars verloren zou gaan; er is ruimte nodig om aan de maatschappij te kunnen (en mogen) ontsnappen.

Lef en lucht
Andere teksten in Natuur als misverstand zijn minder geslaagd. Een poging Jac. P. Thijsse (grondlegger van Natuurmonumenten) uit de vergetelheid te trekken door op overeenkomsten tussen hem en Thoreau te wijzen maakt alleen maar nieuwsgieriger naar de Amerikaan. Een wandeling met ecoloog Harm Piek voegt weinig tot niets toe omdat de uitwerking van het gesprek slechts een herhaling is van reeds behandelde feiten en ideeën.

Het is daarom maar de vraag of deze uitgave er in zal slagen om Thoreau nieuwe lezers te bezorgen. Liefhebbers van natuurboeken zullen al bekend zijn met de Amerikaan, en het genre is al een niche. Daar komt bij dat de teksten – met de genoemde essays van Reumer en van de Gronden als uitzondering; zij stellen de ongemakkelijke vragen – nogal braaf zijn. De wetenschappelijke achtergrond van de meeste schrijvers zit wellicht in de weg: alle teksten hebben een nette inleiding en conclusie, en zijn vooral informatief van aard. Er zit weinig lef en lucht in. De rebelse geest van Thoreau waart in slechts twee essays rond. Wat ook irriteert is dat vrijwel iedere bijdrage dezelfde passages uit het werk van Thoreau aanhaalt. Daardoor lijkt het alsof de inhoud van de verschillende stukken niet op elkaar is afgestemd; het is geen geheel.

Het voelt als een gemiste kans. Juist nu het zo belangrijk is om langer stil te staan bij het belang van natuur, en de ruimte die we de natuur gunnen, zou een boek met Natuur als misverstand als titel en Henry David Thoreau als onderwerp over dat grote misverstand mogen gaan. Dat zou ongetwijfeld een interessantere introductie op het werk en leven van Henry David Thoreau hebben opgeleverd.

over verspilling en verwildering

Onlangs kwam ik de volgende afbeeldingen tegen:




marco cadioli, squares with concentric circles seen from above
from the google earth satellite

Ik wist waar ik naar keek omdat ik een paar jaar geleden de documentaire Watermark (2013; een aanrader) zag, waarin wordt gekeken naar de manier waarop de mensheid met 's werelds water omgaat. Squares with concentric circles seen from above from the google earth satellite (klik hier voor meer) is een voorbeeld van wat we de aarde aandoen, hoe we de aarde gijzelen. Dit zijn afbeeldingen die gevangenschap illustreren.

De cirkels hierboven zijn het gevolg van desert agriculture: het bedrijven van landbouw op plekken waar het normaal gesproken weinig tot niet regent, en waar de grond dat dus eigenlijk niet aankan (o.a. Texas, Kansas). Daar wordt gebruik gemaakt van een irrigatie-systeem dat center pivot irrigation heet, een manier van beregenen waarbij een enorme arm rond een centraal aanvoerpunt draait.

Dit irrigatie-systeem maakt gebruik van grondwater waar steeds dieper voor moet worden geboord.

Ik moest aan Cadioli's cirkels denken toen ik onlangs De vlucht van de hommel van Dave Goulson las. Dit boek bestaat grotendeels uit reisverslagen: in verband met zijn wetenschappelijke werk wordt Goulson regelmatig uitgenodigd om hommels te komen (be)zoeken. Tijdens zo'n werkbezoek aan Californië (waar men last heeft van aanhoudende droogte, een direct gevolg van het plaatsen van de Glen Canyondam) werd hij met de neus op de feiten gedrukt omtrent het waanzinnige waterverbruik ten behoeve van landbouw (volgens Watermark gaat 70% van het water dat de mens gebruikt naar de landbouw):

Sommige amandeltelers hebben het recht het slinkende rivierwater voor irrigatiedoeleinden te gebruiken, maar anderen niet, en zij zien zich genoodzaakt diep in waterhoudende grondlagen te boren om water op te pompen. Boorbedrijven werken zich een slag in de rondte en er zijn wachtlijsten van een jaar. Moesten ze eerst misschien slechts een meter of 150 diep boren voor ze op water stuitten, tegenwoordig moeten ze twee keer zo diep gaan (..). Het is bovendien verontrustend: het water uit die grondlagen, dat daar misschien wel duizenden of zelfs miljoenen jaren opgeslagen heeft gelegen, wordt opgebruikt. Er wordt niet op toegezien en bijgehouden hoeveel water er wordt opgepompt, noch hoeveel putten er worden geslagen (..). Dat is niet alleen een probleem in Californië: in de hele VS wordt elk jaar de verbijsterende hoeveelheid van 25 kubieke kilometer water opgepompt. (p163)

1 kubieke kilometer = 1 kilometer × 1 kilometer × 1 kilometer.

*

Er staan (gelukkig) ook positieve verhalen in De vlucht van de hommel. Goulson vertelt onder andere over een ‘regenwoud in de monding van de Theems’, West Thurrick Lagoons (of Oliver Road Lagoon). Het gebied, waar eerst een kolencentrale stond, werd gebruikt om gepulveriseerde as te dumpen. Na zo'n twintig jaar met rust te zijn overgelaten bleek de plek ineens interessant wild leven te bieden; zo interessant dat er naar verluid zeldzame hommels wonen.

Vanwege de interessante begroeiing, en het unieke leven aldaar, probeerden natuurorganisaties het dreigende verkoop van het gebied te voorkomen. Dat is slechts deels gelukt, maar het is deels gelukt: meestal gaat economie voor ecologie.

west thurrick lagoons, londen

Een ander voorbeeld is Canvey Island. Het ligt direct aan de Theems, waardoor het ooit een getijdengebied was en er dus van alles leefde: weekdieren, waadvogels, en zo meer. In verband met overstromingen werd er besloten een betonnen zeewering te plaatsen. Dat had uiteraard gevolgen voor de plaatselijke ecologie: die verdween, feitelijk. Er werd daarna nooit echt iets met het gebied gedaan: wederom werd een verlaten plek overgenomen door een uitzonderlijke fauna:

.. alleen al vijf van de zeldzaamste hommelsoorten van Groot-Brittannië en minstens driehonderd soorten nachtvlinders. Dertig van de ongewervelden die er voorkomen staan op de Britse rode lijst van bedreigde diersoorten. (p225)

Het is nu een natuurreservaat, opnieuw vanwege inmenging van natuurorganisaties, maar zoals gezegd: meestal gaat economie voor ecologie. Er zijn nog altijd ontwikkelingsplannen en het feit dat Canvey Island nú een natuurreservaat is betekent vermoedelijk alleen dat er een extra document getekend moet worden zodra plannen concreet worden.

Geld is het toverwoord: de grootste succesverhalen in Goulsons boek gaan over privé-projecten. Knepp Castle is bijvoorbeeld mogelijk omdat de huidige eigenaar het gebied heeft geërfd. Het is een prachtig initiatief, maar ik vind het eigenaardig dat natuur alleen ongestoord mag verwilderen als land privé-bezit is; als het de keuze van de eigenaar (tussen haakjes?) is. Over de rest – reservaten, openbaar groen, etcetera – valt blijkbaar te onderhandelen.

*

Wilde natuur, volgens Robert Macfarlane (in De laatste wildernis): de tomeloosheid van de groene natuur, de pure, woeste en chaotische kracht van het eindeloze, organische bestaan. Die tomeloosheid had niets van doen met onherbergzaamheid, maar alles met volheid, vitaliteit en plezier. Onkruid dat opschiet uit een barst in een stoep, een boomwortel die onbeschaamd door het asfaltpantser heen breekt: het waren evenzeer tekenen van vrije natuur als een vloedgolf of een sneeuwvlok.

vertakkingen/ publicatie

In het nieuwe nummer van Gierik & NVT (#134) staat een tekst van mij gepubliceerd. Het is in principe een samenraapsel van een aantal stukken die hier op mijn blog al eens voorbij zijn gekomen (als Naar de rivier, Zonnevlekken, en Pluis), maar er zijn een klein aantal dingen aangepast, waardoor de tekst nu anders overkomt. Denk ik? Anyway, ik vind het leuk om het hier, als iets nieuws gemaakt van iets ouds, met U te delen.

*

Vertakkingen

Ik las laatst een boek over een rivier in Engeland en het leerde me een volledig nieuw genre kennen. Ik weet alleen niet zo goed hoe dat genre heet. Het gaat om de boeken waarin wordt geschreven over de natuur; het beleven ervan en daarnaast het filosoferen over.

Het boek dat ik las heet Naar de rivier, is geschreven door Olivia Laing, en gaat over de Ouse (je schijnt het uit te spreken als oeoezoez, een beetje op z'n uils dus). Ik wist weinig over deze Ouse, behalve dan dat Virginia Woolf besloot te verdwijnen in de rivier.

In dit boek volgt Laing de loop van de rivier, zo mogelijk (veel stukken grond die aan de rivier liggen zijn privébezit). Naast het beschrijven van het gebied, vertelt ze verhalen over de omgeving. Er wordt geschreven over natuur, literatuur en geschiedenis, over overstromingen, veldslagen en geologische ontdekkingen. Kenneth Grahame, Iris Murdoch, Odysseus. Ze duikt (soms letterlijk) in de rivier, diepte gezocht en gevonden, en breekt dan weer door het oppervlak wanneer ze terug wordt gesleurd door de realiteit.

Het plaatsen van een gebeurtenis, een verhaal uit het verleden, in een bestaand landschap brengt alles dichterbij. Kan dit? Laing wandelt, en ik wandel mee. Ik voel de koelte van het stromende water op een warme, plakkerige dag. Ik zie het zilveren water, de vissers aan de rand van de rivier, de zich ontwikkelende stapelwolken. De mooie verhalen van (soms) lang geleden komen dan binnen in een omgeving die ik lijk te kennen. Misschien herken ik de omgeving zelfs wel als ik er zelf ooit in het echt kom. Fictie kan dit natuurlijk heel goed, maar om een reden die ik (nog) niet kan aanwijzen gebeurt dit bij non-fictie sneller. En daarom neemt het mij ook sneller mee, naar waar dan ook.

Een reis onder het oppervlak (ondertitel)—als je het toelaat, jawel. Ik merkte dat ik zo nu en dan echt in mijn gedachten verzonken was, om daarna, net als Laing in haar werk, terug te keren naar de werkelijkheid en me weer met het tastbare bezig te houden: het boek. Ik bedacht bijvoorbeeld dat eigenlijk alles lijkt op een rivier (behalve de zee, maar de zee is het begin en/of het einde): wind is niet nat, maar is verder in veel aspecten net als water; bomen—wortels, takken. Vertakkingen. Als één stroom die langzaam ook andere kanten op beweegt. En, vanzelfsprekend, het leven van een mens. Want iedereen leeft, maar niet iedereen gaat eenzelfde kant op. Alles betekent evenveel. Er is geen niets. Het oppervlak bedriegt.

Dit is wat er gebeurt zodra je jezelf onderdompelt in dat waar je zelf deel van uitmaakt: natuur. Hoewel er zó veel is, en niets werkelijk overeen lijkt te komen, is alles op afstand opeens onafscheidelijk. Alles is belangrijk, of niets is belangrijk. Is het zo simpel?

Ik vind het mooi als een boek zo dichtbij komt. Het is natuurlijk altijd persoonlijk. Ik heb een volledig nieuwe wereld ontdekt, want dit is weer iets waarin ik niet alleen ben. Er zijn veel mensen die veel observeren, voelen, verbanden leggen, en dan ook nog de tijd nemen om daar over te schrijven. Ik wil meer lezen, het boek is te kort, maar een nieuwe lijst is al lang.

(Oh, slenterliteratuur? Misschien? slen·te·ren 1· langzaam en zonder doel wandelen.)

*

Vorige week was ik op Schiermonnikoog en stond ik naast het huis van veel oeverzwaluwen: een wand van zand waarin de zwaluwen tunnels en nesten maken (Linnaeus schreef: ‘Hij leeft in Europa, in winderige holen in hangende, zanderige heuvels’.) Ik mocht dicht in de buurt komen, ze waren aan het foerageren, ik zag baby-oeverzwaluwen in hun nest ongeduldig wachten op het terugkeren van vader, moeder, met insecten. Het was er druk, een ontelbaar aantal zwaluwen vloog boven me. Ze verdwenen niet. Zo nu en dan maakten ze een zwak geluid, een rond geluid, één toon, heel kort, maar verder bewogen ze zich geluidloos door de lucht. Ze vlogen boven me en ik kon niet anders dan denken aan de monarchvlinders die massaal pauzeren op bomen in Mexico en Canada tijdens hun migratie, en dan plots wegfladderen, wie weet waarom. Ongetwijfeld maakt dat wél geluid. De patronen die de oeverzwaluwen in de lucht tekenden deden me in ieder geval denken aan het wilde opslaan van de monarchvlinders.

Ik denk de laatste tijd veel na over natuur, houd me bezig met bomen, bloemen, planten, vogels, bijen. Omdat ik zoveel bezig ben met natuur (ik kijk iedere dag lang naar de witte wisteria die zich om een plank, gaas vouwt, werpt, ik weet het niet, het is net een sjaal), lees ik er ook graag over. Vanmorgen zat ik in de tuin naar een bij te kijken die opmerkte dat het kaasjeskruid nu bloeit. Ik kijk nu naar de bewegende schaduwen van het bladerdak, buiten, op het grote grasveld dat grenst aan een bescheiden, maar prettig bos (er staat vooral heel veel vlier, maar wie houdt er nu niet van vlier?). Het patroon van de schaduwen is prachtig, het golft als een zee. Zonnevlekken, in Tomas Tranströmers woorden.

Wellicht moet ik zelf over natuur gaan schrijven, meer dan ik tot nu toe heb gedaan. Ik bedoel, als je een boerenzwaluw, gierzwaluw en huiszwaluw van elkaar kunt onderscheiden, en weet dat de gierzwaluw stiekem geen familie is van die andere zwaluwen, dan heb je in ieder geval genoeg interesse om het te proberen. De kennis komt dan wel met het kijken, en de boeken.

Ik ga nu op zoek naar een klaproos. Ik heb al slaapmutsjes (familie van de veelvoorkomende rode bleke klaproos), vermoed ik, er is nog geen bloem of zelfs knop te vinden maar de eerste scheuten beloven slaapmutsjes. Het meest houd ik van wilde bloemen, en klimplanten, maar daarover wellicht later meer. Ik wil nu een klaproos vinden, voor de pracht, maar ook voor de zaadjes.

*

De ramen van mijn slaapkamer staan bijna altijd open, vooral in de zomer. Als het hard waait (dat is regelmatig het geval in de polder) en ik de deur van mijn kamer open, stormt het er even, kort maar krachtig.

Sinds een paar weken staat er in het mini-vaasje op mijn bureau een tak van het wilgenroosje. Als het wilgenroosje is uitgebloeid, produceert het z'n zaad zoals ook de paardenbloem dat doet: met veel pluis.

Dit is overigens een prachtig systeem: naast bloem en blad bevat de steel van het wilgenroosje extra steeltjes, het zijn net ranken, maar ze groeien niet, krullen niet. Dit steeltje is echter niet één, maar bestaat uit vier zeer dunne stelen die in elkaar geritst lijken te zijn. De dunne stelen laten elkaar op een gegeven moment los, het geheel knapt doordat de boel is uitgedroogd, en geeft z'n pluis en zaadjes aan de wind.

Laatst opende ik de deur van mijn slaapkamer, ook toen waaide het. Het zag plotseling wit van het pluis, het was alsof er witte, dunne sluiers door de kamer golfden. Twee tellen later was alles verdwenen. Mijn deur temde de storm, en het kleine zachte spul van het wilgenroosje had zich een nieuw, niet al te levensvatbaar plekje opgedrongen gekregen (waarvoor mijn excuses). #

de uitvinder van de natuur

Ik heb heimwee naar groen. Zozeer dat ik momenteel allerlei kamerplanten aanschaf om de heimwee enigszins te temperen. Gistermiddag las ik De uitvinder van de natuur van Andrea Wulf uit. Het laatste deel, over John Muir en natuurbehoud, deed me beseffen dat mijn heimwee niet alleen bestaat uit een verlangen naar zomerbomen; ik ben ook boos. Boos omdat er niets veilig is als het geld oplevert, boos om wat er ondertussen allemaal al is verdwenen. Ik wil de wereld groener maken, ik ben van mening dat ik dat de wereld verschuldigd ben.

*

Alexander von Humboldt (1769-1859) was de eerste wetenschapper die de natuur als samenhangend geheel beschouwde, én grondlegger van de milieubeweging, schrijft Andrea Wulf:

‘Humboldt was de eerste die het cruciale belang van bossen voor eco-systeem en klimaat uiteenzette: bomen nemen water op en verrijken de atmosfeer met waterdamp, ze beschermen de bodem en zorgen voor een verkoelend effect. Hij sprak ook over de zuurstofproductie van bomen en de invloed daarvan op het klimaat. De effecten van menselijke inmenging waren nu al ‘onoverzienbaar’, betoogde hij, en zouden catastrofale vormen aannemen als we doorgingen de wereld zo ‘genadeloos’ te verstoren.’ (p. 86)

In het jaar 1800 schreef Humboldt al over het gevaar van menselijke inmenging. Dat is tweehonderdzeventien jaar geleden. Ik weet niet of ik me voor kan stellen hoe groen de wereld was toen Humboldt leefde, of ik me voor kan stellen hoezeer de wereld is veranderd door ontbossing en landbouw (/kolonialisme).

*

Humboldts boeken werden graag gelezen, niet alleen door wetenschappers: hij werd buitengewoon populair door wetenschappelijke informatie met natuurbeleving en -beschouwing te combineren. Dit nieuwe genre sprak ook ‘gewone’ mensen aan:

‘In Ansichten der Natur toonde Humboldt aan dat de natuur de menselijke verbeelding kon beïnvloeden. De natuur, zo schreef hij, stond in een geheimzinnig soort verbinding met ons ‘innerlijk leven’. (..) Wat wij tegenwoordig vanzelfsprekend vinden – namelijk dat er een verband bestaat tussen de externe wereld en onze gemoedstoestand – was voor Humboldts lezers een openbaring. Alleen dichters hadden zich tot dan toe met dat soort ideeën ingelaten; wetenschappers nooit.’ (p. 175)

Veel natuurboeken van nu (van schrijvers als Robert Macfarlane, Helen Macdonald, Annie Dillard en Amy Liptrot) zitten op eenzelfde manier in elkaar, hoewel ik nog geen hedendaagse schrijver ben tegengekomen die zoveel elementen met elkaar weet te verbinden als Humboldt deed in zijn Kosmos-boeken. Daarin schreef hij over oceanen, aardbevingen, meteorologie, geografie en astrologie; over organisch leven en ‘de ‘perpetuele wisselwerking’ tussen lucht, wind, zeestromen, hoogteligging en de plantendichtheid op het land.’ (p. 308) Niet voor niets bestaat de Kosmos-reeks uit vijf boeken. Het manuscript van het laatste deel leverde hij kort voor zijn dood in 1859 in bij zijn uitgever.

Humboldts ‘Naturgemälde’. De kaart (54 x 84 cm) hoorde bij Humboldts Ideen zu einer Geographie der Pflanzen (1807) 

Ansichten der Natur is altijd Humboldts persoonlijke favoriet gebleven. Het is naast een lyrisch natuurboek ook een filosofisch werk. Humboldt gebruikte in de regel de ‘Naturgemälde’ (een afbeelding van de vulkaan Chimborazo waarop met lijnen staat aangegeven welke vegetatie op welke hoogte te vinden is) om zijn theorie van de natuur als één groot web van leven te verduidelijken. Volgens Andrea Wulf slaagt Ansichten der Natur daar nog beter in door de vele poëtische beschrijvingen, en is het vanwege het beschouwende karakter bovendien een filosofisch werk.

*

Tijdens zijn leven inspireerde Humboldt onder andere Johann Wolfgang von Goethe, ze waren goed bevriend. Ook na Humboldts dood was hij voor velen een grote inspiratiebron: Ralph Waldo Emerson, Henry David Thoreau, Walt Whitman, en John Muir waren bijvoorbeeld grote bewonderaars van Humboldts natuurboeken. Wulf schrijft hierover:

‘De cirkel van Humboldts ideeën was rond. Humboldt had een aantal vooraanstaande denkers, wetenschappers en kunstenaars beïnvloed, en op hun beurt inspireerden die elkaar. Humboldt, [George Perkins] Marsh en Thoreau voorzagen samen in het intellectuele kader waarmee Muir de veranderende wereld om zich heen zag.’ (p. 403)

John Muir zag dat er in zijn geliefde Yosemite Valley steeds meer reuzensequoia's verdwenen en besloot zich actief in te zetten voor natuurbehoud. Door teksten als ‘The Treasure of the Yosemite’ te publiceren, waarmee hij een groot publiek wist te bereiken, heeft hij er mede voor gezorgd dat de Yosemite Valley in 1890 een nationaal park werd. Een aantal jaar later vocht hij tegen de bouw van een dam in de Hetch Hetchy Valley (de ‘tweede Yosemite’) door ‘het eerste geschil tussen de aanspraken van de natuur en de eisen van de cultuur – tussen natuurbehoud en vooruitgang’ (p. 409) in gang te zetten. De dam werd uiteindelijk wel degelijk gebouwd – Niets wat geld kan opleveren is veilig, al is het nog zo beschermd, concludeerde Muir – maar zijn poging was een belangrijk voorbeeld voor daaropvolgend activisme en later natuurbehoud.

*

De Amerikaanse senaat blijkt akkoord te zijn gegaan met de benoeming van Scott Pruitt als hoofd van het EPA (Environmental Protection Agency) (zie The Guardian). Het EPA bestaat om het milieu en de volksgezondheid te beschermen, maar Pruitt is openlijk een climate change skeptic en geen voorstander van het EPA:

‘Pruitt has sued the EPA, the agency he is now set to lead, multiple times over what he considers to be unwarranted meddling by the federal government. He has targeted regulations that limit air pollution haze in national parks, methane leaks from drilling, and mercury and arsenic seeping from power plants.’ (bron: The Guardian, 8 dec. 2016)

... niets wat geld kan opleveren is veilig, al is het nog zo beschermd. (De wereld moet groener, ik weet het zeker.)

the nature of things/ ali smith

In Public library and other stories van Ali Smith staat een verhaal over een vrouw die langzaam verandert in een rozenstruik. Allereerst zijn er ademhalingsproblemen, later verschijnen er vreemde plekken op het lichaam, ‘woody, dark browny greeny, sort of circular, ridged a bit like bark, about the size of a two pence piece.’ Smiths personage raakt er aan gehecht, heet ieder nieuw groeisel welkom. Een dokter raadt aan verschillende klinieken te bezoeken: ‘Oncology Ontology Dermatology Neurology Urology Etymology Impology Expology Infomology Mentholology Ornithology and Apology [..] Tautology [..]. He'll cut it straight out.’

herman de vries/ rosa canina (1994)

Als ze weer naar huis wandelt komt de vrouw (mensen hebben geen naam in dit verhaal) een gypsy tegen die lucky white heather verkoopt. Ze geeft al haar geld weg, in ruil voor een paar takjes witte heide. (Volgens Britse folklore groeit witte heide op het graf van een faerie, of op plekken waar tijdens veldslagen geen bloed heeft gevloeid; het zou geluk brengen.) Bij wijze van afscheid zegt de gypsy haar:

‘may the road rise to meet you, may the wind always be at your back, may the sun shine warm upon your face, may the rains fall soft upon your fields, and until we meet again may absence make your heart grow, and I think that may well be a very nice specimen you’ve got there in your chest, if I’m not wrong, a young licitness.’ 

Ze verstond het niet goed, er werd haar eigenlijk verteld dat er ‘a Young Lycidas’ uit haar borst groeide; een Engelse roos.

*

Ik probeerde aan de hand van Ali Smiths Autumn een indruk te geven van Smiths schrijfkunsten maar het lukte me niet, ik bleef maar tegen een wanhoop opbotsen die met Trumps kwaadaardigheid te maken heeft. Ik schreef keer op keer iets nieuws in de hoop dat ik iets kon bewaren, een paar zinnen, maar er bleef niets over behalve Ali Smiths woorden. En dat is beter, ik ben er nooit goed in geweest in heldere taal te reageren op ‘current events’.

Omdat ik nog steeds niet weet wat voor schrijver ik zelf ben (als ik al een schrijver ben) overkomt me dit regelmatig: dat ik een bepaald onderwerp wil behandelen, en dat het me simpelweg niet lukt. Ik probeer nu al een half uur uit te leggen waarom dat zo is, terwijl ik, zoals ik al zei, begon met de intentie het over Smiths schrijfkunsten te hebben. Vandaar: schluß. 

*

Het verhaal dat ik hierboven beschrijf heet ‘The beholder’. Het is mogelijk dat de jonge vrouw depressief is, dat ze de realiteit uit het oog verliest, maar ik herken iets in haar neiging afstand te nemen van de wens te begrijpen wat er gebeurt, en haar intuïtieve overgave aan het groene in haar lijf (en het leven). Het is niet zozeer dat ze haar menselijkheid verliest, eerder dat ze erkent dat de mens niet alleen bestaat uit vlees en bloed.

Ali Smith schenkt veel aandacht aan het langzame leven, in ons lijf & om ons heen, en kan dat op een (voor mij) onweerstaanbare manier verwoorden;

‘I have never yet managed to see the moment of the petals of a bud unfurling. I might dedicate the rest of my life to it and might still never see it. No, not might, will: I will dedicate the rest of my life, in which I walk forward into this blossoming. When there's no blossom I will dead-head and wait. It'll be back. That's the nature of things.’

(Ik weet dat ik totaal geen aandacht schenk aan de metafoor; ik ben daar momenteel niet in geïnteresseerd. Ik denk liever na over de relatie mens/plant, droom over plantaardige eigenschappen (misschien ontdekt iemand ooit dat het menselijk lichaam wel degelijk bloemen kan maken); ik besteed mijn tijd 't liefst aan de trage beweging van stil en groen leven. In mijn lijf (/hoofd) & om ons heen.)

wintermist

Het was zonnig, en de lucht blauw toen ik het dorp uit liep, zonet. Ik loop iedere dag een stukje, het dorp uit, de vlakke, wijde polder in. Het was helder maar zodra ik het dorp een eindje achter me had gelaten zag ik dat de wereld er anders uit zag: ongeveer twee kilometer ten oosten van mij (ik liep richting het noorden) miste ik ruimte; ik miste bomen, struiken, boerderijen, schuren. De gebouwen die ik wel zag hadden nu een andere kleur: wit. De wind kwam daar vandaan, wist ik dankzij de vele windmolens die deze polder nu rijk is, dus ik zou snel te maken krijgen met wat er aan de hand was. Dergelijke momenten laten mijn hart sneller kloppen. Ik, weer-detective, ik dacht eerst aan sneeuw, maar besefte al snel dat de bewolking daar te laag voor was. Bovendien liet deze bewolking bomen en boerderijen volledig verdwijnen, dat doen sneeuwwolken niet. Ondertussen werd de wereld almaar kleiner. Mist.

Ik voelde dat de wind in kracht toenam, en natter, kouder werd. De witte muur kwam vlot dichterbij. Ik was inmiddels omgekeerd en liep richting het licht, de zon was nog niet helemaal weggepoetst. Aan de andere kant van de weg, waar de wind en dus de mist vandaan kwam, begon het ineens te spoken. Het land, pas nog geploegd en dus donker, werd overspoeld door lage, lange slierten wolk. Het deed me aan water denken, aan grond die verdwijnt door een overvloed aan regen; aan stroompjes die voorzichtig een weg vinden en vervolgens veranderen in beekjes, in wilde rivieren.

In eerste instantie dacht ik dat de zon vocht uit de grond trok maar de slierten werden langzaam dikker en bewogen zich ook over de sloot, de berm, de weg; richting mij en het restje polder dat nog door de zon werd beschenen; richting het IJsselmeer. Ik herinnerde me ineens het waterlicht van Daan Roosegaarde dat ik in december 2015 bij Schokland zag. Bij dat project bootst Roosegaarde de bewegingen na van wat ooit de Zuiderzee was, met behulp van laserlicht en rookmachines. Dat licht werd echter hoog, boven het hoofd geprojecteerd, ten hoogte van waar het water was. De slierten mist die ik vanmiddag zag, golfden over de grond, met de wind mee, de kleur en het zonlicht van deze winterdag losten erin op.

waterlicht (© beeld uit filmpje)

Omdat de zon nog scheen was de beweging van de optrekkende mist heel goed te volgen. In natuurdocumentaires komen wel eens beelden voorbij van wolken die om en over bergen heen liggen. Soms wordt het beeld versneld weergegeven, dan lijkt het alsof wolken zelf een kern van leven bevatten, alsof ze weten welke weg ze moeten gaan om te komen waar ze zijn moeten (ik kan me voorstellen dat ook zij kunnen genieten van hun kunsten, weten waar hun werk het best tot hun recht komt). Die vlugge maar kordate beweging zag ik vandaag in de polder op de donkere grond van een onlangs geploegd stuk land. Het wist waar het naartoe moest.

Ik heb tien minuten met open mond staan kijken. Een heldere, zonnige, droge dag veranderde binnen een kwartier in een gesloten en grijze wereld, en het gebeurde om mij heen alsof het moest gebeuren, alsof er geen andere optie was. Het wist wat er moest gebeuren, het wist waar het naartoe moest. Ik weet niet wat ik met ‘het’ bedoel, maar ik vond het fijn dat ik diens beweging mocht zien.

the geology of norway/ jan zwicky

[..]

Evil is not darkness,
it is noise. It crowds out possibility,
which is to say
it crowds out silence.
History is full of it, it says
that no one listens.
The sound of wind in leaves,
that was what puzzled me, it took me years
to understand that it was music.
Into silence, a gesture.
A sentence: that it speaks.
This is the mystery: meaning.
Not that these folds of rock exist
but that their beauty, here,
now, nails us to the sky.

The afternoon blue light in the fjord.
Did I tell you
I can understand the villagers?
Being, I have come to think,
is music; or perhaps
it's silence. I cannot say.
Love, I'm pretty sure,
is light.
            You know, it isn't
what I came for, this bewilderment
by beauty. I came
to find a word, the perfect
syllable, to make it reach up,
grab meaning by the throat
and squeeze it till it spoke to me.
How else to anchor
memory? I wanted language
to hold me still, to be a rock,
I wanted to become a rock myself. I thought
if I could find, and say,
the perfect word, I'd nail
mind to world, and find
release.
The hand moving is the hand thinking:
what I didn't know: even the continents
have no place but earth.

[..]

__
Jan Zwicky, ‘The Geology of Norway’, Songs for Relinquishing the Earth.

vita sackville-west

Het maken van tuinnotities

Als u de gewoonte al hebt om altijd potlood en papier bij u te hebben, is het nu de goede tijd om iets op te schrijven over lichteffecten op een zomeravond.
       Het ligt natuurlijk voor de hand dat u planten die u genomen hebt om hun herfstkleuren, op een plaats moet zetten waar de zon erop valt. Dat weet iedereen. De esdoorn-achtigen onder andere. Maar ik bedoel dat u in deze augustusdagen tegen de avond uw tuin zou kunnen rondwandelen om te letten op de veranderingen in de lichtval in deze late zomermaand, en de dingen opschrijft die u hebt opgemerkt. Je zegt te gemakkelijk: ‘O, dat zal ik onthouden!’ en dan vergaat de tijd en je weet het niet meer, en je probeert je die augustusavond te herinneren, toen je wist dat er iets was wat je wilde onthouden, maar het beeld is verdwenen en het is een jaar later, en er is geen aantekening over, tenzij u altijd potlood en papier in uw zak hebt.

Uit In de tuin van Vita Sackville-West.

pluis


De ramen van mijn slaapkamer staan bijna altijd open, vooral in de zomer. Als het hard waait (dat is regelmatig het geval in de polder) en ik de deur van mijn kamer open, stormt het er even, kort maar krachtig.

Sinds een paar weken staat er in het mini-vaasje op mijn bureau een tak van het wilgenroosje. Als het wilgenroosje is uitgebloeid, produceert het z'n zaad zoals ook de paardenbloem dat doet: met veel pluis.

Dit is overigens een prachtig systeem: naast bloem en blad bevat de steel van het wilgenroosje extra steeltjes, het zijn net ranken, maar ze groeien niet, krullen niet. Dit steeltje is echter niet één, maar bestaat uit vier zeer dunne stelen die in elkaar geritst lijken te zijn. De dunne stelen laten elkaar op een gegeven moment los, het geheel knapt doordat de boel is uitgedroogd, en geeft z'n pluis en zaadjes aan de wind.

Laatst opende ik de deur van mijn slaapkamer, ook toen waaide het. Het zag plotseling wit van het pluis, het was alsof er witte, dunne sluiers door de kamer golfden. Twee tellen later was alles verdwenen. Mijn deur temde de storm, en het kleine zachte spul van het wilgenroosje had zich een nieuw, niet al te levensvatbaar plekje opgedrongen gekregen (waarvoor mijn excuses).

plantaardig / vegetatieve filosofie

‘Staatsbosbeheer wil de Nederlandse bossen, die zijn aangelegd als productiebossen, gevarieerder, natuurlijker maken – soms zelfs nieuwe natuur creëren (een prestatie die alleen maar te vergelijken is met die van God in het boek Genesis).
       Tegelijkertijd blijft het bedrijf hout kappen, om de volgende reden:

Staatsbosbeheer vindt het belangrijk hout van eigen bodem te oogsten. Zo dragen we er aan bij dat Nederland niet alleen hout consumeert terwijl elders in de wereld hele ecosystemen worden vernietigd voor onze houtconsumptie. Jaarlijks oogsten we hout in ongeveer 10 procent van ons totale bosbezit. (bron)

Dit is een symbolische handeling. Jaarlijks heeft Nederland tweemaal zijn eigen oppervlakte aan hout nodig. Het land moet daarom 93% van zijn hout importeren. Van de 7% die overblijft produceert Staatsbosbeheer een derde deel, oftewel 2,5% van de houtbehoefte van Nederland. Daarmee blijft precies datgene gebeuren, maar dan uit het zicht in het buitenland, wat Staatsbosbeheer in Nederland bestrijdt: de aanleg van enorme oppervlaktes met productiebos van één soort (monocultuur), ten koste van de zogeheten 'natuurlijke' bossen met een grote biodiversiteit. De natuurbeherende schijnmanoeuvres van Staatsbosbeheer sussen het Nederlandse geweten en maken het mogelijk de ogen te sluiten voor de gevolgen van het eigen handelen op de wereldwijde 'natuurlijke' omgeving.’

Uit Plantaardig. Vegetatieve filosofie van Th.C.W. Oudemans, in samenwerking met N.G.J. Peeters.

zonnevlekken

Vorige week was ik op Schiermonnikoog en stond ik naast het huis van veel oeverzwaluwen: een wand van zand waarin de zwaluwen tunnels en nesten maken (Linnaeus schreef: “Hij leeft in Europa, in winderige holen in hangende, zanderige heuvels”.) Ik mocht dicht in de buurt komen, ze waren aan het foerageren, ik zag baby-oeverzwaluwen in hun nest ongeduldig wachten op het terugkeren van vader, moeder, met insecten. Het was er druk, een ontelbaar aantal zwaluwen vloog boven me. Ze verdwenen niet. Zo nu en dan maakten ze een zwak geluid, een rond geluid, één toon, heel kort, maar verder bewogen ze zich geluidloos door de lucht. Ze vlogen boven me en ik kon niet anders dan denken aan de monarchvlinders die massaal pauzeren op bomen in Mexico en Canada tijdens hun migratie, en dan plots wegfladderen, wie weet waarom. Ongetwijfeld maakt dat wél geluid. De patronen die de oeverzwaluwen in de lucht tekenden deden me in ieder geval denken aan het wilde opslaan van de monarchvlinders.


Oeverzwaluwwand (©: hier gevonden)

Ik denk de laatste tijd veel na over natuur, houd me bezig met bomen, bloemen, planten, vogels, bijen. Omdat ik zoveel bezig ben met natuur (ik kijk iedere dag lang naar de witte wisteria die zich om een plank, gaas vouwt, werpt, ik weet het niet, het is net een sjaal), lees ik er ook graag over. Vanmorgen zat ik in de tuin naar een bij te kijken die opmerkte dat de kaasjeskruid nu bloeit, en ik bedacht dat ik meer natuurboeken van vrouwen wilde lezen, en dat er te weinig zijn. Ik wist op dat moment ook dat dat onzin was, ik kon direct namen noemen: Annie Dillard, Kathleen Jamie, Helen Macdonald, Mary Oliver, Barbara Hurd, Rebecca Solnit, en mijn natuurlijst op goodreads bevat veel titels van vrouwen. Maar gisteren, in de boekhandel in Zwolle, kwam ik alleen maar mannen tegen. Ik weet niet waarom ik bedacht dat ik natuurboeken van vrouwen wilde lezen, maar nu ik de namen bekijk, Macdonald, Dillard, Solnit, vermoed ik dat ik wil lezen over het ervaren van natuur. (Schrijven mannen feitelijker?)

Ik kocht een natuurboek van een man, Het herdersleven van James Rebanks, en ik sta op het punt een ander natuurboek van een man te kopen, De zintuigen van vogels van Tim Birkhead.

Ik kijk nu naar de bewegende schaduwen van het bladerdak, buiten, op het grote grasveld dat grenst aan een bescheiden, maar prettig bos (er staat vooral heel veel vlier, maar wie houdt er nu niet van vlier?). Het patroon van de schaduwen is prachtig, het golft als een zee. Zonnevlekken, in Tomas Tranströmers woorden.

Wellicht moet ik zelf over natuur gaan schrijven, meer dan ik tot nu toe heb gedaan. Ik bedoel, als je een boerenzwaluw, gierzwaluw, huiszwaluw en huiszwaluw van elkaar kunt onderscheiden, en weet dat de gierzwaluw stiekem geen familie is van die andere zwaluwen, dan heb je in ieder geval genoeg interesse om het te proberen. De kennis komt dan wel met het kijken, en de boeken.

Ik ga nu op zoek naar een klaproos. Ik heb al slaapmutsjes (familie van de veelvoorkomende rode bleke klaproos), vermoed ik, er is nog geen bloem of zelfs knop te vinden maar de eerste scheuten beloven slaapmutsjes. Het meest houd ik van wilde bloemen, en klimplanten, maar daarover wellicht later meer. Ik wil nu een klaproos vinden, voor de pracht, maar ook voor de zaadjes.

mary oliver (2)

One Winter Day


Today the floes came. They made their stately approach with the incoming tide, in no hurry but as if destined. The tide fell and they were left like dropped clouds along the beach. Little boys clambered onto them, as though they were white ships that could carry them out to sea. The gulls and the eiders also seemed to feel they were here for entertainment, and chose to rest upon this or that shining pinnacle. Those still in water were no more than islands, but when left on shore they revealed themselves entirely, huge, and as gorgeously shaped as sculpture, both inspired and fortunate. A blue light glowed from their crevices. They might have been souls.

(Uit Long Life: Essays and Other Writings.)

mary oliver

The Moth, The Mountains, The Rivers


Who can guess the luna's sadness who lives so briefly? Who can guess the impatience of stone longing to be ground down, to be part again of something livelier? Who can imagine in what heaviness the rivers remember their original clarity?

Strange questions, yet I have spent worthwhile time with them. And I suggest them to you also, that your spirit be richer than it is, that you bow to the earth as you feel how it actually is, that we—so clever, and ambitious, and selfish, and unrestrained—are only one design of the moving, the vivacious many.

(Uit A Thousand Mornings.)

de h is van havik (2)

‘[Het] drong (..) tot me door dat sterfelijkheid te maken had met dingen als die koude, door bogen verlichte hemel [ijskringen en bijzonnen]. Dat de wereld vol voortekenen en wonderen is die komen en gaan en die je kunt zien als je geluk hebt. Eén keer, of twee. Of misschien nooit meer. Bij mijn moeder thuis staan albums met allemaal familiekiekjes. Maar ook met foto's van andere dingen. Een spreeuw met een misvormde snavel. Een dag vol rijp en rook. Een kersenboom boordevol bloesem. Onweerswolken, inslaande bliksems, kometen en zonsverduisteringen: hemelverschijnselen die door hun onbevattelijkheid angstaanjagend zijn maar je ook geruststellen omdat de wereld altijd zal blijven bestaan, al ben je niet meer dan een oogwenk in zijn lange levensloop.’ (p. 89)

‘Je constateert dat het leven zich ontpopt als iets wat uit gaten bestaat. Hiaten, verliezen. Dingen die verdwijnen. En dan besef je ook dat je verder moet groeien, om die gaten heen, ertussendoor, waarbij je steeds terug kunt grijpen naar daar waar vroeger iets was, en je die intens glanzende dofheid ervaart van het gebied waar de herinneringen zijn.’ (p. 202)

‘Hoe zeldzamer ze [wilde dieren] worden, des te minder betekenissen ze kunnen hebben. Uiteindelijk zullen ze alleen nog maar gelijkstaan aan zeldzaamheid. De condor is een icoon van het uitstervende dier. Veel anders dan 'enig in zijn soort' is er inmiddels niet van over. En daarin schuilt het kleiner worden van de wereld.’ (p. 213)

Uit De H is van havik van Helen Macdonald (De Bezige Bij, vert. Nico Groen en Joris Vermeulen).

herfstdraden (de h is van havik)

‘De kale vlakte waar we de havik hebben laten vliegen is bedekt met herfstdraden: miljoenen glanzende draden die de wind over elke centimeter grond heeft gekamd. Aangelicht door de ondergaande zon strekt de trillende zijde zich helemaal tot aan mijn voeten uit, als licht op het water. Het is van een onaardse schoonheid, het werk van miljoenen minuscule spinnen die naar nieuw onderdak zoeken. Stuk voor stuk hebben ze een statisch geladen zijden draad de lucht in gesponnen om los te komen van hun broedplaats, waarna ze als onverschrokken ballonvaarders zijn opgestegen, zich zwevend verspreiden en ergens neerkomen. Ik kijk lange tijd naar het veld. Het doet me denken aan een avond in het afgelopen najaar, tijdens die reis naar Oezbekistan. Daar, op de grond voor mijn tent, zat ik me af te vragen of de afschuwelijke stank die me bereikte afkomstig was van een rottende koe of iets veel ergers. Voor me lagen kilometers moeras en woestijn, en in de verte verdwenen de Fergana-bergen in een waas. Opeens zag ik bijzonder vreemde dingen in de lucht hangen die ik maar niet kon thuisbrengen. Ze zagen eruit als witte vraagtekens en overtraden op verontrustende wijze de wetten van de natuurkunde. Het was volslagen windstil, en toch hingen ze daar, daalden en stegen ze met bovennatuurlijke traagheid. Wat was dat in godsnaam? Ik ging er een achterna. Ik ging er zo dicht bij staan dat het zich vijftien centimeter van mijn neus bevond, maar nog steeds begreep ik niet wat het was. Het was zo lang als mijn hand van pols tot vingertoppen; het was wit, en grillig als de krabbel die je met een bijna lege pen maakt, en ik kon niet vaststellen van welk spul het was gemaakt. Het deed me denken aan manna, soda, as en serpentinespray. En toen keek ik er nog eens heel, heel aandachtig naar, terwijl het heel, heel traag opsteeg, en daar, van onder uit dat witte, schuimige kluwentje, liep een nagenoeg onzichtbaar draadje. En helemaal onder aan dat draadje bevond zich een spinnetje zo klein als het woord 'aha'.’

Uit De H is van havik van Helen Macdonald (De Bezige Bij, vert. Nico Groen en Joris Vermeulen), p. 175-176.

clever trees

‘City trees are great. They coat their own leaves with stuff that means that every time it rains any pollution that's gathered on them just slides off. Even those spindly young trees, they'd see themselves through the winter fine.

The thing about trees is that they know what to do. When a leaf loses its color, it's not because its time is up and it's dying, it's because the tree is taking back into itself the nutrients the leaf's been holding in reserve for it, out there on the twig, and why leaves change color in autumn is because the tree is preparing for winter, it's filling itself with its own stored health so it can withstand the season. Then, clever tree, it literally pushes the used leaf off with the growth that's coming behind it. But because that growth has to protect itself through winter too, the tree fills the little wound in its branch or twig where the leaf was with a protective corky stuff that seals it against cold and bacteria. Otherwise every leaf lost would be an open wound on a tree and a single tree would be covered in thousands of little wounds.’ (p. 102)

Uit Artful van Ali Smith.

pilgrim at tinker creek


c - Pilgrim at Tinker Creek, Annie Dillard

Vanmorgen las ik de laatste pagina's van Annie Dillards Pilgrim at Tinker Creek. Ik haat dat het uit is, ik mis Dillards observaties; ze is een ongelooflijke schrijver. Ze schrijft poëzie terwijl ze ook non-fictie schrijft, ik kan het niet anders omschrijven. Toch is Pilgrim at Tinker Creek geen van beide; het is een boek over een plek, over de wereld, over het (natuurlijke) leven, en natuurlijk ook over Dillards leven: zij observeert, zij creëert.

Dillard heeft het regelmatig over een 'creator' in dit boek. Ze is echter niet gelovig, en doelt dan ook op dat wat verantwoordelijk is voor wat wij nu als wereld ervaren; dat wat wij niet kunnen kennen, maar er toch moet zijn omdat wij er ook zijn. Dat mysterie raakt Dillard regelmatig aan, ze verwondert zich over creativiteit en precisie, en over de enorme variatie:

‘We don't know what's going on here. If these tremendous events are random combinations of matter run amok, the yield of millions of monkeys at millions of typewriters, then what is it in us, hammered out of those same typewriters that they ignite? We don't know. Our life is a faint tracing on the surface of mystery, like the idle, curved tunnels of leaf miners on the face of a leaf. We must somehow take a wider view, look at the whole landscape, really see it, and describe what's going on here. Then we can at least wail the right question into the swaddling band of darkness, or, if it comes to that, choir the proper praise.’ (p. 16)

Dillard schrijft zichzelf (en de lezer) nietig. Ik vind dat erg prettig. Dillard weidt (denk ik) een heel hoofdstuk aan het uitschakelen van het zelfbewustzijn. In het hoofdstuk ‘Stalking’ stalkt ze muskusratten. Dillard wenst een muskusrat zijn eigen natuurlijke gang te zien gaan, en daarvoor moet ze geduld oefenen: muskusratten zijn erg schuw, om het dier te kunnen observeren moet ze zich lang stil houden. Ook haar gedachten moet ze leren bedwingen:

‘Can I stay still? How still? It is astonishing how many people cannot, or will not, hold still. I could not, or would not, hold still for thirty minutes inside, but at the creek I slow down, center down, empty. I am not excited; my breathing is slow and regular. In my brain I am not saying, Muskrat! Muskrat! There! I am saying nothing. If I must hold a position, I do not “freeze”. If I freeze, locking my muscles, I will tire and break. Instead of going rigid, I go calm. I center down wherever I am; I find a balance and repose. I retreat—not inside myself, but outside myself, so that I am a tissue of senses. Whatever I see is plenty, abundance. I am the skin of water the wind plays over; I am petal, feather, stone.’ (p. 195)

I am the skin of water the wind plays over; I am petal, feather, stone. Poëzie, en dan ook exact poëzie zoals ik het graag lees.

Het boek leest niet gemakkelijk, ik heb er redelijk lang over gedaan; toch denk ik dat ik het te snel heb gelezen. Maar wellicht maakt dat niet uit, er gebeurt sowieso meer in Pilgrim at Tinker Creek dan ik tijdens een eerste lezing zou kunnen opmerken.

een verhaal met een angel

‘De parabel van de hommel: vanwege het zware gewicht van zijn lichaam en het te kleine draagvlak van z’n vleugels kan de hommel - technisch gezien - onmogelijk vliegen. De hommel zelf weet dat niet. [Maar] hij vliegt.’ (bron)

Ik weet niet of bovenstaande bewering waar is, maar dat is niet van belang. De onmogelijke hommel heeft me niet meer losgelaten; ik wil meer over het beestje (en soortgenoten) weten. In oktober las ik De Vliegenval (uitgeverij Ad. Donker, vertaling Geri de Boer), een prachtig uitgegeven boek waarin Fredrik Sjöberg, bekend (zweef)vliegen-onderzoeker, zijn passie onder woorden brengt door de lezer mee te nemen in zijn gedachtenstroom. Dat levert een mix van essay, (auto)biografie, reisverhaal en natuurbeschrijving op; een persoonlijke tekst die het leven, de hartstocht, onderzoekt.

Afgelopen week las ik Een verhaal met een angel (uitgeverij Atlas Contact, vertaling Nico Groen) van Dave Goulson. Ook Goulson schrijft met passie over zijn lievelingsinsect: de hommel. In zijn mooie bijenboek vertelt hij over de in Groot-Brittannië verdwenen donkere tuinhommel (deze schijnt ook in Nederland zeer zeldzaam te zijn), over een jaar in het leven van de hommel, over warmbloedige hommels en het introduceren van uitheemse soorten bijen of hommels in Tasmanië, Nieuw-Zeeland en Australië (en de gevolgen daarvan), over hommelsnuffelhonden; over heel veel meer.

De laatste hoofdstukken gaan over bijensterfte (een onderwerp waar Sjöberg zich niet al te veel mee bezig houdt in zijn boek). In Een verhaal met een angel is te lezen dat het gebruik van kunstmest minstens zo dodelijk is als al die bestrijdingsmiddelen:

‘Door goedkope kunstmest op hooivelden te gebruiken groeit gras veel sneller en kan het in lente en zomer vele keren worden gemaaid, wat een grote, betrouwbare voorraad wintervoer oplevert. Een ongelukkig neven-effect is dat het gebruik van kunstmest op hooivelden er al snel toe leidt dat bijna alle wilde bloemen verdwijnen. Klaver en andere vlinderbloemigen, die altijd in het voordeel waren omdat ze stikstof uit de lucht aan zich konden binden, raken dat voordeel kwijt wanneer met stikstofverbindingen (nitraten) wordt gestrooid en leggen het af tegen snel groeiende grassoorten.’ (p. 33)

En dat terwijl bijen en hommels het juist moeten hebben van vlinderbloemigen.

Dave Goulson is een bioloog en wetenschapper, hij denkt in oplossingen. In 2005 besloot hij een ‘liefdadigheidsorganisatie uitsluitend voor hommels’ te starten, de Bumblebee Conservation Trust (BBCT). In plaats van het opkopen van land ‘richt de organisatie zich op samenwerking met landeigenaren en beheerders, maakt ze mensen ervan bewust dat er zeldzame soorten in bepaalde gebieden voorkomen en stimuleert ze waar mogelijk de aanleg van nieuwe bloemrijke leefomgevingen. Een groot deel van die 2000 hectare is er gekomen doordat de BBCT boeren heeft gestimuleerd en geholpen om mee te doen aan milieubeschermingsprogramma's, op grond waarvan ze overheidssubsidie kunnen aanvragen om bloemrijk grasland te creëren en te beheren.’ (p. 279)

Ik vraag me af hoeveel mensen weten dat het niet heel ingewikkeld is om bijen te helpen. Het lijkt vanzelfsprekend dat kunstmest slecht is voor de grond, maar om een of andere reden blijft veel kennis op het oppervlak van ons bewustzijn drijven en dringt het simpelweg niet echt door. We maken zoveel kapot door te knoeien met iets dat miljoenen jaren lang intelligent genoeg was om zichzelf in stand te houden.

Meer dan bioloog en wetenschapper is Goulson liefhebber. Sinds 2003 bezit hij een stukje land met een oud boerderijtje in Frankrijk. In tien jaar tijd heeft hij het ‘grote saaie grasveld dat ik tien jaar geleden kocht langzaam (..) zien veranderen in een gevarieerde bloemenwei’ (p. 257). Ietsje verderop (p. 261) schrijft hij:

‘Ik beschouw het als een grote troost dat de natuur haar rechten weer opeist. In bijna elke wei doen zich vergelijkbare veranderingen voor wanneer je die maar lang genoeg met rust laat, niet telkens omploegt en met chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest overspoelt. De natuur is veerkrachtig en heeft alleen maar een beetje ruimte en een beetje tijd nodig.’

Een verhaal met een angel eindigt met het uitzetten van donkere tuinhommel-koninginnen uit Zweden in Groot-Brittannië. Bij Dungeness werden in 2012 én 2013 koninginnen van de verdwenen soort losgelaten. In de zomer van 2013 vond een bestuurslid van de BBCT een donkere-tuinhommel-werkster. ‘Een werkster betekende dat minstens één koningin een nest was begonnen en in elk geval minstens enkele dochters had grootgebracht’, schrijft Goulson. De natuur is veerkrachtig, hij heeft gelijk. Maar net zo veerkrachtig als de natuur is de mens dom. Niet voor niets eindigt Goulson zijn redelijk optimistische boek met de volgende woorden van Aldo Leopold (schrijver, ecoloog, wetenschapper):

‘Het is de nieuwste loot aan de stam der onwetendheid wanneer iemand van een dier of plant zegt: Wat heeft het voor nut? Brengen flora en fauna in de loop van eonen iets voort wat we waarderen maar niet begrijpen, dan is wie er schijnbaar nutteloze onderdelen van afdankt een dwaas. Het behoud van elk wieltje en elk radertje is de belangrijkste voorzorgsmaatregel voor intelligent herstel.’

het lezen van het landschap (2)

‘Laten we (..) even nadenken over de leesbaarheid van het landschap, en over de vraag of de natuur ongeveer zo kan worden opgevat als literatuur, of net zo ervaren als kunst of muziek. Dat is allemaal een kwestie van taalvaardigheid. Men kan hier onmiddellijk tegenin brengen dat we allemaal, ongeacht opleiding en ervaring, de schoonheid van diverse kunstwerken en muziekstukken kunnen begrijpen, en dat is ook zo, maar het is ook waar dat ongeoefende zintuigen gemakkelijk vallen voor het zoete, lieve en romantische, en dat is ook goed, maar toch slechts een eerste aanraking, waarmee je maar zelden ver komt. Ook in de kunst moet je een taal leren, ook de muziek heeft haar verborgen nuances.

(..) Ik ben bang dat we de weg via het belangrijke moeten nemen voordat we bij het mooie komen. Wat wezenlijk is, blijft een kwestie van smaak.

(..) Wanneer de boomleeuwerik in maart uit het zuiden komt, gebeurt er iets met degene die zijn zang herkent. Er gebeurt ook wel iets met alle andere mensen, want vogelzang is altijd vogelzang, maar algauw zit het hele bos vol roodborstjes, heggenmussen, zanglijsters, groenlingen, boomkruipers en winterkoninkjes, die zingen voor wat ze waard zijn en dan is het net of dat broze geluk verdund wordt. Pas wanneer je ze kunt onderscheiden en hun namen kent, kun je verder lezen en uiteindelijk begrijpen. Hoe meer woorden je kent, hoe rijker de ervaring. Net als wanneer je een boek leest. Het zijn maar zelden de belangrijke boeken die het grootste leesplezier geven.’ (p. 189-193)

Uit De vliegenval van Fredrik Sjöberg.

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief