miljoenen toetsen van tedere liefde

Marcel Proust over muziek/ Swanns reactie op een regel uit een sonate van de (fictieve) componist Vinteuil:

‘(..) sinds, ruim een jaar geleden, de liefde voor de muziek, die hem veel van zijn eigen zielerijkdom had leren kennen, vooreerst althans in zijn leven was gekomen, zag Swann muzikale motieven als werkelijke ideeën, uit een andere wereld, van een andere orde, ideeën versluierd in duisternis, onbekend, ondoorgrondelijk voor het verstand, maar die daarom niet minder volstrekt verscheiden zijn van elkaar, onderling van ongelijke waarde en betekenis.’

‘Hij wist dat zelfs de herinnering aan de piano het vlak waarop hij alle muziek zag nog vertekende, dat het voor de musicus openliggende veld niet een pover klavier met zeven noten is, maar een onmeetbaar klavier, nog vrijwel geheel en al onbekend, waarvan maar hier en daar, van elkaar gescheiden door een dicht, onbezocht duister, enkele van de miljoenen toetsen van tedere liefde, hartstocht, levensmoed, sereniteit, waar het uit bestaat, elk even verschillend van de andere als het ene universum van een ander universum, ontdekt zijn door enkele grote kunstenaars die ons de dienst bewijzen, door de pendant van het thema dat zij hebben gevonden in ons wakker te roepen, dat zij ons laten zie wat een rijkdom, wat een verscheidenheid zonder dat wij het weten dat grote ondoorgronde, ontmoedigende donker van onze ziel die wij aanzien voor een leegte en voor een niets in zich bergt.’

‘Swann geloofde dus niet ten onrechte dat de frase van de sonate werkelijk bestond. Weliswaar menselijk in zoverre, behoorde het zinnetje toch tot een orde van bovenaardse schepselen die wij nooit hebben gezien, maar die wij desondanks vol verrukking herkennen wanneer enige onderzoeker van het onzichtbare er een weet te vangen en mee te brengen uit de goddelijke wereld waar hij toegang toe heeft, om voor even boven de onze te schitteren. Dat was wat Vinteuil had gedaan met het zinnetje. Swann voelde dat de componist ermee had volstaan het met zijn muziekinstrumenten te onthullen, zichtbaar te maken, de lijn ervan te volgen en te eerbiedigen met een zo liefdevolle, zo omzichtige, zo zachte en zo vaste hand dat de klank ieder ogenblik anders werd, vervagend om een schaduw aan te geven, verlevendigd wanneer hij langs het spoort een gewaagdere contour moest volgen.’

Marcel Proust, De Kant van Swann (p. 445-447/ vert. Thérèse Cornips en Anneke Brassinga, 2009)

//

quoi?

ada limón adrienne rich alejandro zambra aleksandar hemon ali smith alice notley alice oswald andré aciman andrea dworkin andrea wulf anna burns anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde ben lerner bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë erwin mortier ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonora carrington leslie jamison louise glück maggie nelson marcel proust maría gainza marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker piet oudolf poëzie rachel cusk rainer maria rilke rebecca solnit robert macfarlane robert walser robin wall kimmerer sara ahmed sara maitland siri hustvedt stefan zweig sue lloyd-roberts susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tjitske jansen tomas tranströmer valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

abonneer

Blogarchief