kassandra/ christa wolf

Uit Kassandra van Christa Wolf (vert. Tinke Davids/ Van Gennep Amsterdam 1986/ met een nawoord van Margret Brügmann):

Spreken met mijn stem: het uiterste. Meer, iets anders, heb ik niet gewild. (p6)

Wie zal, en wanneer, de taal terugvinden. (p10)

Alles wat ze moeten weten zal zich voor hun ogen afspelen, en ze zullen niets zien. Zo is het nu eenmaal.
Nu kan ik gebruiken wat ik mijn leven lang geoefend heb: mijn gevoelens overwinnen door denken. (p. 10)

Ook zelfverwijt voorkomt dat de belangrijke vragen geformuleerd worden. (p10) 

Wat was er aan de hand. Waar woonde ik eigenlijk. Hoeveel werkelijkheden waren er in Troia nog naast de mijne, die ik toch had aangezien als de enige. Wie bepaalde de grenzen tussen het zichtbare en het onzichtbare. (p22)


(Ja, weinig vraagtekens. Ik vond de afwezigheid van die vraagtekens prettig; betwijfelt een zin die eindigt met een vraagteken vooral zichzelf?
Maar het volgende passage bevat wel een vraagteken. Wat betekent dat.)


Wat ik levend noem? Wat noem ik levend. Het moeilijkste niet schuwen, verandering brengen in het beeld dat je van jezelf hebt. (p23)

Er zijn geheimen die een mens verteren, en andere die hem sterker maken. (p32)

Veel later heb ik begrepen dat de manier waarop een mens tegenover zijn pijn staat meer verraadt over zijn toekomst dan de meeste andere voortekenen die ik ken. (p33)

Wie leeft zal zien. De gedachte komt bij me op dat ik in het geheim de geschiedenis van mijn angst zoek. Of juister gezegd: de geschiedenis van haar ontbreideling, of nog nauwkeuriger: van haar bevrijding. Ja, echt, angst kan bevrijd worden, en daarbij blijkt dat ze met alles en allen die onderdrukt zijn samenhangt. (p37)

Waarom worden verlangens die op vergissingen berusten altijd oppermachtig in ons? (p39)

Ik wist nog niet dat gevoelloosheid nooit vooruitgang betekent, en nauwelijks hulp biedt. Hoe lang heeft het niet geduurd voordat mijn gevoelens weer de lege zieleruimte binnenvloeiden. Mijn wedergeboorte gaf me niet alleen het heden terug, wat men leven noemt, ook het verleden werd voor mij opnieuw ontsloten (..). (p53)

Wie leeft is niet verloren. (p75)

Als een kind slaapt, zo zegt men, vliegt zijn ziel, een fraaie vogel, naar de zilveren olijf, en dan langzaam naar de ondergaande zon. Ziel, fraaie vogel. Soms licht als de aanraking van een veer, soms krachtig en pijnlijk voelde ik hoe ze zich in mijn borst bewoog. (p80)

Een ring, de buitenste die mij omsloten had, barstte open, viel neer, vele andere bleven. Het was een adem scheppen, een versoepelen van de gewrichten, een opbloeien van het vlees. (p90)

Ik heb een angst-geheugen. Een gevoelsgeheugen. (p107)

Wat niet zichtbaar, ruikbaar, hoorbaar, tastbaar is, bestaat niet. Het is het andere dat ze tussen hun scherpe distincties vermalen, het derde dat volgens hen helemaal niet bestaat, het glimlachend levende dat in staat is steeds weer zichzelf te reproduceren, het ongescheidene, geest in het leven, leven in de geest. (p108)

Het naamloze kwetsbare dat de mens tot mens maakt. (p115)

Ik geloof dat wij ons wezen niet kennen. Dat ik niet alles weet. Dus misschien komen er in de toekomst mensen die hun overwinning weten om te zetten in leven. (p118)

Tegen een tijd die om helden vraagt kunnen wij niets beginnen (..). (p139)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

//