een weinig rebelse ode aan een rebelse dode

Om de tweehonderdste verjaardag van de Amerikaanse natuurfilosoof Henry David Thoreau (1817-1862) te vieren, verscheen eind vorig jaar Natuur als misverstand. Het boek is bedoeld als introductie, maar het is ook een ode aan Thoreaus gedachtegoed. Aan de hand van zijn ideeën worden enkele vragen over ‘natuur’ gesteld: wat is het, hoe moeten we het beschermen en waarom doen we dat?

Natuur als misverstand is vooral interessant vanwege de eigenzinnige essays van Jelle Reumer en Johan van de Gronden. De teksten bewijzen dat er te veel vanuit economisch belang wordt gedacht over natuurbehoud- en bescherming. Bovendien stellen de auteurs boeiende vragen. Reumer stelt in zijn essay Domesticatie van de wildernis bijvoorbeeld voor dat we moeten kijken naar de grenzen die natuurgebieden beschermen. Iets of iemand bedreigt de grond die door de scheidingslijnen wordt beschermd; wat gebeurt er aan de andere kant van die lijn? Wie wil die natuur vernietigen, en waarom?

Onvervangbaar
Het komt er op neer dat Nederland langzaam in een groot industriegebied verandert. Boerderijen zijn de nieuwe fabrieken. Het land is volledig gedomesticeerd, iedere vierkante meter heeft een bestemming, heeft nut. En wat is het nut van grond waar niets op geproduceerd wordt? Het levert geen geld op, is dat niet zonde? Reumer schrijft (terecht): ‘Alleen wanneer natuur de bestemming is, vindt men het ‘zonde’.’ Het feit dat natuurbescherming nodig is, dat grond eerder aan de landbouw dan aan de natuur gegund wordt, is een groot probleem. De natuur moet beschermd worden omdat wij mensen het bedreigen.

Thoreau zag dit al gebeuren. Als fervent wandelaar merkte hij op dat er met de jaren minder mogelijkheden voor zwerftochten zouden overblijven omdat er steeds meer hekken werden geplaatst: grond werd plotseling eigendom, privé of van de staat. Johan van de Gronden schrijft in zijn essay over dit probleem. Een zwerftocht zou een symbool moeten kunnen zijn voor het leven zelf. Als er niet langer verdwaald kan worden, wat betekent dat voor ons (dagelijks) bestaan? Thoreau was van mening dat er iets onvervangbaars verloren zou gaan; er is ruimte nodig om aan de maatschappij te kunnen (en mogen) ontsnappen.

Lef en lucht
Andere teksten in Natuur als misverstand zijn minder geslaagd. Een poging Jac. P. Thijsse (grondlegger van Natuurmonumenten) uit de vergetelheid te trekken door op overeenkomsten tussen hem en Thoreau te wijzen maakt alleen maar nieuwsgieriger naar de Amerikaan. Een wandeling met ecoloog Harm Piek voegt weinig tot niets toe omdat de uitwerking van het gesprek slechts een herhaling is van reeds behandelde feiten en ideeën.

Het is daarom maar de vraag of deze uitgave er in zal slagen om Thoreau nieuwe lezers te bezorgen. Liefhebbers van natuurboeken zullen al bekend zijn met de Amerikaan, en het genre is al een niche. Daar komt bij dat de teksten – met de genoemde essays van Reumer en van de Gronden als uitzondering; zij stellen de ongemakkelijke vragen – nogal braaf zijn. De wetenschappelijke achtergrond van de meeste schrijvers zit wellicht in de weg: alle teksten hebben een nette inleiding en conclusie, en zijn vooral informatief van aard. Er zit weinig lef en lucht in. De rebelse geest van Thoreau waart in slechts twee essays rond. Wat ook irriteert is dat vrijwel iedere bijdrage dezelfde passages uit het werk van Thoreau aanhaalt. Daardoor lijkt het alsof de inhoud van de verschillende stukken niet op elkaar is afgestemd; het is geen geheel.

Het voelt als een gemiste kans. Juist nu het zo belangrijk is om langer stil te staan bij het belang van natuur, en de ruimte die we de natuur gunnen, zou een boek met Natuur als misverstand als titel en Henry David Thoreau als onderwerp over dat grote misverstand mogen gaan. Dat zou ongetwijfeld een interessantere introductie op het werk en leven van Henry David Thoreau hebben opgeleverd.

the most fragile relationship in the world

‘The two sides of a secret are repression and expression, just as the two sides of the poem are the told and the untold. We must be careful not to take the word as the meaning itself; words do not “capture” a moment as much as they “communicate” it—they are a bridge that, paradoxically, breaks isolation and loneliness without eradicating it. It is the first experience you ever had of reading a decent poem: “Oh, somebody else is lonely, too!”

It is the most fragile relationship in the world.’

Mary Ruefle, ‘On Secrets’, Madness, Rack, and Honey. Collected lectures

there's nothing (to see)

‘Most visitors spend a day at the [Hancock Shaker] village, visiting all the buildings, the restaurant, the gift shop, and leave, village map in hand, without seeing the Shaker graveyard. Indeed, when I asked my guide directions to the graveyard she said, “But there's nothing to see!” And so I went. Across a field, over a footbridge, past a row of cornstalks, one turns and sees another empty field with a modest obelisk at its center. Here Lie the Shaker Dead—or something to that effect. At the beginning of this century, the elders decided to change the nature of Shaker burial and removed all of the individual headstones, using them for sidewalks, countertops, and ironing boards. Standing there one is confounded with the real Shaker theme—a simple, empty meadow full of the dead who have been stripped of their names, like the anonymous burying grounds of war, all individuals gone to a greater cause—which may be noble, and may be moving (..). By the way, nineteenth-century insane asylums also buried their dead without names—as if the deceased belonged to an anonymous collective insanity.’

Mary Ruefle, ‘On Theme’, Madness, Rack, and Honey. Collected lectures

*

dit verhaal over verdwenen namen —

ik las het 's avonds laat in bed, ik kon er niet van slapen.

ik begrijp niet dat het zo makkelijk is om gebeurtenissen te doen verdwijnen (decided to change/ removed all of the individual headstones). ik denk vaak na over wat ik niet weet en nooit zal kunnen weten. dat zwarte gat wordt almaar groter.

de stenen zijn er nog. sidewalks, countertops, ironing boards.

wie ligt waar?

//

quoi?

ada limón adrienne rich alejandro zambra aleksandar hemon ali smith alice notley alice oswald andré aciman andrea dworkin andrea wulf anna burns anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde ben lerner bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë erwin mortier ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonora carrington leslie jamison louise glück maggie nelson marcel proust maría gainza marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker piet oudolf poëzie rachel cusk rainer maria rilke rebecca solnit robert macfarlane robert walser robin wall kimmerer sara ahmed sara maitland siri hustvedt stefan zweig sue lloyd-roberts susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tjitske jansen tomas tranströmer valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

abonneer

Blogarchief