donderdag 8 oktober 2015

de h is van havik (2)

‘[Het] drong (..) tot me door dat sterfelijkheid te maken had met dingen als die koude, door bogen verlichte hemel [ijskringen en bijzonnen]. Dat de wereld vol voortekenen en wonderen is die komen en gaan en die je kunt zien als je geluk hebt. Eén keer, of twee. Of misschien nooit meer. Bij mijn moeder thuis staan albums met allemaal familiekiekjes. Maar ook met foto's van andere dingen. Een spreeuw met een misvormde snavel. Een dag vol rijp en rook. Een kersenboom boordevol bloesem. Onweerswolken, inslaande bliksems, kometen en zonsverduisteringen: hemelverschijnselen die door hun onbevattelijkheid angstaanjagend zijn maar je ook geruststellen omdat de wereld altijd zal blijven bestaan, al ben je niet meer dan een oogwenk in zijn lange levensloop.’ (p. 89)

‘Je constateert dat het leven zich ontpopt als iets wat uit gaten bestaat. Hiaten, verliezen. Dingen die verdwijnen. En dan besef je ook dat je verder moet groeien, om die gaten heen, ertussendoor, waarbij je steeds terug kunt grijpen naar daar waar vroeger iets was, en je die intens glanzende dofheid ervaart van het gebied waar de herinneringen zijn.’ (p. 202)

‘Hoe zeldzamer ze [wilde dieren] worden, des te minder betekenissen ze kunnen hebben. Uiteindelijk zullen ze alleen nog maar gelijkstaan aan zeldzaamheid. De condor is een icoon van het uitstervende dier. Veel anders dan 'enig in zijn soort' is er inmiddels niet van over. En daarin schuilt het kleiner worden van de wereld.’ (p. 213)

Uit De H is van havik van Helen Macdonald (De Bezige Bij, vert. Nico Groen en Joris Vermeulen).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen