Posts tonen met het label feminisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label feminisme. Alle posts tonen

once upon a time there was a wicked witch

ze wist dat de wereld dol is op machtige mannen en machtige vrouwen haat. is dat waar? ja, dat is waar. [herinneringen aan de toekomst/ siri hustvedt]

andrea dworkin/ woman hating:




de regels gelden niet

Eerder dit jaar las ik het woeste boek Why I Am Not a Feminist van Jessa Crispin. Crispin is van mening dat het feminisme wordt misbruikt en deels is overgenomen door het systeem dat de suffragettes en eerste feministen juist verafschuwden: het patriarchaat, het kapitalisme. Ze is woest omdat het niet langer een beweging van verzet is, maar van verbetering. Verbetering wijst op participatie, terwijl verzet afkeuring betekent. En verzet is wat nodig is: het systeem is kapot, het blijft mensen buitensluiten op basis van ras, milieu, geaardheid, achtergrond, religie (etcetera). Het is aan vervanging toe: een likje verf doet geen wonderen als de fundatie verrot is.

Crispin:
The patriarchy is more than a matter of a woman's personal freedom. It is not us versus them. It is the system by which the powerful maintain their position through the control and the oppression of many. Misogyny, as well as racism, homophobia, and whatever word we will come up with to classify the pretty obvious fear and hatred of the impoverished that dominates our public life, is a logical outgrowth of the patriarchy. In order to take advantage of someone, in order to think of them as a resource to be exploited, it helps to dehumanize them. (p56)

Machthebbers vinden het vanzelfsprekend dat ze zich weinig tot geen zorgen hoeven te maken over onderdak, voedsel, onderwijs, recht, zorg. Sterker: het is alsof die macht een prestatie is, en het gevolg van het maken van de juiste keuzes. 

Deze machthebbers maken deel uit/ zijn de leiders van het patriarchaat. Of ze nu man of vrouw zijn.

*

Bij het lezen van Ariel Levy's memoir De regels gelden niet dacht ik regelmatig terug aan Jessa Crispins boek. Levy is wit, hoogopgeleid, en is zo iemand die een warm plekje toebedeeld heeft gekregen in de hiërarchie van het patriarchaat. Hoewel ze hier weet van heeft is het niet iets dat haar werkelijk bezig houdt.

Dat kan ze zich veroorloven. Haar boek getuigt hiervan.

Nu kun je zeggen: misschien is dit wat ze heeft geschreven om juist dát in beeld te brengen: veel mensen gebruiken wat er te gebruiken valt en willen zich geen zorgen hoeven maken om het lot van anderen. Anderen: zij die niet in Levy's bubbel wonen; zij, de mensen die ze in de brandende zon op velden ziet werken en ze van afstand identificeert als mensen uit Mexico of Guatemala; zij, de mensen die haar boodschappen komen brengen en Aziatisch of Latijns-Amerikaans zijn. Zij; de Anderen. 

Als dat haar bedoeling was had ze enige contemplatie moeten toepassen, ergens. Bovendien: white privilege is reeds alomtegenwoordig, er zijn voorbeelden te over. Juist omdat zij deel uitmaakt van die klasse had ze daar iets mee moeten doen, had ze er in ieder geval op papier over mogen nadenken. Levy erkent haar bevoorrechte positie, en de voor(oor)delen die dat met zich mee brengt, maar ze haalt tegelijkertijd haar schouders op; niets aan te doen.

Levy laat verdieping aldoor achterwege. Het boek is opvallend oppervlakkig.

*

Crispin:
Being marginalized should have awoken us to how the system works. It should have made us acutely aware of the other people who were not protected. Instead it made us selfish. It made us focused on our own advancement, our own entitlement. (p65)

*

Iets anders dat me opviel: Levy's feminisme is nogal ouderwets, en draait vooral om controle. Ik vraag me oprecht af of Levy wel eens een feministisch boek heeft gelezen dat niet door een witte vrouw is geschreven. Haar feminisme maakt deel uit, en gebruik, van het bestaande systeem, en Levy lijkt totaal niet geïnteresseerd in verzet of hervorming. 

Voorbeelden:

We zijn opgevoed met de gedachte dat we alles konden doen wat we maar wilden, dat we vrij waren om onszelf te zijn. En veel van de revolutionaire dromen van onze ouders waren ook uitgekomen. Een zwarte man kon zowaar president worden. Het was min of meer oké om homo te zijn, en zelfs om te trouwen als homo. Als vrouw kon je een veeleisende carrière hebben en hoefde je niet per se echtgenote of moeder te worden (ook al had het nog steeds de voorkeur: het oudevrijsterschap had zijn stigma nog bepaald niet verloren). (p20)

Vrouwen van mijn generatie kregen dankzij het feminisme de macht over ons handelen in de schoot geworpen: de overtuiging dat we zelf mochten uitmaken hoe we ons leven wilden leiden en wat er van ons zou worden. (p75)

Ik wilde wat zij ook wou, wat we allemaal willen: alles. We willen een maatje dat even vertrouwt voelt als familie en een exotische, verrassende bedgenoot. We willen jonge avonturiersters zijn en middelbare moeders. We willen intimiteit en autonomie, geborgenheid en spanning, geruststelling en het onbekende, gezelligheid en opwinding. (p96)

‘We’, schrijft Ariel Levy, maar ze sluit Anderen buiten door te generaliseren.

Het stoort mij dat een veelgelezen schrijver, door zichzelf en de media feminist genoemd, niet in de gaten heeft dat ze schade aanricht door bijvoorbeeld oeroude fabels over vrouwen en het moederschap in stand te houden. Het lijkt er op Levy daar niet bij heeft stilgestaan, en dat is mijn probleem met De regels gelden niet: het voelt alsof er niet, of maar half, over het werk is nagedacht. Het ontbreken van die reflectie is voor mij een groot struikelblok.

problems with names, or: the figure of the killjoy/ sara ahmed

Uit het eerste hoofdstuk van Sara Ahmeds Living a Feminist Life (Duke University Press 2017), ‘Feminism Is Sensational’ (to be clear: iedere witregel betekent einde/ begin van alinea/ fragment. Ik heb lukraak overgetypt wat ik in mijn boek heb onderstreept. Vermelden dat alle woorden uit het eerste hoofdstuk komen lijkt mij op deze plek voldoende. Woorden die dik zijn of schuin staan, doen dat ook in Ahmeds boek.):

Feminist work is often memory work.

You are taught to care for yourself by being careful about others.

Documentation is a feminist project; a life project.

Sometimes it might even seem that it is as or even more tiring to notice sexism and racism than to experience sexism and racism: after all, it is this noticing that makes things real.

In Sister Outsider, Audre Lorde describes the words racism and sexism as "grown up words". We encounter racism and sexism before we have the words that allow us to make sense of what we encounter. Words can then allow us to get closer to our experiences; words can allow us to comprehend what we experience after the event. We become retrospective witnesses of our becoming. Sexism and racism: if they are problems we have given names, the names tend to lag behind te problems.

Feminist and antiracist consciousness involves not just finding the words, but through the words, how they point, realizing how violence is directed: violence is directed toward some bodies more than others. To give a problem a name can change not only how we register an event but whether we register an event. Perhaps not having names is a way of turning away from a difficulty that persists whether or not we turn away. Not naming a problem in the hope that it will go away often means the problem just remains unnamed. At the same time, giving the problem a name does not make the problem go away. To give the problem a name can be experienced as magnifying the problem; allowing something to acquire a social and physical density by gathering up what otherwise would remain scattered experiences into a tangible thing. Making sexism and racism tangible is also a way of making them appear outside of oneself; something that can be spoken of and addressed by and with others. It can be a relief to have something to point to; otherwise you can feel alone or lost. We have different tactics for dealing with sexism and racism; and one difficulty is that these tactics can be in tension. When we give problems their names, we can become a problem for those who do not want to talk about a problem even though the know there is a problem. You can cause a problem by not letting things recede.
         We need to acquire words to describe what we come up against. Becoming feminist; finding the words. Sexism is another such word. It often arrives after the event: we look back and we can explain things that happened as sexism. To name something as sexist does not make something there that was not there before; it is a sexist idea that to describe something as sexist is to make something sexist. But naming something as "sexism" does do something. Because, after all, to name something as sexist is not only to name something that happens as part of a wider system (to refuse to give what happens the status of an exceptional event), but it is also to give an account of that something as being wrong and unjustifiable. To name something as sexist is not only to modify a relation by modifying our understanding of that relation; it is also to insist that further modification is required. When we say, "That's sexist," we are saying no to that, as well as no to the world that renders such a speech or behavior permissible; we are asking individuals to change such that these forms of speech and behavior are nog longer acceptable or permissable.
         Not just individuals: the point is that individuals are encouraged and rewarded for participating in sexist culture. It might be a reward given through affirmation from peers (the egging on that allows a group to solidify over how they address others as imposters). But institutions also enable and reward sexist behavior: institutional sexism. Sexual banter is so often institutionalized. You might participate in that banter because it is costly not to participate: you become the problem, the one who is disapproving or uptight. You are treated as policing the behavior of others simply by virtue of not participating in that bevior. Not participating can be judged as disapproval whether or not you make that judgment. You are judged as taking something the wrong way when you object to something. When we give an account of something as sexist or racist, we are often dismissed as having a faulty perception, as not receiving the intentions or actions of others fairly or properly. "I didn't mean anything by it," he might say. And indeed then by taking something said or done the wrong way, not only are you wrong, but you are misunderstood as ommitting a wrong against someone else. When you talk about sexism and racism, you are heard as damaging the reputation of an individual or an organization.

When you expose a problem you pose a problem.
         It might then be assumed that the problem would go away if you would just stop talking about it or if you went away. The charge of sensationalism falls rather quickly onto feminist shoulders: when she talks about sexism or racism, her story is heard as sensationalist, as if she is exaggerating for effect. The feminist killjoy begins as a sensationalist figure. It is as if the point of making her point is to cause trouble, to get in the way of the happiness of others, because of her own unhappiness.

She makes things tense.

Rolling eyes = feminist pedagogy. 

We can see now how feminism is refuted or dismissed as simply a personal tendency, as if she disagrees with something because she is being disagreeable; as if she opposes something because she is being oppositional.

Feminists: looking for problems. It is as if these problems are not there until you point them out; it is as if pointing them out is what makes them there.

We become a problem when we describe a problem.

Poor him

Mean

When you question sexism and racism it is hard not to question everything.
         That is another promise.

The experience of being feminist is often an experience of being out of tune with others. The note heard as out of tune is not only the note that is heard most sharply but the note that ruins the whole tune.

To be misattuned is to be out of sync with a world. Not only that: it is to experience what is in tune as violence.

If alienation is sensation, it is not then just or only the sensation of negation: of experiencing the impress of a world as violence, although it includes those feelings. Alienation is studious; you learn more about wishes when they are not what you wish for.

It is when we are not attuned, when we do not love what we are supposed to love, that things become available to us as things to ponder with, to wonder about. It might be that we do destroy things to work them out. Or it might be that working them out is perceived as destroying things.

de oorlog tegen vrouwen

Het feminisme heeft zijn doel nog lang niet bereikt. Voor de witte, westerse vrouw is er veel veranderd maar in grote delen van de wereld heeft de eerste feministische golf niet plaatsgevonden. Het is voor veel vrouwen levensgevaarlijk om geboren te worden.

Zo nu en dan komt er in de Nederlandse media een bericht langs over Vrouwelijke Genitale Verminking (VGV), vrouwenhandel, of Indiase kindbruidjes, maar die berichten verdwijnen snel en maken nauwelijks indruk. Wie weet überhaupt wat VGV is? Details zijn ongemakkelijk, maar Sue Lloyd-Roberts weet dat juist die details het verschil maken en schuwt ze niet in haar boek De oorlog tegen vrouwen.

De Wereldgezondheidsorganisatie definieert vrouwenbesnijdenis als ‘elke procedure waarbij een deel van of de gehele externe vrouwelijke genitaliën worden verwijderd of enige andere beschadiging van de vrouwelijke geslachtsorganen om niet-medische redenen’. Er zijn volgens de organisatie vier typen. In veel gevallen wordt de clitoris verminkt of verwijderd; soms worden schaamlippen, zowel binnenste als buitenste, weg- of doorgesneden. Dat laatste gebeurt om de vaginale opening te vernauwen; alles om seksueel genot voor vrouwen onmogelijk te maken. Meisjes worden jong besneden, en alles vindt zonder verdoving plaats. Sommige meisjes bloeden dood na zo een snij-partij. VGV bestaat nog altijd omwille van het geloof dat een meisje geen man krijgt als ze niet besneden is, ze zou dan onrein of oneerbaar zijn; mensen hechten waarde aan traditie.

Dat is waar we het over hebben als we het over misogynie hebben; traditie. Het is om gek van te worden, ook voor Lloyd-Roberts. Ze schrijft:

Ik wil het op een krijsen zetten als ik hem het woord ‘traditie’ hoor aanvoeren als uitleg. Hoeveel misdaden worden er over de hele wereld tegen vrouwen gepleegd uit naam van de traditie? De mensheid raakt steeds beter geïnformeerd, geglobaliseerd, en meer onderlegd, zou je denken, dus waarom blijven mensen maar verwijzen naar achterhaalde en onverklaarbare tradities die spotten met het gezond verstand, en zelfs met de wet? Wat is het toch vreselijk handig om tradities aan te voeren om vrouwenhaat te verhullen en zelfs misdadig gedrag te legitimeren.

In Pakistan, Egypte, Saoudi-Arabië, India, is het traditie een vrouw te behandelen als bezit. Veel meisjes worden niet geboren: als tijdens echo’s wordt opgemerkt dat er een meisje in aantocht is wordt de zwangerschap regelmatig vroegtijdig beëindigd. Mag ze toch geboren worden, dan wordt ze zo snel mogelijk uitgehuwelijkt omdat ze anders te veel geld kost. Volgens de wet mogen meisjes in India niet trouwen voor ze 18 jaar oud zijn (jongens moeten minimaal 21 jaar zijn), maar het komt voor dat meisjes al een huishouden moeten bestieren voordat ze tiener zijn.

Ondanks de lage sociale status van vrouwen, hangt de eer van een familie wel af van de kuisheid en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van dochter, zus, en/of echtgenoot. Een meisje is echter al niet langer puur als door familie wordt opgemerkt dat iemand anders dan haar (toekomstige) echtgenoot naar haar kijkt. In dergelijke gevallen is een meisje haar leven niet langer zeker, eerwraak wordt te weinig bestraft om de moord niet te plegen. Als de moordenaar al wordt gearresteerd en vervolgd, zit hij slechts een paar maanden vast en wordt thuis vervolgens als held onthaald: de familie-eer is gered.

Sue Lloyd-Roberts was (ze overleed in oktober 2015 aan een zeldzame vorm van leukemie) een moedige journalist, uit de teksten in De oorlog tegen vrouwen blijkt dat ze ongestoord vragen bleef stellen, en zich door walging of woede of ontzetting niet liet stoppen. Bovendien weet ze ieder verhaal in context te plaatsen, waardoor duidelijk wordt dat het onrecht dat deze vrouwen wordt aangedaan blijkt te kunnen bestaan omdat niemand zin heeft in verandering, omdat het een enorm schandaal kan opleveren, of omdat er om bureaucratische redenen weinig tot niets aan te doen is.

Sue Lloyd-Roberts benoemt in dit boek zonder omwegen wat ze ziet of hoort of denkt, maar weet haar verhalen zo in elkaar te zetten dat er niet alleen maar een opsomming gruwelen overblijft. Veel van deze verhalen zijn herinneringen aan en reflecties op documentaires die ze eerder maakte. Lloyd-Roberts was niet per sé feminist, maar kwam na dertig jaar filmmaken tot de conclusie dat vrouwen toch wel erg vaak het slachtoffer zijn van situaties die in stand worden gehouden door mannen. Hoe is het mogelijk dat vrouwen, een groep bestaande uit meer dan de helft van de wereldbevolking, nog altijd als minderheid worden behandeld? Het is een politieke kwestie, vermoedde Lloyd-Roberts. Het is een kwestie die nog altijd niet als prioriteit wordt beschouwd, ook in onze Westerse wereld wordt vrouwenhaat regelmatig gezien als luxeprobleem.

(Ook hier.)

i love dick

semiotext(e) native agents, 2006
[ for the record: dit is een samenraapsel van aantekeningen die ik maakte terwijl ik I Love Dick van Chris Kraus voor de tweede keer las. i like it like this ]

*

Ik ben nu even gestopt met lezen omdat ik blijf nadenken over iets dat Chris, of eerder Dick, zei: Mannen verpesten nog steeds het leven van vrouwen. Ja, Dick beweert het en Chris denkt er over na, en over de man die (volgens haar) haar leven verpestte. (Zo nu en dan zegt Dick wel iets zinnigs maar dat maakt ‘m niet minder hufterig.)

Ik heb er moeite mee om iemand die anderen beschuldigt van het verpesten van zijn/haar leven serieus te nemen, mij is altijd verteld dat je gekwetst voelen een keuze is, en die pijn vervolgens jouw eigen schuld. Jeweetwel, dat idee. Maar dat idee haalt (o.a.) het idee van racisme, seksimse onderuit, en het laat geen argument heel. Dat idee zorgt ervoor dat je je nooit zou hoeven te verontschuldigen omdat je je dingen (beschuldigingen) zelf aantrekt (als een kledingstuk? Het past? Ik trek ‘m aan? Dat gezegde. Wie de .. past trekke ‘m aan. Ik ben ‘m kwijt, ik heb een hekel aan gezegdes, laatmaarzitten.) en is dus eigenlijk een techniek jezelf te beschermen tegen conflict en is dus eigenlijk hufterig. Bovendien. Als iemand iets tegen jou zegt, in-your-face, dan is dat persoonlijk bedoeld en is het onmogelijk een dergelijke opmerking te negeren. Je zou kunnen zeggen dat het je niet past maar wie is er niet gevoelig voor kritiek? En dat is ook niet erg. En nadenken, over kritiek of opmerkingen of beschuldigingen nadenken is ook niet erg. Het is wat mij betreft simpelweg een belediging (of: bewijs van gemakzucht, kortzichtigheid?/ maar dat zal wel aan mij liggen) te beweren dat niemand anders ooit schuld heeft aan dingen, dat alle verantwoordelijkheid ligt bij de gekwetste, want dat is onmogelijk. Onmogelijk. En niet waar.

Hoewel ik het er dus niet mee eens ben dat een mens volledige controle kan hebben (dat geldt voor zowel buiten als binnen het hoofd) zit dat idee in mijn systeem gebakken, hoe graag ik ’t ook los wil bikken, kwijt wil, en vond ik dit idee lastig. Maar ook weer niet want ik weet: Dick heeft gelijk: mannen verpesten nog steeds het leven van vrouwen. Dit heeft geen uitleg of voorbeelden nodig. En ik vind het stoer dat Chris vervolgens nagaat of haar dat zelf is overkomen. (Natuurlijk, ze is intelligent en ooit voelde een leraar zich daar ongemakkelijk bij. Hij nam haar niet serieus, suggereerde dat ze misschien meer geld kon verdienen met haar lijf dan met haar brein.)

Ik vind I Love Dick 't best als ik alleen Chris lees; haar gedachten haar ideeën haar fouten haar verlangens haar verleden haar heden. Die Chris begint de boventoon te voeren zodra, noem het toeval, ze haar man heeft verlaten.

*

lebowski publishers, 2016
Maar waarom vind ik I Love Dick zo goed? omdat Chris nadenkt en dingen zegt die niet makkelijk te zeggen zijn, het boek verbergt niets en is zo slim en fuck dit is moeilijk want ik kan het niet zeggen met woorden die niets meer betekenen (superlatieven zijn saai), ik kan alleen zeggen dat ik ervan houd omdat er onbedwingbare angsten, verlangens ter sprake komen, en grote ideeën en vage vermoedens; omdat er heel veel vrouwen worden genoemd die denken of schrijven of hebben geschreven of ooit nadachten; en omdat het aandacht besteedt aan dingen die ik belangrijk vind: ideeën, geschiedenis, de holocaust, kunst, psychiatrie, literatuur, taal. Taal! Mensen in mijn omgeving weten niet langer wat ze bedoelen met woorden, ze zouden net zo goed een ander woord kunnen gebruiken en voor hun gevoel hetzelfde beweren, maar zo werkt dat niet en dat maakt me zo boos, want ik blijf maar zoeken naar nieuwe woorden, zinnen, ideeën, of wellicht bedoel ik gewoon verdieping. De wereld mag van mij steeds groter worden, ook al is die niet altijd even mooi of makkelijk of herkenbaar. En dat is wat ik zo waardeer aan Chris Kraus en I Love Dick, het laat zich niet tegenhouden door grenzen of lelijke/ moeilijke dingen. Niet alleen in dat leven van Chris in I Love Dick, het boek zelf is natuurlijk ook niet te vangen, (zoveel is wel duidelijk dunkt mij) en ik weet niet wát het is (ik heb het nu over genre), maar dat is niet belangrijk, het boek dat hier ligt is belangrijk, de tekst die is gemaakt, de woorden gedacht/ getypt, whatever, het is er en het is belangrijk.

c’est moi, wen er maar aan

In De Groene Amsterdammer van deze week staat weer een fijn stuk van Niña Weijers – haar columns zijn vaak de moeite waard, en vorige week kwam ik al een inspirerend essay over niet-perfecte romans van haar tegen in De Gids. Weijers schrijft in haar nieuwste column over middelbare, witte schrijvers die schrijven en praten over andere middelbare, witte schrijvers. Na wederom een ‘dickfest’ te moeten hebben doorstaan, een interview met een man door een man over een man, komt Weijers op haar hotelkamer tot de conclusie dat ze alleen maar vrouwelijke schrijvers bij zich heeft: Valeria Luiselli, Clarice Lispector, Zadie Smith, Astrid Roemer, Hilary Mantel, Emma Cline, Maggie Nelson, en zo meer. Haar conclusie:

‘Ik bleef een tijdje naar mijn boeken staren en een grote tevredenheid maakte zich van me meester, alsof ik zojuist een ingewikkelde som op een zuivere, exacte manier had opgelost. Ik had helemaal genoeg van mannen, dat was het! Ik had geen zin meer om naar ze te luisteren als ze zelfvoldaan over hun buik zaten te wrijven op een podium, en blijkbaar had ik ook geen zin meer om ze te lezen.
       Een vreselijk seksistische gedachte natuurlijk, politiek incorrect en hopeloos tweede golf-achtig. Maar daar, in de beslotenheid van mijn kamer, kwam het me voor als een overwinning. Zonder dat ik het echt in de gaten had gehad, had zich in mij een proces voltrokken: wat vrouwen, vrouwen in deze tijd, schrijven vind ik interessanter dan wat mannen schrijven. Vrijer, wilder, slimmer, eerlijker en zonder met stokpaardjes over het verschil tussen fictie en non-fictie op de proppen komen, omdat ze dat verschil allang hebben gebagatelliseerd.
       Een opmerkelijke conclusie voor iemand die eigenlijk altijd van mening is geweest dat gender er niet zo veel toe doet in de literatuur. Moest ik dit nu ook aan de grote klok gaan hangen? Ik twijfelde, tot ik Hilary Mantel las, die beschrijft hoe ze begon aan haar fenomenale memoire De geest geven: “Ik doe het gewoon, denk ik bij mezelf, ik steek mijn handen uit en zeg: c’est moi, wen er maar aan.”’

heroines

Ik las gisteren Heroines van Kate Zambreno uit, het boek dat de levens van vrouwen uit de schaduwen van hun beroemde schrijvende echtgenoten sleurt. Het gaat over vrouwen die zelf wilden creëren maar door overheersende mannenmeningen ziek werden verklaard; mad women: een vrouw werd hysterisch genoemd als ze zich niet aldoor bezig hield met het huishouden of de kinderen, als ze zelf nadacht, als ze ambities bleek te hebben; ze mocht niet schrijven, of acteren, of schilderen, want dat was een symptoom van hysterie. Bovendien werd alles wat deze vrouwen wel maakten, gecensureerd. Schrijven over eigen ervaringen was niets waard, het leverde immers slechte literatuur op. Die ervaringen, en soms ook hun schrijfsels, werden daarom maar van hun afgenomen door hun partners. F. Scott Fitzgerald, bijvoorbeeld, schreef over zijn mad woman, en maakte gebruik van Zelda's aantekeningen, maar niet voordat het Zelda werd verboden, door haar man en een dokter, zelf over psychiatrie en haar verblijf in klinieken te schrijven; het werd haar verboden te schrijven over zichzelf. Zambrena omschrijft dit fenomeen als ‘[..) she's not her own author. She's a character.’ (p. 234). Fitzgeralds argument: Zelda was zijn muze. Oh, en er zou naast het genie geen plaats zijn voor een middelmatige schrijver.


Over muzen gesproken — Colette Peignot (Frans schrijfster) was volgens George Bataille de zijne. Na haar dood, ze stierf op haar vijfendertigste aan tuberculose, vond Bataille de volgende zin in nagelaten werk: ‘The poetic work is sacred in that it is the creation of a topical event, ‘communication’ experienced as nakedness.’

Zambreno:

‘This is the moment of clairvoyance for Bataille, that he will later mythologize, as he had just been writing, he says later, the same identical sentence. (They share the same mind, or he shares hers, that is how HE the modernist genius views his muse, Fitzgerald who wanted Zelda to be a “complementary intelligence.”)’ (p. 134)

Heroines is een schitterend, woedend boek.

Heroines gaat natuurlijk over veel meer, maar ik neem dit als voorbeeld omdat ik nu Vrouw van Karl Ove Knausgård lees. En dat voelt raar, want ook Knausgård is getrouwd met een vrouw met ambities. Ze schrijft. En is echtgenoot en moeder. En kampt met een psychische stoornis. Zoals veel vrouwen in Heroines volgens het (aldoor groeiende) DSM-boekje kampen met psychische stoornissen.

F. Scott Fitzgerald had ook psychische problemen, gedroeg zich net als Zelda, maar zij werd in klinieken opgesloten terwijl hij, in vrijheid, dronk. Hij kon doen wat hij wilde, hoezeer hij zich ook bezatte.

Karl Ove Knausgård doet eveneens wat hij wil. Ook hij probeerde zijn angsten, twijfels weg te drinken, deed de stomste dingen terwijl hij dronken was. Hij was (is?) zelfdestructief. Maar niemand vraagt zich af of hij wellicht last heeft van een stoornis.

Ik las begin dit jaar Verbroken beloftes van Jenny Offill en vond het redelijk normaal dat de hoofdpersoon het zo nu en dan zwaar heeft, zich eenzaam voelt, twijfelt aan gemaakte keuzes, boos is op haar echtgenoot, hem verwijten maakt. In recensies, echter, las ik dat de hoofdpersoon depressief zou zijn. Het zal wel, dacht ik. Maar nu vergelijk ik haar met andere personages, bijvoorbeel die lamlul in Ben Lerners fantastische roman Vertrek van station Atocha. Wat is hij dan wel niet? Maar dat boek werd geroemd om zijn humor (tsja). Geen woord (geloof ik) over zijn mentale gezondheid.

Dubbel tsja.
*

Wat ik stom van mijzelf vind, is dat ik nu ga twijfelen aan mijn waardering voor Karl Ove Knausgårds boeken. Want ik vind het mooi werk, het probeert te onderzoeken wat het is om mens te zijn. En dat is wat literatuur, wat mij betreft, moet doen.

Waarom dan twijfels? Het gaat niet om Knausgård. Of om zijn boeken. Of, nuja, half; het gaat erom dat deze dikke ik-boeken bestaan, en succesvol zijn, omdat het door een man is geschreven. Vermoedelijk. Ik ken geen vrouwelijk equivalent, en dat vind ik naar; we bestaan toch wel al enige tijd, we maken een groot deel uit van de mensheid, en toch heb ik (tot nu; tot Heroines) nooit eerder gelezen van/over een vrouw die ruimte inneemt en boos is, twijfelt, wil schrijven maar niet exact weet hoe, die weigert zich te conformeren. Ze heeft zichzelf uitgevonden, moeten uitvinden, zoals we dat allemaal moeten doen. Lang, echter, werd de vrouwelijke ervaring door mannen beschreven (Flaubert die beweert dat hij Emma Bovary is ... — ), werd de vrouwelijke ervaring als ‘hysterisch’ omschreven, waardoor het nog altijd lastig is om als vrouw te lezen over (echte, herkenbare, relevante) ervaringen en levens van andere vrouwen: fucked-up vrouwen, mad women, outsiders en buitenbeentjes, de vrouwen die zich buiten begaande paden bewegen —

ik raad iedereen aan Heroines te lezen.

de vlammende wereld

‘Alle intellectuele en artistieke ondernemingen, zelfs parodieën en andere grappig dan wel ironisch bedoelde uitingen, doen het beter bij het publiek als het weet dat ergens achter dat grote werk of achter die grote volksverlakkerij een pik en een paar ballen gesitueerd kunnen worden.’ (p. 5)

Aldus Harriet Burden, held van Siri Hustvedts nieuwe boek De vlammende wereld. Ze was altijd al meer dan alleen maar de vrouw van, maar haar man was Felix Lord, vooraanstaand kunstverzamelaar, en haar kunst was te weinig conventioneel. Nu Lord echter dood is, voelt Burden een drang zich te wijden aan oude ambities, ze gelooft en hoopt iets teweeg te kunnen brengen met haar werk.

‘Wat mij interesseerde waren percepties en hun grilligheid,’ noteert Burden in een van haar notitieboeken, ’het gegeven dat we meestal zien wat we verwachten te zien.’ (p.48) Ze gelooft dat niemand zomaar met een vrije blik kijkt – er zit altijd iets in dat hoofd dat een blik kleurt. We hebben te maken met oppervlakkige details als het humeur en het weer, maar onbewuste prikkels hebben evenveel en misschien wel meer invloed op wat de hersenen denken te zien. Burden besluit voor haar nieuwe project, getiteld ‘Maskings’, gebruik te maken van maskers (i.e. jonge mannelijke kunstenaars) om de blik te sturen en toeschouwers doelgericht te prikkelen (‘De Grieken wisten dat het masker in het theater geen vermomming was maar juist bedoeld om dingen te onthullen.’ (p. 83)). Ze hoopt haar waarheid op die manier duidelijker te kunnen verkondigen en eindelijk goedgekeurd te worden door de New Yorkse art scene, een kliek die ze in feite verafschuwt.

‘Maskings’ bestaat uit drie exposities, ieder vertegenwoordigd door een ander pseudoniem. Iedereen zal versteld staan, gelooft Burden, als duidelijk zal worden dat zij de maker van het bejubelde werk blijkt te zijn. De eerste twee maskerdragende mannen laten zich gewillig leiden door Burdens geestdrift, maar nummer drie, Rune, toont zich even intelligent als de vrouw met het idee. Hij speelt een spel dat Burden zou moeten herkennen uit het werk van Kierkegaard, een van haar grootste inspiratiebronnen, maar het ontgaat haar volledig. Rune vernedert de vrouw die hij zegt zeer te bewonderen op de zuurste manier denkbaar. Harriet Burden wilde haar gelijk halen, en Rune geeft haar dat. Maar niet op de manier die ze voor ogen had (hint: ‘een pik en een paar ballen’).

De vlammende wereld heeft de vorm van een anthologie, samengesteld door ene I.V. Hess enkele jaren na Burdens dood. Bovenstaande passage maakte haar nieuwsgierig naar de persoon Harriet Burden, resulterend in deze verzameling dag- en notitieboekfragmenten, recensies, interviews, en ‘hersentatoeages’ (verbale herinneringen) van familie, vrienden, en mensen uit de art scene. Wat opvalt is dat het boek ondanks het fragmentarische karakter en de bijna constante wisseling van perspectief, altijd een boek over Harriet Burden blijft. De verschillende inzichten bevestigen en/of schuren, wat een werkelijkheid laat ontstaan die op een andere manier niet mogelijk was geweest. Hoe het verhaal rondom ‘Maskings’ ongeveer afloopt weet de lezer al na het eerste hoofdstuk, de spanning zit dan ook grotendeels in de puzzel die Burden is; De vlammende wereld is zo sterk vanwege Burdens levendige en immense ideeënwereld.

De ongewone vorm van De vlammende wereld maakt het mogelijk Burdens verhaal en tegenstrijdige karakter op een kunstige manier te illustreren. Siri Hustvedt krijgt het voor elkaar uit te leggen wat Burden wil met haar kunst, om met behulp van het wisselende perspectief te laten zien waarom dat doel onbereikbaar is: we zien inderdaad enkel wat we verwachten te zien. Burdens poging dit idee te onthullen door de blik van het publiek te sturen is een contradictie die past in dit boek: Burdens verhaal is er een van identiteit, haar gebruik van (rivaliserende) pseudoniemen wijst op een voortdurend onderzoek van haar ideeën, ervaringen en acties. Zo gezien hebben we niet alleen te maken met een individuele stem per fragment, maar ook met verschillende stemmen van de hoofdpersoon. Deze caleidoscopische eigenschappen liggen er echter niet te dik op, gespeend van deze kunstgrepen is De vlammende wereld ook gewoon een verhaal over een vrouw die heftig twijfelt aan haar identiteit. De kunst van Hustvedts werk is dan ook dat dit boek zo veelzijdig is dat er eindeloos gezien en geïnterpreteerd kan worden.

(Tevens hier.)

a room of one's own: women and fiction

Virginia Woolf is een schrijver die ik al jarenlang bewonder, maar van afstand (angst?): ooit las ik over haar leven en zette direct al haar boeken op mijn wenslijst. Ik was zestien, gok ik. Dank de hemel; ik liet het daarbij: ik las wel, maar de echte kunst van literatuur was mij nog onbekend. Ik wil nu niet zeggen dat ik de literatuur nu wel ‘ken’, maar ik herken het, en kan met liefde boeken herlezen; misschien zal ik ooit enkele boeken ‘kennen’.

Terug naar het boek. A Room of One’s Own is wat ontstond nadat Virginia Woolf enkele lezingen mocht geven op twee universiteiten (toentertijd de enige twee scholen waar vrouwen student mochten zijn; 1928) over het onderwerp ‘Women and Fiction’. Ze vond het onderwerp zelf vrij vaag en begon daarom met de volgende woorden:

‘But, you may say, we asked you to speak about women and fiction — what has that got to do with a room of one’s own? I will try to explain. When you asked me to speak about women and fiction I sat down on the banks of a river and began to wonder what the words meant. They might mean simply a few remarks about Fanny Burney; a few more about Jane Austen; a tribute to the Brontës and a sketch of Haworth Parsonage under snow; some witticisms if possible about Miss Mitford; a respectful allusion to George Eliot; a reference to Mrs Gaskell and one would have done. But at second sight the words seemed not so simple.’ (p. 5)

Ik houd van de woorden ‘and began to wonder what the words meant’; ze was zo bewust bezig met het onderwerp, het schrijven, haar werk, en wilde het altijd vanaf de kern, de basis, onderzoeken. Daarom begint A Room bij het begin. Vrouwen en fictie: wanneer begon de vrouw te schrijven? Waarom is er geen gepubliceerd werk van vrouwen te vinden uit de oudheid (‘.. nothing is known about women before the eighteenth century.’ (p. 47))? Hoe is het mogelijk dat de man over vrouwen praatte alsof ze zwak en klein waren, terwijl in de fictie zulke krachtige, prachtige vrouwen worden beschreven? Kortom: waarom werden vrouwen niet serieus genomen?

Virginia Woolf geloofde in gelijkheid; man en vrouw zijn gelijk in waarde. Echter, verschillen zijn er nu eenmaal. Eigenschappen. En, in context: een man schrijft anders dan een vrouw. Die verschillen moeten we leren koesteren, aldus Woolf:

‘It would be a thousand pities if women wrote like men, or lived like men, or looked like men, for if two sexes are quite inadequate, considering the vastness and variety of the world, how should we manage with one only? Ought not education to bring out and fortify the differences rather than the similarities?’ (p. 87)

Ook maken we kennis met de zus van Shakespeare (of, de vele zussen van Shakespeare), vertelt Woolf waarom Charlotte Brontë in principe een intelligentere schrijfster was dan Jane Austen maar haar beste werk nooit heeft geschreven, en hoe Jane Austen en Emily Brontë zich tijdens het schrijven nooit hebben laten beïnvloeden door boosheid en dat hun werk daarom nergens uit de toon valt (in tegenstelling tot Charlotte Brontë’s Jane Eyre).

Ik denk dat dit boek belangrijk is, en ik denk dat iedere vrouw het zou moeten lezen. Dat heeft niets te maken met de indruk die het op mij heeft gemaakt; het heeft alles te maken met de geschiedenis van de vrouw. ‘Nothing is known about women before the eighteenth century.’ Er was censuur; een vrouw moest schrijven zoals mannen schrijven, en anonymous, of onder de naam van een man, om gepubliceerd te worden. Om serieus te worden genomen. Het is belangrijk om dit te weten. Ik denk dat het belangrijk is om dit te weten.

Naast het boeiende onderwerp, de bijzondere manier van schrijven, is er nog een reden dat dit boek me nu zo lief is: meerdere keren zag ik mijn eigen gedachten verwoord op papier staan. En zelfs dat, die herkenning, kan Virginia Woolf omschrijven:

‘One holds every phrase, every scene to the light as one reads — for Nature seems, very oddly, to have provided us with an inner light by which to judge of the novelist’s integrity or disintegrity. Or perhaps it is rather that nature, in her most irrational mood, has traced in invisible ink on the walls of the mind a premonition which these great artists confirm; a sketch which only needs to be held to the fire of genius to become visible. When one so exposes it and sees it come to life, one exclaims in rapture, But this is what I have always felt and known and desired! And one boils over with excitement, and, shutting the book even with a kind of reverence as if it were something precious, a stand-by to return to as long as one lives, one puts it back on the shelf […].’ (p. 72-73)

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief