Posts tonen met het label robert macfarlane. Alle posts tonen
Posts tonen met het label robert macfarlane. Alle posts tonen

de taal van de benedenwereld

een van mijn favoriete hoofdstukken in Robert Macfarlane's nieuwe boek Benedenwereld gaat over het ‘wood wide web’, het netwerk dat bomen onder de grond met elkaar verbindt. lang dachten wetenschappers dat planten, bomen, en ander gewas met elkaar wedijveren om te kunnen overleven, maar bosecoloog Suzanne Simard zag dat douglassparren en papierberken elkaar nodig hadden om in leven te blijven. ze wilde weten hoe dat zat, en kwam er na onderzoek achter dat onder de grond, de zwarte doos van de bodem, bleke, superdunne draden lagen: zogeheten ‘hyfen’ of ‘schimmeldraden’, die schimmels door de bodem heen versturen. het bleek dat iedere kubieke meter bosgrond tientallen kilometers schimmeldraden bevatten.

Simard ontdekte nog iets anders interessants: de schimmeldraden liggen tussen verschillende soorten: papierberk heeft een verbinding met andere papierberken maar ook met douglassparren: het resultaat is een niet-hierarchisch netwerk tussen uiteenlopende plantensoorten.

netwerk = uitwisseling = communicatie = taal.

nog voordat Macfarlane haar naam noemt moest ik aan Robin Wall Kimmerer denken. Kimmerer is botanist/ plantkundige, schrijver van twee boeken (Gathering Moss: A Natural and Cultural History of Mosses en Braiding Sweetgrass: Indigenous Wisdom, Scientific Knowledge and the Teachings of Plants), en heeft een Potawatomi-achtergrond. de taal die zij tijdens opleidingen leerde voor de wereld de ze onderzocht en bestudeerde komt totaal niet overeen met de taal van haar voorouders: een taal die veel meer werkwoorden bevat dan bijvoorbeeld het Engels: dertig procent tegenover zeventig procent (Potawatomi).

Macfarlane schrijft in ‘De ondergroei’ dat er een nieuwe taal nodig is om de benedenwereld van het bos te begrijpen; Ons huidige taalsysteem strijdt tegen de gedachte dat alles een ziel heeft; uit gewoonte en uit een soort reflex onderwerpen en antropomorfiseren we de bovenmenselijke wereld. hij verlangt naar een taal die de bezieling van de wereld erkent en bevordert.

het Potawatomi is een taal die de neiging heeft leven te bespeuren in dat wat anders is waardoor dat woord ‘leven’ meer betekenis krijgt dan we hier in het westen gewend zijn. naast bomen en planten, mensen en dieren beschikken ook bergen, stenen, wind, vuur, en verhalen en liederen over leven; ze zíjn. Macfarlane geeft een voorbeeld dat uit Kimmerers boek Braiding Sweetgrass komt:

Wiikwegamaa betekent bijvoorbeeld ‘baai zijn’. (Benedenwereld, RM)

Een baai is alleen een zelfstandig naamwoord als het water dóód is, gevangen tussen de oevers en gevat in het woord. Maar het werkwoord bevrijdt het water uit zijn slavernij en wekt het tot leven. ‘Baai zijn’ bevat het wonder dat, op dit moment, het levende water besloten heeft om bescherming te zoeken tussen deze oevers, zich te verstaan met cederwortels en een vlucht jonge grote zaagbekken. (Braiding Sweetgrass, RWK)

het water dat besloot bescherming te zoeken: het water. it.
de baai besloot bescherming te zoeken: bezieling. het bezielde water leeft een eigen verhaal.

*

taal speelt een enorme rol in Benedenwereld en ‘De ondergroei’ is niet het enige talige hoofdstuk. in ieder boek dat ik van hem heb gelezen doet Macfarlane moeite om in woorden te vangen wat het landschap hem zegt, wil zeggen. ik denk dat er in dit boek meer van hem wordt verlangd te luisteren dan in andere boeken, omdat hij aldoor werelden betreedt die hij niet kent. hij is altijd samen met iemand die hem gidst. op die manier komt hij plekken tegen die hem uitgelegd moeten worden. dat kan te maken hebben met locale geschiedenis of mythen, met de abstracte wetenschap van zwarte gaten, of omdat er door smeltende gletjers spoken tevoorschijn komen die zorgen voor zoveel vervreemding dat zijn maag zich omkeert.

Macfarlane is in Groenland als voor zijn neus honderdduizenden tonnen ijs losbreken van een gletsjer en er ineens een glanzende zwarte piramide oprijst, gemaakt van iets wat ijs moet zijn maar er niet als ijs uitziet (..), iets wat naar ik me voorstel het materiaal van een meteoriet moet zijn gemaakt, iets wat zo diep uit de tijd afkomstig is dat het van al zijn kleur is ontdaan. van sterren gemaakt. honderdduizend jaar oud. een zwarte ster.

ik begrijp niet helemaal wat hij vervolgens zegt (ik zag immers niet wat hij zag) maar het is interessant want iets daarvoor heeft hij het over een bewuste omgeving die luistert en spreekt, dus ik denk dat dit is waarom hij zo'n afkeer voelde bij de glanzende zwarte verschijning — hij kon zich niets bij het iets voorstellen omdat het iets niet sprak:

.. het zwarte ijs was van een heel andere orde van desinteresse, zo extreem dat je er van moest walgen. Camus noemde die eigenschap van materie ‘dichtheid’. ‘Ziedaar de vervreemding,’ schreef hij toen hij werd geconfronteerd met materie in haar rauwste vorm:
de gewaarwording dat de wereld ‘dicht’ is, het besef dat hoezeer een steen ons vreemd is, niet te begrijpen voor ons, en met welk een kracht de natuur of een landschap ons kan buitensluiten. Diep in alle schoonheid schuilt iets onmenselijks [...]. De primitieve vijandigheid van de wereld stelt zich na duizenden jaren weer tegenover ons. [...] die geslotenheid en die vreemdheid van de wereld vormen het absurde. [uit Camus' De mythe van Sisyfus]
hier biedt taal toch een plaats voor iets dat op afstand wil blijven; op afstand blijft. ik bedoel: het niet begrijpen, niet kunnen plaatsen van wat er is zorgt voor iets dat te absurd is voor taal, aldus Camus en Macfarlane. en toch staat er iets op papier. de buitenaardse indruk wordt gewekt met woorden die overtuigen;

Dit was een gebied waar compacte materie de taal terzijde schoof. Het ijs liet de taal stranden. Het object voldeed niet aan zijn profiel. IJs wilde niet betekenen, net zomin als gesteente en licht, en daarom was dit terrein bovennatuurlijk: er viel niet met de menselijke maat of met menselijke formules over te communiceren.

(de vraag is natuurlijk wat Robin Wall Kimmerer hier over denkt. ook iets dat weigert te communiceren, weigert. dat is niet niks, lijkt mij, niet leeg, niet een bestaan zonder ziel.)

diepe tijd

De ‘diepe tijd’ is de tijdrekening van de benedenwereld. De diepe tijd is de duizelingwekkende uitgestrektheid van de geschiedenis van de aarde, die ver voorbij ons eigen tijdsgewricht reikt. De diepe tijd wordt gemeten in eenheden waarbij de geschiedenis van de mensheid in het niet valt: tijdvakken en eonen in plaats van minuten en jaren. De diepe tijd wordt bijgehouden door steen, ijs, stalactieten, afzettingen op de zeebodem en het verschuiven van tektonische platen. De diepe tijd strekt zich uit in zowel de toekomst als het verleden. Over ongeveer vijf miljard jaar, wanneer de brandstof van de zon op is, zal de aarde in duisternis gehuld worden. We staan met onze tenen, en met onze hielen, op een rand.

—Benedenwereld. Reizen in de diepe tijd, Robert Macfarlane (vert. Nico Groen & Jan Willem Reitsma)

over verspilling en verwildering

Onlangs kwam ik de volgende afbeeldingen tegen:




marco cadioli, squares with concentric circles seen from above
from the google earth satellite

Ik wist waar ik naar keek omdat ik een paar jaar geleden de documentaire Watermark (2013; een aanrader) zag, waarin wordt gekeken naar de manier waarop de mensheid met 's werelds water omgaat. Squares with concentric circles seen from above from the google earth satellite (klik hier voor meer) is een voorbeeld van wat we de aarde aandoen, hoe we de aarde gijzelen. Dit zijn afbeeldingen die gevangenschap illustreren.

De cirkels hierboven zijn het gevolg van desert agriculture: het bedrijven van landbouw op plekken waar het normaal gesproken weinig tot niet regent, en waar de grond dat dus eigenlijk niet aankan (o.a. Texas, Kansas). Daar wordt gebruik gemaakt van een irrigatie-systeem dat center pivot irrigation heet, een manier van beregenen waarbij een enorme arm rond een centraal aanvoerpunt draait.

Dit irrigatie-systeem maakt gebruik van grondwater waar steeds dieper voor moet worden geboord.

Ik moest aan Cadioli's cirkels denken toen ik onlangs De vlucht van de hommel van Dave Goulson las. Dit boek bestaat grotendeels uit reisverslagen: in verband met zijn wetenschappelijke werk wordt Goulson regelmatig uitgenodigd om hommels te komen (be)zoeken. Tijdens zo'n werkbezoek aan Californië (waar men last heeft van aanhoudende droogte, een direct gevolg van het plaatsen van de Glen Canyondam) werd hij met de neus op de feiten gedrukt omtrent het waanzinnige waterverbruik ten behoeve van landbouw (volgens Watermark gaat 70% van het water dat de mens gebruikt naar de landbouw):

Sommige amandeltelers hebben het recht het slinkende rivierwater voor irrigatiedoeleinden te gebruiken, maar anderen niet, en zij zien zich genoodzaakt diep in waterhoudende grondlagen te boren om water op te pompen. Boorbedrijven werken zich een slag in de rondte en er zijn wachtlijsten van een jaar. Moesten ze eerst misschien slechts een meter of 150 diep boren voor ze op water stuitten, tegenwoordig moeten ze twee keer zo diep gaan (..). Het is bovendien verontrustend: het water uit die grondlagen, dat daar misschien wel duizenden of zelfs miljoenen jaren opgeslagen heeft gelegen, wordt opgebruikt. Er wordt niet op toegezien en bijgehouden hoeveel water er wordt opgepompt, noch hoeveel putten er worden geslagen (..). Dat is niet alleen een probleem in Californië: in de hele VS wordt elk jaar de verbijsterende hoeveelheid van 25 kubieke kilometer water opgepompt. (p163)

1 kubieke kilometer = 1 kilometer × 1 kilometer × 1 kilometer.

*

Er staan (gelukkig) ook positieve verhalen in De vlucht van de hommel. Goulson vertelt onder andere over een ‘regenwoud in de monding van de Theems’, West Thurrick Lagoons (of Oliver Road Lagoon). Het gebied, waar eerst een kolencentrale stond, werd gebruikt om gepulveriseerde as te dumpen. Na zo'n twintig jaar met rust te zijn overgelaten bleek de plek ineens interessant wild leven te bieden; zo interessant dat er naar verluid zeldzame hommels wonen.

Vanwege de interessante begroeiing, en het unieke leven aldaar, probeerden natuurorganisaties het dreigende verkoop van het gebied te voorkomen. Dat is slechts deels gelukt, maar het is deels gelukt: meestal gaat economie voor ecologie.

west thurrick lagoons, londen

Een ander voorbeeld is Canvey Island. Het ligt direct aan de Theems, waardoor het ooit een getijdengebied was en er dus van alles leefde: weekdieren, waadvogels, en zo meer. In verband met overstromingen werd er besloten een betonnen zeewering te plaatsen. Dat had uiteraard gevolgen voor de plaatselijke ecologie: die verdween, feitelijk. Er werd daarna nooit echt iets met het gebied gedaan: wederom werd een verlaten plek overgenomen door een uitzonderlijke fauna:

.. alleen al vijf van de zeldzaamste hommelsoorten van Groot-Brittannië en minstens driehonderd soorten nachtvlinders. Dertig van de ongewervelden die er voorkomen staan op de Britse rode lijst van bedreigde diersoorten. (p225)

Het is nu een natuurreservaat, opnieuw vanwege inmenging van natuurorganisaties, maar zoals gezegd: meestal gaat economie voor ecologie. Er zijn nog altijd ontwikkelingsplannen en het feit dat Canvey Island nú een natuurreservaat is betekent vermoedelijk alleen dat er een extra document getekend moet worden zodra plannen concreet worden.

Geld is het toverwoord: de grootste succesverhalen in Goulsons boek gaan over privé-projecten. Knepp Castle is bijvoorbeeld mogelijk omdat de huidige eigenaar het gebied heeft geërfd. Het is een prachtig initiatief, maar ik vind het eigenaardig dat natuur alleen ongestoord mag verwilderen als land privé-bezit is; als het de keuze van de eigenaar (tussen haakjes?) is. Over de rest – reservaten, openbaar groen, etcetera – valt blijkbaar te onderhandelen.

*

Wilde natuur, volgens Robert Macfarlane (in De laatste wildernis): de tomeloosheid van de groene natuur, de pure, woeste en chaotische kracht van het eindeloze, organische bestaan. Die tomeloosheid had niets van doen met onherbergzaamheid, maar alles met volheid, vitaliteit en plezier. Onkruid dat opschiet uit een barst in een stoep, een boomwortel die onbeschaamd door het asfaltpantser heen breekt: het waren evenzeer tekenen van vrije natuur als een vloedgolf of een sneeuwvlok.

leer van de wereld

Een tijdje geleden las ik De duimsprong van Miek Zwamborn. De duimsprong is een roman, maar het boek vertelt ook veel over de wereld, over de aarde. Het is een boek over steen en water, en land en bergen; over de geoloog Albert Heim; over de historie van ons landschap. Op pagina 208 schreef ik met een potlood vier woorden: ‘leer van de wereld’. Die woorden vatten samen hoe ik een aantal van de boeken die ik afgelopen weken las, heb ervaren.

De laatste wildernis van Robert Macfarlane is zo een boek, het is net zo'n pracht als The Old Ways (later geschreven, eerder gelezen). In De laatste wildernis gaat Macfarlane op pad in de hoop wilde natuur tegen te komen. Hij omschrijft dat als plekken waar de mens weinig tot niet aan het landschap heeft gezeten. Gaandeweg, echter, komt hij er achter dat ‘wild’ niet per sé een synoniem hoeft te zijn voor ‘onaangeraakt’. Hij ontmoet zelfs plekken waar het wild is omdat een mens heeft besloten een gebied terug te geven aan de natuur. Een mooi voorbeeld is Roger Deakins Walnut Tree Farm (zie hier enkele foto's). Deakin kocht een oude boerderij met een lap grond. De woning werd opgeknapt, maar niet te veel: ramen en deuren liet hij open zodat dieren, insecten, de wind, kan komen en gaan. De grond liet hij grotendeels ongemoeid; het groeide uit tot een rijke, nieuwe wildernis.

De laatste wildernis onderzoekt welke rol de (wilde) natuur speelt in het leven van de mens, en andersom, het is immers duidelijk dat de mensheid een rol heeft. De vraag is echter hoe groot de invloed van de mens is. Laat ik voorop stellen dat ik begrijp dat de aarde opwarmt, dat ik het naar vind te zien dat gletsjers blijvend lijken te slinken, dat ik me zorgen maak om bijen en de invloed van kunstmest en bestrijdingsmiddelen (lees Dave Goulsons Geroezemoes in het gras en Een verhaal met een angel om een eerlijk en duidelijk beeld te krijgen van wat we de grond, schijnbaar argeloos, aandoen). Ik denk echter ook dat we heel veel (nog) niet weten, wellicht niet kunnen weten.

De duimsprong en De laatste wildernis hebben in ieder geval één ding gemeen: beide boeken lieten mij voelen hoe jong de mens, en ook de wetenschap, is. De leeftijd van de aarde is niet te bevatten. Geologische tijdbalken spreken per blokje over miljoenen jaren, niet alleen omdat de werkelijke leeftijd van de aarde lastig in te schatten is, ook omdat het wel moet: anders is het overzicht kwijt. In Wijsgeer in het wild van Johan van de Gronden staat een tijdbalk die teruggaat naar het Precambrium: zo'n 4600 miljoen jaar terug. Zo oud is de aarde, ongeveer.

Bij Johan van de Gronden leeft het besef van niet zeker kunnen weten enorm. Als directeur van het Wereld Natuur Fonds is hij zich er vanzelfsprekend van bewust wat er met het natuurlijke leven op aarde gebeurt. Ik ben dan ook onder de indruk van wat hij schrijft in het laatste essay van zijn boek:

‘Kennis van het ontstaan en de ontwikkeling van het leven helpt om de hedendaagse problematiek te relativeren. Het zou ons ook wat meer bescheidenheid moeten bijbrengen. Het roeptoeteren van duurzaamheidsprofeten die het einde van de wereld verkondigen, tenzij u zich nu tot hun opvattingen bekeert, is niet altijd even overtuigend. Ik wantrouw alle stelligheden. Helemaal als er een beeld van de wetenschap wordt geschetst als een fabriek die telkens meer en meer zekerheden uitbraakt. Het wetenschappelijk bedrijf is gestoeld op feilbaarheid. Uitspraken over de werkelijkheid houden we voor waar (of liever waarschijnlijk) tot het tegendeel is aangetoond. De zekerheden die nu door de klimaatwetenschap worden geclaimd maken mij soms wat achterdochtig. Klimaatwetenschap behoort tot een van de meest complexe terreinen van het wetenschappelijk bedrijf, heeft te maken met een duizelingwekkend aantal factoren en lijdt onder de maatschappelijke druk om hapklare beleidsadviezen te geven in plaats van kalme, evenwichtige en vaak oersaaie analyses.

Natuurlijk, het is heel verstandig om ons gebruik van fossiele brandstoffen rap af te bouwen en schonere alternatieven te ontwikkelen. En ja, het klimaat 'warmt op', zoals te verwachten is in een interglaciaal, en het is juist dat de mens er nog een schepje bovenop doet met de vervuiling van de atmosfeer. Maar temperatuurvoorspellingen lineair correleren aan het aantal CO₂-deeltjes in de atmosfeer? Daarbij is de nodige prudentie geboden. Al was het alleen al omdat de CO₂-pieken in de geologische diepe tijd zich altijd voordeden ná een voorafgaande stijging van de temperatuur, zodat tenminste ook andere oorzaken een rol moeten hebben gespeeld.

We weten gewoon een heleboel niet.’ (p. 176-177)

Leer van de wereld – deze woorden zijn wat mij betreft niet alleen toepasselijk omdat deze boeken vertellen over de lagen van onze wereld, over veranderingen en verdwijningen; het past ook omdat je moet weten om te kunnen weten: om fenomenen te kunnen begrijpen zullen ze in context geplaatst moeten worden. En er valt, zo is me nu wel duidelijk, nog veel te leren.

sebalds quincunx (de ringen van saturnus)

Een Sebaldiaanse pelgrimage is niet alleen een reis door een gebied of land, het is tegelijkertijd een aaneenrijging van observeringen, herinneringen, mijmeringen, verhalen. Bijzonder is dat Sebald dit eigenlijk in het eerste hoofdstuk van De Ringen van Saturnus aankondigt, schrijvend over Thomas Browne en diens quincunx:

Thomas Browne’s quincunx
‘.. het patroon van de zogenaamde quincunx, dat gevormd wordt door de hoekpunten van een regelmatige vierhoek en het punt waar de diagonalen daarvan elkaar snijden. Overal in de levende en dode materie ontdekt Browne deze structuur, in bepaalde kristalvormen, in zeesterren en zeeëgels, in de wervels van zoogdieren, in de ruggengraat van vogels en vissen, op de huid van diverse soorten slangen, in de sporen van telgangers, in de tekening op het lichaam van rupsen, vlinders, zijdespinners en nachtvlinders, in de wortel van de watervaren, de zaadhulzen van zonnebloemen en parasolbomen, in het binnenste van jonge eikenloten of de stengel van de paardenstaart, en in de kunstwerken der mensen, zowel in de Egyptische piramides en het mausoleum van Augustus als in de met granaatappelbomen en witte lelies geometrisch beplante tuin van Koning Salomo.’ (p. 28-30)

In Patience (After Sebald), een essay-achtige film/documentaire over De Ringen van Saturnus, wordt Sebalds schrijfwijze beschreven als straightforward and artful at the same time. Correct, geloof ik, en door helder te blijven creëert hij in De Ringen een ruimte die de lezer laat dwalen. Zoals het boek meandert, zo begint de lezer (onontkoombaar) ook te meanderen: er is geen idee van een einde, of eindpunt, enkel een einde van het boek en ook dat is slechts een hoekpunt.

Sebald voelt om zich heen, lijkt te willen traceren, alsof hij niet in staat is zichzelf in de wereld te plaatsen, alsof hij iets wezenlijks mist. Er wordt iets gezocht, maar er valt niets concreets te ontdekken omdat alles het gevolg is van een nog nader te onderzoeken verleden.

*

(Robert Macfarlane over Sebald in Patience: ‘He is a biographer who walks his subjects back into life or maybe he walks foward after them into death; it’s never quite clear.’)

the old ways

Er is het idee dat wandelen kan zorgen voor ruimte in je hoofd. Een ruimte voor het laten wortelen van ideeën, en het opmerken van details (verbanden) die anders gemakkelijk genegeerd worden. Wat dan volgen kan: inzichten, wijsheid; een filosofie. Het is alsof onze voeten weten (maar geen behoefte hebben aan erkenning, en de kennis dus maar doorspelen naar boven):

‘‘I can only meditate when I am walking,’ wrote Jean-Jacques Rousseau in the fourth book of his Confessions, ‘when I stop I cease to think; my mind only works with my legs.’ Soren Kierkegaard speculated that the mind might function optimally at the pedestrian pace of three miles per hour, and in a journal entry describes going out for a wander and finding himself ‘so overwhelmed with ideas’ that he ‘could scarcely walk’. Christopher Morley wrote of Wordsworth as ‘employ[ing] his legs as an instrument of philosophy’ and Wordsworth of his own ‘feeling intellect’. Nietzsche was typically absolute on the subject – ‘Only those thoughts which come from walking have any value’ – and Wallace Stevens typically tentative: ‘Perhaps / The Truth depends on a walk around a lake.’ In all of these accounts, walking is not the action by which one arrives at knowledge; it is itself the means of knowing.’ (p. 27)

(Er is ook het idee dat de mens zich spiegelt aan het landschap. Of andersom. Dat het landschap lijkt op de staat van de mens. Maar dat terzijde (want dat is een veel triester verhaal en dit boek gaat daar niet over).)

Robert Macfarlane is, naast zelf vele kilometers te hebben afgelegd, meegereisd met eerdere wayfarers als (onder anderen) Edward Thomas, Walt Whitman, Nan Shepherd: deze wanderaars schreven ooit boeken over hun ervaringen en inzichten, en Macfarlane hecht een grote waarde aan deze slenterboeken. Naast het geven van enkele voorbeelden probeert Macfarlane het zelf ook (hij borduurt zelfs iets verder):

‘I have long been fascinated by how people understand themselves using landscape, by the topographies of self we carry within us and by the maps we make with which to navigate these interior terrains. We think in metaphors drawn from place and sometimes those metaphors do not only adorn our thought, but actively produce it. Landscape, to borrow George Eliot's phrase, can ‘enlarge the imagined range for self to move in’.
As I envisage it, landscape projects into us not like a jetty or peninsula, finite and bounded in its volume and reach, but instead as a kind of sunlight, flickeringly unmappable in its plays yet often quickening and illuminating. We are adept, if occasionally embarrassed, at saying what we make of places — but we are far less good at saying what places make of us. For some time now it has seemed to me that the two questions we should ask of any strong landscape are these: firstly, what do I know when I am in this place that I can know nowhere else? And then, vainly, what does this place know of me that I cannot know of myself?’ (p. 26)

Robert Macfarlane schrijft weinig tot niets over zichzelf. Maar dat wat hij hierboven zegt, is eigenlijk alles. En dus genoeg. Hij geeft namelijk iedere keer weer antwoord op deze vragen. Wat weet ik nu ik hier ben dat ik nergens anders te weten kan komen? Wat weet deze plaats van mij dat ik nog niet over mijzelf weten kan? Het is makkelijk deze vragen te vergeten, ieder hoofdstuk te lezen alsof het enkel ervaringen zijn zonder echte aandachtspunten: Macfarlane schrijft zo subtiel dat je er geen aandacht aan hoeft te schenken, mocht je dat niet waardevol vinden. Maar het is wel interessant, want waar ligt de grens? Op deze manier wordt een beeld geschetst dat zowel symbolisch (een idee) als letterlijk (het beeld) overtuigt.
Het landschap is dus werkelijk een personage, hier. Of gewoon weer zo'n spiegel. Het is niet te scheiden. De mens en zijn natuur, de natuur en zijn mens. 

The Old Ways is een prachtig beschreven spiegel. Ook dat nog. Het is zó kraakhelder en stil geschreven dat het rustgevend is. Dit is dan ook een perfect boek om te lezen voor het slapen gaan – wat dan overgeheveld wordt is niets dan wind, bomen, vogels, sterren, de zee. Nieuwe werelden (want: Tibet, Palestina, Spanje, Schotland), nieuwe ideeën. The Old Ways is een (her)ontdekkingsreis voor zowel de schrijver als de lezer.

+ De website van The Library of the Forest, de bibliotheek die Robert Macfarlane bezocht toen hij in Spanje was:

‘Each book records a journey made by walking, and each contains the natural objects and substances gathered along that particular path: seaweed, snakeskin, mica flakes, crystals of quartz, sea beans, lightning-scorched pine timber, the wing of a grey partridge, pillows of moss, worked flint, cubes of pyrite, pollen, resin, acorn cups, the leaves of holm oak, beech, elm.’

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief