[/zomer]


soms hoor ik de wind komen.

als ik naar de maan kijk moet ik mezelf eraan herinneren dat ik naar een hemellichaam kijk; iets dat zich heel ver weg van mij door dezelfde ruimte beweegt. die onvoorstelbare ruimte; ik begrijp het niet.

het ruikt naar stro, buiten.
dromerige, zachte zomermiddagen. alles dat groen was is nu goudgeel door de droogte. het maakt de wereld wazig, verkruimelt grenzen, zoals technicolor films die zich in zomers italië afspelen.
de gierzwaluwen zijn weg. boerenzwaluwen hebben zich plotseling vermenigvuldigd, kletsend en pruttelend schieten ze boven mijn hoofd door de lucht.
zien vogels de lijnen van de wind?

er lag een dode mus op het fietspad. hij zag er uit als nieuw.

in de wind klinkt een hartslag. vlug. het levert inspanning.

de zachte zuchten wind laten de bomen ruisen. het klinkt zilver.
het zilvergoude licht van vanmorgen is nu glanzend zachtgeel, alsof er boter over de wereld is gesmeerd.

grijze haren. mijn grijze haren.

de ingang van het bos ziet er spookachtig uit; door de diepe schaduwen, door de harde wind, doordat het pad linksaf buigt en direct uit zicht verdwijnt.

er vallen vlokken witte verf, losgeregend van het plastic dak boven de uitbouw. het stroomt met het hemelwater naar beneden of waait in mijn gezicht als de zon het heeft laten drogen en het als veertjes met windvlagen meereist.

de plataanbomen in het dorp laten schors los door de droogte.
mijn voeten zijn koud.
langs de kant van de weg een hoopje egel.

de weg is een spiegel, verdwijnt tussen het gras van bermen, is nu een rivier.
de wereld druipt. er kan weer adem worden gehaald.
linten kou glippen via het open raam naar binnen. er hangt een blauwe zomerstormlucht boven het ijsselmeer.

ik ben er bijna zeker van dat boerenzwaluwen de wind kunnen zien.
het is nacht. ik maak me zorgen om mijn jonge echinacea-planten.

hoe ziet het geluid van de noordzee eruit?

de wereld is blauw, de avond kalm, de zon een gloeilamp; het licht eromheen als glas.
overal luchtballonnen.
de zon ging bijna onder maar iemand had een strook papier voor de zon geplakt. zo veel ruimte. het licht kwam boven de strook uit, en kwam er onderdoor, maar het oog zelf bleef verborgen.
de zomer is op.

het regent terwijl de zon schijnt; de wereld rijgt een kralengordijn van de recht naar beneden vallende druppels.

niets is zo eenzaam als het lezen van poëzie.
kieviten verzamelen zich.
wat is het tegenovergestelde van “verlaten”?

een gillende slijptol, en een trekker die stationair draaiend ergens op wacht. dertig minuten later staat het daar nog steeds te brommen. de zomer is voorbij en men denkt weer aan vooruitgang.

mars ziet rood in het zuid-zuidoosten van de avondhemel.
we vliegen.

ik zwom in de noordzee. ik bewoog mee.
duizelig op het land.
zoutkorrels op mijn lijf.
hij at friet met een rood vorkje.

*


zó spinnen goden de levensdraad van de rampzalige mensen:
dat ze lijden terwijl de goden zelf zorgeloos leven.

ilias, homeros (vert. imme dros)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

//