dinsdag 30 december 2014

toewijdingen

Ik heb er nu bijna vierhonderd pagina's van Bernard Dewulfs Toewijdingen op zitten. Het is lastig te vertellen wat Dewulf doet in zijn teksten: hij doet iets dat mij onmogelijk lijkt, maar hij flikt het door die onmogelijkheid uit te pluizen, om er vervolgens gebruik van te maken: hij kijkt en kijkt, geeft toe: ‘Het is moeilijk spreken over verf. Taal wil altijd iets zeggen, verf wil dat niet. Verf moet tot spreken gebracht worden, taal tot zwijgen’ (p. 223), maar vindt dan toch de juiste woorden. 

Verf wil niet spreken. Als het dat wel gewild had, was het geen verf geweest. Dewulf dwingt zichzelf ertoe die woorden op te diepen uit de dikke lagen, vele kleuren. 

Dewulf schrijft dan ook niet alleen óver kunst in zijn teksten. Hij gaat zitten in de beelden die hij ziet, hij wurmt zich tussen de lijsten, raakt kleuren aan en proeft de zee die staat, of ligt, hij mag het zeggen, het zijn zijn woorden. Hij verblijft daar. En in die ruimte, stilte, denkt hij na over wat hij ziet of ervaart. Het maakt dan niet uit wat een kunstenaar er zelf over heeft gezegd, hoewel hij het soms wel meeneemt in zijn beschouwingen.

Maar Dewulf doet niet in iedere tekst hetzelfde. Soms filosofeert hij, praat hij met een kunstwerk; een andere keer vertelt hij over een periode in het leven van een kunstenaar of de geschiedenis van een (beroemd of berucht) schilderij. Ook staan er in Toewijdingen verslagen van pelgrimages. Zo bezocht hij het bad van Pierre Bonnard in Le Cannet, Edvard Munchs huis en atelier, de woningen van Edward Hopper, het balkon waar Nicolas de Staël op 16 maart 1955 vanaf sprong, en zo meer. Dat zijn prachtige teksten, waarin Dewulf de lezer kort informeert over desbetreffende kunstenaars ‘terwijl’ hij wandelt waar Bonnard of Munch of Hopper ooit wandelde, ziet wat zij ooit zagen – en ook weer niet, natuurlijk.

André Aciman schreef ooit over zijn ‘Monetmoment’ (in het essayboek Alibi's):

‘Ik ben gekomen voor iets waarvan ik weet dat het niet bestaat. Want kunstenaars leren ons bijna nooit beter kijken. Ze leren ons anders kijken naar wat er te zien is. Ik wil Bordighera zien door de ogen van Monet. Ik wil zien wat er voor me ligt en wat hij verder zag dat er niet echt was en wat over zijn schilderijen hangt als de geest van een niet herinnerd landschap. Waarschijnlijk schilderde Monet vanuit iets wat meer in hemzelf was dan hier in Bordighera, maar met een afwijking die we herkennen alsof die ook altijd in ons is geweest.’

Ik moest hier veelvuldig aan denken bij het lezen van Toewijdingen. Staande in het appartement van Thierry De Cordier (‘In zijn afwezigheid zorg ik voor zijn uitzicht.’ p. 248) wil Dewulf de zee zien ‘zoals De Cordier ze opvoert in zijn werk’. Het is me niet helemaal duidelijk welk werk hij precies bedoelt, De Cordier heeft vaker geprobeerd de zee af te beelden. Eén zo'n poging was iets dat hij zelf een ‘kijkexperiment’ noemde; het werk Zeevenster. Ik zeg was omdat het werk, dat bestond uit ‘een grote lange spiegel, van naar schatting tweeënhalve bij een halve meter, die in een dikke witte lijst zat’, door de kunstenaar werd vernietigd. De Cordier wilde met behulp van die spiegel een tussenruimte creëren door het parallel te zetten met de zee (het zicht vanuit zijn appartement). ‘Ik was geobsedeerd door de eventuele mogelijkheid om het ijle of het “helemaal niets” in een vlak te vangen.’ Staande in die tussenruimte stond hij tussen twee ‘fictieve’ beelden in; de zee vanuit het raam en de zee in spiegelbeeld. Voordat hij het vernietigde ‘overschilderde’ De Cordier ‘de spiegel met zwarte gouache’ (sloot hij het beeld op?) en maakte er enkele foto's van.

Door dit verhaal van het Zeevenster te vertellen, en na te denken over het mysterie dat de zee al honderden jaren is, ook voor kunstenaars, door dat alles mee te nemen in zijn essay, raakt Dewulf verwijdert van wat hij ziet vanuit het appartement van De Cordier, maar laat hij de lezer wel beter begrijpen wat hij hoopt te zien en waarom. Dewulf doet dit keer op keer in Toewijdingen: hij verdwijnt in een werk, of het verhaal, en de lezer verdwijnt mee.

zaterdag 27 december 2014

a year in reading, 2014

Probeer ik een lijst samen te stellen van de beste boeken van het afgelopen jaar (niet per sé dit jaar uitgegeven), dan komen steevast Valeria Luiselli's De gewichtlozen, 22.04 van Ben Lerner en Rebecca Solnits essay-boeken A Fuild Guide to Getting Lost en The Faraway Nearby bij me op. Maar als ik aan Solnits essays denk, denk ik ook aan Een makelaar in Pruisen van Nicole Montagne en Valse papieren van André Aciman. En in mijn hoofd zijn de boeken van Luiselli en Lerner familie van Niña Weijers' De consequenties: personages in deze romans hebben ieder voor zich moeite met betekenis, vragen zich af of dat überhaupt wel bestaat.

En nu ik al deze titels al genoemd heb, kan ik het niet laten maar gewoon te blijven ratelen; ik las veel mooie boeken dit jaar. Ik was erg onder de indruk van Claire Vaye Watkins' korte verhalen-bundel Battleborn; Alice Munro's verhalenboek of roman (ik ben er nog altijd niet uit) Levens van meisjes en vrouwen is momenteel mijn favoriete Munro-boek; ik las veel van Siri Hustvedt (haar nieuwste roman De vlammende wereld is tot nu toe favoriet); ik maakte kennis met James Salter: Lichtjaren is schitterend. Tevens het vermelden waard: De Thibaults van Roger Martin du Gard, Geen tijd voor Proust van Jelle Noorman, Cees Nootebooms Berlijn en Teju Cole's Elke dag is voor de dief. (Mijn volledige leeslijst vind je hier.)

Momenteel lees ik twee boeken. 1: Toewijdingen van Bernard Dewulf, een boek gevuld met beschouwingen over schilderkunst. Dewulf kan prachtig schrijven, neemt tijd om te observeren en denken (ook op papier). Uiteraard staan er tevens minder interessante teksten in, maar die zijn in de minderheid. Ik lees nu over Spilliaert, Ensor, Permeke en De Cordier in Oostende en de aantrekkingskracht van de zee. 2: De wereld van gisteren van Stefan Zweig. Hier verwacht ik veel van: de boeken die ik van Zweig gelezen heb (Journey Into the Past en Schaaknovelle) vond ik erg mooi; De wereld van gisteren schijnt zijn meesterwerk te zijn.

dinsdag 16 december 2014

een verhaal met een angel

‘De parabel van de hommel: vanwege het zware gewicht van zijn lichaam en het te kleine draagvlak van z’n vleugels kan de hommel - technisch gezien - onmogelijk vliegen. De hommel zelf weet dat niet. [Maar] hij vliegt.’ (bron)

Ik weet niet of bovenstaande bewering waar is, maar dat is niet van belang. De onmogelijke hommel heeft me niet meer losgelaten; ik wil meer over het beestje (en soortgenoten) weten. In oktober las ik De Vliegenval (uitgeverij Ad. Donker, vertaling Geri de Boer), een prachtig uitgegeven boek waarin Fredrik Sjöberg, bekend (zweef)vliegen-onderzoeker, zijn passie onder woorden brengt door de lezer mee te nemen in zijn gedachtenstroom. Dat levert een mix van essay, (auto)biografie, reisverhaal en natuurbeschrijving op; een persoonlijke tekst die het leven, de hartstocht, onderzoekt.

Afgelopen week las ik Een verhaal met een angel (uitgeverij Atlas Contact, vertaling Nico Groen) van Dave Goulson. Ook Goulson schrijft met passie over zijn lievelingsinsect: de hommel. In zijn mooie bijenboek vertelt hij over de in Groot-Brittannië verdwenen donkere tuinhommel (deze schijnt ook in Nederland zeer zeldzaam te zijn), over een jaar in het leven van de hommel, over warmbloedige hommels en het introduceren van uitheemse soorten bijen of hommels in Tasmanië, Nieuw-Zeeland en Australië (en de gevolgen daarvan), over hommelsnuffelhonden; over heel veel meer.

De laatste hoofdstukken gaan over bijensterfte (een onderwerp waar Sjöberg zich niet al te veel mee bezig houdt in zijn boek). In Een verhaal met een angel is te lezen dat het gebruik van kunstmest minstens zo dodelijk is als al die bestrijdingsmiddelen:

‘Door goedkope kunstmest op hooivelden te gebruiken groeit gras veel sneller en kan het in lente en zomer vele keren worden gemaaid, wat een grote, betrouwbare voorraad wintervoer oplevert. Een ongelukkig neven-effect is dat het gebruik van kunstmest op hooivelden er al snel toe leidt dat bijna alle wilde bloemen verdwijnen. Klaver en andere vlinderbloemigen, die altijd in het voordeel waren omdat ze stikstof uit de lucht aan zich konden binden, raken dat voordeel kwijt wanneer met stikstofverbindingen (nitraten) wordt gestrooid en leggen het af tegen snel groeiende grassoorten.’ (p. 33)

En dat terwijl bijen en hommels het juist moeten hebben van vlinderbloemigen.

Dave Goulson is een bioloog en wetenschapper, hij denkt in oplossingen. In 2005 besloot hij een ‘liefdadigheidsorganisatie uitsluitend voor hommels’ te starten, de Bumblebee Conservation Trust (BBCT). In plaats van het opkopen van land ‘richt de organisatie zich op samenwerking met landeigenaren en beheerders, maakt ze mensen ervan bewust dat er zeldzame soorten in bepaalde gebieden voorkomen en stimuleert ze waar mogelijk de aanleg van nieuwe bloemrijke leefomgevingen. Een groot deel van die 2000 hectare is er gekomen doordat de BBCT boeren heeft gestimuleerd en geholpen om mee te doen aan milieubeschermingsprogramma's, op grond waarvan ze overheidssubsidie kunnen aanvragen om bloemrijk grasland te creëren en te beheren.’ (p. 279)

Ik vraag me af hoeveel mensen weten dat het niet heel ingewikkeld is om bijen te helpen. Het lijkt vanzelfsprekend dat kunstmest slecht is voor de grond, maar om een of andere reden blijft veel kennis op het oppervlak van ons bewustzijn drijven en dringt het simpelweg niet echt door. We maken zoveel kapot door te knoeien met iets dat miljoenen jaren lang intelligent genoeg was om zichzelf in stand te houden.

Meer dan bioloog en wetenschapper is Goulson liefhebber. Sinds 2003 bezit hij een stukje land met een oud boerderijtje in Frankrijk. In tien jaar tijd heeft hij het ‘grote saaie grasveld dat ik tien jaar geleden kocht langzaam (..) zien veranderen in een gevarieerde bloemenwei’ (p. 257). Ietsje verderop (p. 261) schrijft hij:

‘Ik beschouw het als een grote troost dat de natuur haar rechten weer opeist. In bijna elke wei doen zich vergelijkbare veranderingen voor wanneer je die maar lang genoeg met rust laat, niet telkens omploegt en met chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest overspoelt. De natuur is veerkrachtig en heeft alleen maar een beetje ruimte en een beetje tijd nodig.’

Een verhaal met een angel eindigt met het uitzetten van donkere tuinhommel-koninginnen uit Zweden in Groot-Brittannië. Bij Dungeness werden in 2012 én 2013 koninginnen van de verdwenen soort losgelaten. In de zomer van 2013 vond een bestuurslid van de BBCT een donkere-tuinhommel-werkster. ‘Een werkster betekende dat minstens één koningin een nest was begonnen en in elk geval minstens enkele dochters had grootgebracht’, schrijft Goulson. De natuur is veerkrachtig, hij heeft gelijk. Maar net zo veerkrachtig als de natuur is de mens dom. Niet voor niets eindigt Goulson zijn redelijk optimistische boek met de volgende woorden van Aldo Leopold (schrijver, ecoloog, wetenschapper):

‘Het is de nieuwste loot aan de stam der onwetendheid wanneer iemand van een dier of plant zegt: Wat heeft het voor nut? Brengen flora en fauna in de loop van eonen iets voort wat we waarderen maar niet begrijpen, dan is wie er schijnbaar nutteloze onderdelen van afdankt een dwaas. Het behoud van elk wieltje en elk radertje is de belangrijkste voorzorgsmaatregel voor intelligent herstel.’

maandag 8 december 2014

in memory of w.g. sebald (2): one leaves behind one's portrait

Wederom een fragment uit Ariadne's Thread: in Memory of W.G. Sebald van Philippa Comber (p. 215-216):

‘Like many of Max's later protagonists, [Matthias] Grünewald was a loner and a melancholic, of the type that came to be known in German as a Sonderling, an eccentric solitary. According to Claudio Magris, the figure of the Sonderling recurs “time and time again in German literature ... many of the heroes of [E.T.A.] Hoffmann and Jean Paul Richter are Sonderlinge ... all inspired by lacerating nostalgia and methodical rigour. ¹ In this instance, I believe there's an even stronger identification between Max and his protagonist. In the preceding section of the poem [‘As the Snow on the Alps’], he describes a self-portrait by Grünewald, which he had discovered in the library at Erlangen:
... Selbstbildnis eines vierzig

bis fünfzigjährigen Malers.
Immer dieselbe
Sanftmut, dieseble Bürde der
Trübsal,
dieseble Unregelmäßigkeit der
Augen, verhängt
und versunken seitwärts ins
Einsame hin.
... a self-portrait ... of a painter aged
forty
to fifty. Always the same

gentleness, the same burden
of grief,
the same irregularity of the eyes,
veiled
and sliding sideways down into
loneliness.
 ²
No doubt Max would have observed the portrait very closely; at the same time, it seems to be nothing short of a description of himself – down to the details of age, disposition and temperament. It is a passage, I think, to be read alongside the final lines of a poem Max had written some nineteen years before, in 1967:
Man histerläßt sein Porträt
Ohne absicht
One leaves behind one's portrait
Without intent. ³’



¹ uit Claudio Magris' Danube
² uit ‘Wie der Schnee auf den Alpen’ / ‘As the Snow on the Alps’, deel 1 van Nach der Natur / After Nature (Engelse vertaling door Michael Hamburger) (Nederlandse titel Naar de Natuur)
³ uit ‘Giuliettas Geburtstag’ / ‘Giulietta's Birthday’ in Über das Land und das Wassen – Ausgewählte Gedichte 1964-2001 / Across the Land and the Water – Selected Poems 1964-2001 (Engelse vertaling door Iain Galbraith) (nog niet in het Nederlands verschenen)

vrijdag 5 december 2014

in memory of w.g. sebald

Uit Philippa Combers excellent memoir Ariadne's Thread:

‘As the months wore on, Max's books were attracting more and more public acclaim in Europe – most particularly, in Germany (English translations had yet to appear). Yet the trappings of fame never sat comfortably with him, neither at this point nor in the years that followed. This can be illustrated by something Max told us later that summer.
       He came round and gave a jaw-dropping account of how things had gone in Berlin in June, where he'd been to receive the Johannes Bobrowski Medal for The Emigrants. “An outrageous lump of metal,” he fumed, “which I had no intention of bringing home with me...” After the award ceremony, he'd taken the “lump”, made his way to the Kleiner Wannsee – down to the eastern shore of the lake – and hurled the medal into the water, where it sank without trace.
       As so often with Max's stories, the comedy of the situation was bitter-sweet: it was on this precise spot that on 21 November 1811, the thirty-four-year-old Heinrich von Kleist, having entered a suicide pact with the terminally-ill Henriette Vogel, had first shot his friend and then turned the pistol on himself.’ (p. 171)