los zand (tjitske jansen)

Ik ben bezig met het schrijven van een langere tekst en gisteren had ik ineens de moed opnieuw te beginnen. Het was nodig, ik was aan het verdwalen en alles leek plotseling op een paradox. In ieder geval sprak alles elkaar tegen.

Gisteren, ook, kocht ik Voor altijd voor het laatst van Tjitske Jansen. Vermoedelijk bracht zij mij de moed. Om specifieker te zijn, haar woorden hielpen me.

(Buiten wordt het gras geknipt met zo'n ouderwets duwertje.)

Het boekje is ondertussen bijna uit, het is iets dikker dan een gedichtenbundel: honderddertien pagina's. Wel bevat het meer woorden: Voor altijd voor het laatst is Jansens proza-debuut. Maar ze is moeilijk te categoriseren, geloof ik. Nadat ze, als nog ongepubliceerde schrijver, werk naar een uitgeverij had gestuurd (op aanraden van Joke van Leeuwen, acht lessen lang Jansens schrijfdocente) werd haar in een antwoord gezegd dat haar werk ‘nog te veel los zand’ was. ‘Ik schreef een brief terug. Wat is er mis met los zand?’ (p. 72)

Niets, natuurlijk. Ik houd van los zand. Bovendien: zandkorrels zijn minuscule stenen. En van stenen weten we: onverwoestbaar.

Een fragment:

‘Nog voordat het eerste jaar om was, stopte ik met mijn opleiding aan de Kunstacademie. Ik ging er nog wel regelmatig naartoe om er model te zitten tijdens de modeltekenlessen van Loukie von Freyburg. In een van de lessen liet ze me op een matras onder een donsdeken liggen. Ik hoefde alleen maar te zorgen dat mijn neus zichtbaar bleef. 'Welke plooien in de deken heb je nodig om het lichaam dat eronder ligt te suggereren? Welke kun je weglaten?' Ik wist, met mijn ogen dicht en mijn neus zichtbaar, dat ik zojuist iets had gehoord wat ik nooit meer ging vergeten. Een combinatie van precies zijn en weglaten. Daar ging het om.’ (p. 54)

kairos

Het mooiste essay dat is opgenomen in Kairos, een nieuwe bevlogenheid, is wat mij betreft het laatste essay. Het heet ‘De utopie van de verbeelding’, ‘begint’ met een foto van het beeld ‘Torso van Apollo (480-470 BC)’ en heeft als hoofdpersoon Rainer Maria Rilke, voorzover een essay een hoofdpersoon kan hebben. Echter, nu ik het opnieuw doorblader blijkt toch dat hij niet op iedere pagina vermeld staat, en ook dat het een-na-laatste essay, met als titel ‘‘Dit wonderlijk gespleten lange heden’ Over Kairos en bezieling’, deel blijkt uit te maken van een tekst die in werkelijkheid niet één is.

Even uitzoomen dus.

Kairos zou, als jongste goddelijke kind van Zeus, ‘het moment van het geschikte ogenblik’ vertegenwoordigen. Dat moment kun je niet najagen, daar moet op gewacht worden, maar men dient alert te zijn, want het kairotische moment is ook zomaar weer verdwenen. Bijna helemaal voorin Kairos schrijft Joke Hermsen:

‘Kairos rommelt (..) aan gefixeerde opposities, (..) hij zorgt voor nieuw leven in de brouwerij, omdat hij beide polen van een tegenstelling op een nieuwe wijze op elkaar betrekt. Kairos is de middle voice, schrijft Eric Charles White in zijn boek Kairomania (1987): de stem van het intermezzo die tussen beide polen in gaat zitten om er een nieuwe samenhang in te ontdekken.’ (p. 22)

Kairos heeft, kortom, met vernieuwing en verandering te maken. En een beetje met tijd: er is leven voor én na het idee, en in de tussentijd proberen we de verandering om te zetten in taal of beeld of muziek. Die tussentijd doet mij natuurlijk denken aan Henri Bergsons ‘duur’, een onderbreking van kloktijd die ons toegang geeft tot een innerlijke tijd, een tijd die tevens creatiever zou zijn.

Het laatste essay is een lofzang op de kunsten, en geeft een voorbeeld van een kunstenaar die een zeer goede relatie lijkt te hebben gehad met Kairos (én Bergsons ‘duur’): Rainer Maria Rilke. Rilke was een man die leefde voor zijn kunst, dat blijkt onder andere uit zijn Brieven aan een jonge dichter. In ‘De utopie van de verbeelding’ laat Hermsen met behulp van teksten van Peter Sloterdijk zien hoe Rilke de kunst accepteerde als hoge macht die niet autoritair is en alleen laat zien wat de persoon die kijkt kán zien. Gelijk aan niveau, ofzo, maar het daagt tevens uit.

Terug naar dat beeld ‘Torso van Apollo (480-470 BC)’. In 1907 loopt Rainer Maria Rilke door de zalen van het Louvre en ‘komt voor “een archaïsche torso van Apollo” te staan, die zoveel indruk op hem maakt dat hij er het volgende, gelijknamige gedicht over maakt:

Wij zagen nooit zijn ongekend gezicht,
De oogappels die daarin rijpten.
Maar zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,
nog glanzen blijft.

Anders zou de welvende borst jou niet verblinden,
en in ’t zacht draaien der lendenen
zou niet de glimlach dringen, naar het midden toe,
dat het geslachtsdeel droeg.

Anders zou onder de val der schouderlijn
deze steen slechts een beschadigde zijn
en niet zo glinsteren als een roofdiervel;
en niet als een ster losbreken uit zijn kartelranden,
geen plek aan hem die jou niet ziet,
je moet je leven veranderen.
’ (p. 264-265)

Rilke heeft het gevoel dat het beeld dat hij bekijkt hem óók ziet. Sterker nog, hij voelt dat het hem iets zegt: je moet je leven veranderen. Het is de schoonheid van de kunst die hem overtuigt. Hermsen schrijft hierover (met tussen haakjes woorden uit Peter Sloterdijks Je moet je leven veranderen):

‘Aangezien wij als mondige burgers geen ‘heren meer boven ons willen hebben’, kan alleen de niet op macht gebaseerde maar wel superieure of verheven – in de zin van ‘sublieme’ – kunst nog enige invloed op ons uitoefenen. Zij kan ons inspireren tot het ‘betreden van een binnenwereld’, waardoor er reflectie op ons leven ontstaat en we tot verandering kunnen komen.’ (p. 265)

‘Je moet je leven veranderen’ is een boodschap die mensen tegen de borst stuit, komt belerend over, vraagt om energie en fantasie en creativiteit en moed. En tijd. ‘Je moet je leven veranderen’ slaat op onze gewoonte meer belang te hechten aan de materiële buitenzijde. Dat zal te maken hebben met angst, voor vernieuwing, verandering, schoonheid. Maar, en dit blijft Hermsen herhalen, de kunsten willen geen macht over ons uitoefenen. Toch is schoonheid in dit geval geen comfortabele ervaring: het biedt de confrontatie aan met onze lelijke gewoonte niet zelf te leven maar geleefd te worden. Rilke erkende dit, en schreef er de volgende regels over: ‘ (..) het schone is niets / dan een schrikbarend beginnen, dat we nog net kunnen verdragen, / en wij bewonderen het zo, omdat het gelaten verzuimt / ons te vernietigen. Elke engel jaagt schrik aan.

Een sculptuur uit de oudheid, poëzie van ongeveer een eeuw geleden, filosofie en literatuur van de twintigste eeuw; kunst herrijst, soms onzichtbaar, maar het herrijst desalniettemin. ‘Het stoffelijke’, schrijft Hermsen, ‘zal alleen door onze intense aandacht niet vervluchtigen en dan 'verinnerlijkt' bestendigd kunnen worden. Dan pas komt samen, zoals in de vierde elegie [De elegieën van Duino, Rainer Maria Rilke] staat, wat we doorgaans bij al onze drukke bezigheden steeds gescheiden houden:
Dan pas komt samen wat wij steeds, in ons bestaan,
Gescheiden houden. Dan pas ontstaat
De kringloop van het eeuwige vernieuwen
Uit onze jaargetijden. Boven ons uit
Speelt dan de Engel
(p. 269)’

dora bruder

Patrick Modiano zoekt in Dora Bruder naar een vijftienjarig joods meisje dat ooit als vermist werd opgegeven door haar ouders. Hij stuitte op een opsporingsbericht in een oude krant en probeerde te achterhalen of ze ooit is gevonden, en wat haar vervolgens is overkomen.

Dora Bruder (ze heeft echt geleefd) liep in december 1941 weg van huis, ze wilde volgens Modiano niet terug naar het katholiek internaat Saint-Coeur-de-Marie na een weekend bij haar ouders. Modiano moet veel gaten invullen, het is lastig een doodgewoon meisje op te sporen en te volgen in de jaren veertig van de vorige eeuw. Van een familielid krijgt hij te horen dat Dora wat opstandig was, is dat waarom haar ouders haar naar een kostschool brachten? Maar waarom katholiek? Haar vader liet na haar te registeren terwijl dat zeer strafbaar was (want joods), zijn dit pogingen geweest zijn dochter te beschermen tegen de nazi's?

Het is een naar gegeven: de informatie die te vinden is, is daar omdat Dora Bruder werd vervolgd omdat ze een jodin was. Er zijn gegevens te vinden omdat ze naar kampen werd gebracht: in 1942 werden steeds meer razzia's uitgevoerd, Franse joden werden verzameld in interneringscentra (bijvoorbeeld Drancy) en later op transport gezet naar (meestal) Auschwitz.

Kortom: er is vooral heel veel afwezig.

Dora Bruder heeft de vorm van een verslag, en doet vermoeden dat het geen roman is maar non-fictie. Modiano vertelt waar hij naar inlichtingen heeft gevraagd, hoe hij soms verdwaalde in de bureaucratie. Hij neemt documenten van politie, het internaat en nazi's (gedeeltelijk) letterlijk over, en schetst een tijdlijn. De feiten die genoemd worden spreken voor zich. De zakelijkheid waarmee Modiano over Dora Bruder schrijft raakt nog iets anders aan, het verwijst, vermoed ik, naar de kille en wrede wijze waarop joden (en andere niet-arische mensen) uit de wereld werden geplukt.

Na de oorlog werden veel sporen van nazisme in Parijs aan het zicht ontnomen. Toen Modiano in 1996 het interneringskamp les Tourelles wilde bezoeken, waar Dora Bruder zich bevond voordat ze werd doorgestuurd naar Auschwitz, stuitte hij op een hoge muur:

‘Ik ben langs die muur gelopen. Er hangt een bord waarop staat:

MILITAIR TERREIN
VERBODEN TE FILMEN OF TE FOTOGRAFEREN

Ik dacht bij mijzelf dat elke herinnering was uitgewist. Achter de muur strekte zich een niemandsland uit, een zone van leegte en vergetelheid. De oude gebouwen van les Tourelles waren niet afgebroken (..) maar het kwam op hetzelfde neer.
       En toch voelde je zo nu en dan, onder die ondoordringbare laag geheugenverlies, iets als een verre, verstikte echo, maar wat het precies was, viel niet te zeggen. Het was of je aan de rand van een magnetisch veld stond, zonder een pendel om die trillingen op te vangen. Onzekerheid en een slecht geweten hadden tot dat bordje geleid: MILITAIR TERREIN. VERBODEN TE FILMEN OF TE FOTOGRAFEREN.’ (p. 121)

Zie daar de schimmen van Dora Bruder. Dora's Parijs is ook Modiano's Parijs: plotseling krijgen Modiano's herinneringen een andere betekenis, en plaatsen in de stad een nieuwe lading. Hoewel het boek grotendeels bestaat uit de reconstructie van Dora's verdwijnen, keert Modiano keert zo nu ook terug naar momenten uit zijn eigen leven. Hij deelt (o.a.) verhalen van en over zijn vader: een joodse man die niet in de handen viel van nazi's en zijn zoon kon vertellen over de donkere dagen in een bezet Parijs. Op die manier, en dit is kunstig uitgevoerd, krijgt ook Dora's verhaal meer gestalte.

Dora's schim is een van de miljoenen. Veel mensen zijn verdwenen. Zozeer verdwenen dat er geen spoor te vinden is: veel nazi-documentatie is verloren gegaan, zodat er over velen geen verhaal te vertellen ís. Modiano legt hier de nadruk op door zijn vertelling zo klein mogelijk te houden, en dat is dan ook wat het zo waardevol maakt.

stil de tijd

In de inleiding van Stil de tijd vertelt Joke Hermsen over ‘de klassieke filosofische gedachte dat rust en nietsdoen de grondslagen van een beschaving zijn’. Nietsdoen laat ruimte voor het denken en de creativiteit. ‘De belangrijkste taak van een democratisch staatsman was volgens de Griekse filosofen dan ook juist die rust te bevorderen. Daartegenover staat de tiran die zijn macht wil vergroten door het volk continu bezig, dat wil zeggen rusteloos en niet nadenkend te houden.’ Ze vraagt zich af hoe democratisch onze samenleving nu eigenlijk is, aangezien onze regering hard werken zalig verklaart en ‘de meeste beslissingen om louter economische redenen genomen worden’ (p. 20). De tijd die we hebben moeten we blijkbaar nuttig besteden. Nuttig! Wie bepaalt wat nuttig is, hoe wij onze tijd moeten gebruiken? Van wie is de tijd? En wat is het?

Nadenken over tijd is bijna onmogelijk: de wijze waarop wij tijd benaderen zit in ons systeem gebakken. Het kost moeite alles dat we denken te weten los te laten en met niks te beginnen, je kunt een bestaande en bekende theorie niet ontdenken.

Bij veel ideeën ontstaat er in mijn hoofd een beeld, ook bij het begrip 'tijd'. Een jaar is voor mij bijvoorbeeld rond: de zomer neemt een groot deel van de bovenkant van de cirkel in beslag, de winter is onderaan te vinden. En de winter kent een middelpunt: daar begint een nieuw jaar. December kent een grens: het komt ergens vandaan, is bijna verzadigd, maar beweegt zich nog altijd ergens naartoe. Januari is leeg en en licht en wijds, het is vrij en kan doen wat het wil, maar heeft wel een aanmoediging en inspiratie nodig. Maar als ik over een langere periode nadenk, veranderd dat beeld weer. Jaren verdwijnen in de diepte. Het hoogste punt is nu, het nieuwste jaar. De toekomst is boven mij te vinden.

Wat ik hiermee wil zeggen is dat ik nogal eens over tijd nadenk. En vooral over het feit dat iemand ooit heeft bedacht dat tijd lineair is, en wij vervolgens vast zijn komen te zitten in het beeld van tijd als een lijn. Overal waar je kijkt, komt, is tijd op dezelfde manier aanwezig. Ik vind dat nogal verontrustend, tijd is een idee, en wij leven met dat idee alsof het een kwestie is van zeker-weten. Joke Hermsen probeert in haar essaybundel Stil de tijd dit zeker-weten los te laten. Een van haar grootste inspiratiebronnen is Henri Bergson.

Bergson ontving ooit de Nobelprijs voor de Literatuur, maar hij was filosoof. De Fransman verzette zich tegen de natuurkundige tijd, de kloktijd die wordt verdeeld in ‘een reeks homogene en van elkaar geïsoleerde partjes – seconden, minuten, uren enz. – die vervolgens netjes naast elkaar op een oneindig lange lijn werden geplaatst en zo geteld konden worden.’ (p. 40) Bergson kwam met een tijdfilosofie die niet te vergelijken is met de chronologische tijd, alleen al omdat het een tijd is die alleen gevoeld kan worden. Bergson spreekt in plaats van tijd over 'duur':

‘De zuivere duur is de vorm die de opeenvolging van onze bewustzijnstoestanden aanneemt, wanneer ons ik zijn leven op zijn beloop laat, wanneer het geen scheiding wil aanbrengen tussen de huidige en de vroegere toestanden. Daartoe hoeft het niet helemaal door te dringen in het gevoel of idee dat voorbijgaat, want anders zou het integendeel ophouden te duren. Het hoeft evenmin de vroegere toestanden te vergeten: voldoende is het, terwijl het zich die toestanden herinnert, om ze niet naast de huidige toestanden te zetten als het ene naast het andere punt, maar om ze in een organisch verband ermee te plaatsen, net zoals we ons soms de noten van een melodie als het ware samengesmolten herinneren.’ (p. 43; uit Henri Bergsons Inleiding tot de metafysica)

Hermsen beschrijft duur als een sneeuwbal die door de opeenvolging van bewustzijnstoestanden steeds groter wordt, één blijft. Wat ooit was is er nog steeds, en maakt deel uit van wat nu is; duur heeft ons geheugen nodig (dit houdt steek als je stil staat bij tijdbeleving van mensen die kampen met Alzheimer. Ik kan me herinneren dat mijn oma haar gevoel voor kloktijd totaal verloor naarmate haar ziekte erger werd). Dat maakt van duur mede een innerlijke tijd, het is volgens Hermsen dan ook een ‘inuïtief contact met de werkelijkheid’: fijne momenten ervaren we als kort, terwijl nare ervaringen vaak te lang duren (etcetera). Dat heeft niets met kloktijd te maken, maar met de innerlijke ervaring.

In principe leven we dus met twee tijden. De klok zal niet zomaar uit onze samenleving verdwijnen, en die innerlijke tijd is er gewoon. Twee tijden, en daarmee twee versies van ons zelf. We zijn een 'ik' die eet, slaapt, werkt, doet, en een 'ik' die door Bergson le moi profond genoemd wordt, het diepe zelf. Bergson bedacht dat wij steeds meer buiten dan binnen leven, en dat we daarom meer worden gehandeld dan dat we zelf handelen. ‘Vrij handelen,’ schreef hij, ‘dat is opnieuw bezit van zichzelf nemen, zich terugbegeven in de zuivere duur.’ (p. 46) Hermsen schrijft hierover:

‘Het opmerkelijke van Bergsons gedachtengang is dat het domein van de menselijke vrijheid zich dus niet zozeer binnen de actieradius van het rationele, handelende ik bevindt, zoals we gewoonlijk aannemen, maar dat deze zich juist op het niveau van de duur en het 'diepe zelf' openbaart. (..) Authenticiteit en vrijheid ontstaan bij hem juist tijdens de schaarse momenten waarop de ervaring van de tijd als duur door de mechanische en onvrije handelingen van het door kloktijd geregeerde ik heen kan breken.’ (p. 46-47)

Bergson staat in principe centraal in Stil de tijd. Andere essays gaan over Prousts herinneringen en Woolfs moments of being, over Etruskische en Griekse tijd, en het ontglippen van het nu, maar Hermsen weet altijd de link te leggen met Bergsons tijdfilosofie, en zijn ideeën over le moi profond. Hermsen schrijft prettige essays, erudiet en helder tegelijk. Daar komt bij dat dit boek aan het denken zet omdat het zoveel thema's en ideeën aanraakt; Stil de tijd werkt (wat mij betreft) zeer stimulerend.

villa triste

Ik las in twee weken tijd drie boeken van Patrick Modiano. Drie zeer verschillende boeken, wat me nogal verbaasde omdat ik ergens het idee heb opgevat dat Modiano telkens weer hetzelfde boek schrijft, ofzo; er werd nogal wat over de man geschreven nadat hem de Nobelprijs voor de Literatuur werd toegekend.

Over De plaats van de ster schreef ik al, Modiano's woedende debuut, een boek dat absurd aanvoelt maar dat niet is, dat is zoals het is uit noodzaak. Villa Triste is een boek waarin ‘alles (..) door heel zachte watten [werd] gedempt’ (p. 148). In Villa Triste kijkt de hoofdpersoon terug op een bij vlagen zeer gelukkige zomer in Zwitserland. Hoe hij, de ik-persoon, heet weet ik niet. Hij noemde zich destijds graaf Victor Chmara, maar neemt tijdens het vertellen van zijn verhaal, nu, geen moeite te verbergen dat dat niet zijn echte naam is. Het lijkt niet meer van belang te zijn: twaalf jaar later voelt hij de dreiging die hem in de jaren zestig uit Parijs deed vluchten niet langer. Toch noemt hij nooit zijn echte naam.

In Zwitserland leert Victor Yvonne Jacquet en René Meinthe kennen. Yvonne en René kennen elkaar al vanaf hun jeugd, ze verlieten samen het dorp waar ze opgroeiden in de hoop niet meer terug te hoeven keren, maar zijn daar nu toch weer beland. Geen van drieën laat iets los over hun verleden: Victor liegt als hem iets wordt gevraagd, Yvonne en René omzeilen nieuwsgierigheid vakkundig. Wat Victor wel te weten komt, wordt hem aangereikt door familie of dorpsgenoten.

Victor krijgt iets met Yvonne en maakt in stilte plannen voor een gezamenlijke toekomst. Maar na een aantal perfecte weken, of maanden, tijd beweegt ongemerkt in dit boek, gebeurt wat er moest gebeuren: Yvonne maakt zelf plannen voor haar toekomst, en verdwijnt. Twaalf jaar later bezoekt Victor dezelfde plek in de hoop iets van die zomer opnieuw te ervaren.

En dat was het. Er gebeurt niet veel in Modiano's boeken (dat wil zeggen: niet op de gebruikelijke manier), maar wie geeft er nog om plot dezer dagen? Daar komt bij dat Modiano verrukkelijk kan schrijven over stille huizen, zwoele nachten, absurde meningsverschillen, winterwind. Achterop Villa Triste staat een quote van Arnon Grunberg gedrukt, hij beweert: ‘Modiano is een meester in het suggereren van welke emotie en sfeer dan ook.’ Dat is helemaal juist; proef dit eens:

‘Zodra je over de drempel van die villa [‘Villa Triste’] stapte, werd je door een glasheldere weemoed bevangen. Je betrad een zone van rust en stilte. De lucht was er ijler. Je zweefde. De meubels waren kennelijk van de hand gedaan of weggegeven. (..) Het parket had een lichte kleur, maar was slecht onderhouden. (..) We zetten de verandadeuren open en strekten ons uit op de canapé. (..) We zweefden. Onze gebaren waren oneindig traag en wanneer we ons verplaatsten, ging dat centimeter voor centimeter. Kruipend. Een plotselinge beweging zou de betovering hebben verbroken. We spraken fluisterend. De avond drong via de veranda het vertrek binnen en ik zag stofdeeltjes doodstil in de lucht hangen. Er reed een wielrijder voorbij en ik hoorde minuten lang het snorrende geluid van zijn fiets. Ook hij bewoog zich centimeter voor centimeter voort. Hij zweefde. Alles om ons heen zweefde. We namen niet eens meer de moeite het licht op te steken wanneer de avond was gevallen.’ (p. 147)

Ik zal binnenkort iets schrijven over Dora Bruder, ook dat boek maakte indruk op me. To be continued, dus.

het een als het ander (2)

Het een als het ander staat boordevol mooie observaties. Dat wat nu volgt zit al sinds ik het las in mijn hoofd (het is trouwens een overpeinzing van de middeleeuwse kunstenaar):

‘(..) dit oord is vol mensen die ogen hebben en ervoor kiezen om niets te zien, die allemaal in hun handen praten terwijl ze aan het peripateren zijn en allemaal die votieven dragen, sommige met de omvang van een hand, andere met de omvang van een gezicht of een heel hoofd, gewijd aan heiligen misschien, en de hele tijd kijken ze naar of praten ze in of bidden ze tegen deze stenen of iconen door ze naast hun hoofd te houden of ze met vingers te strelen en door alleen naar die dingen te staren, en dat betekent dat ze zwaar moeten zijn in hun wanhoop om zo onophoudelijk weg te kijken van hun wereld en zo toegewijd aan hun iconen.’ (p. 189)

het een als het ander

      ‘Ze nam een foto van de andere sculptuur van de dubbele helix die het einde van de route markeerde.
      Ze keek naar de foto op haar telefoon en toen weer naar het kunstwerk zelf.
      Het leek op een vrolijke springveer of een op maat gemaakte ladder. Het leek een soort schreeuw, als je zou kunnen zeggen dat een schreeuw naar de hemel ergens op lijkt. Het leek het tegendeel van geschiedenis, hoewel ze op school altijd maar doorgingen over de DNA-geschiedenis, die hier in deze stad geschreven was.
      Wat als de geschiedenis nou eens deze schreeuw was, die opwaarts gerichte springveer, dat wenteltrapgeval, en iedereen het gewoon alleen maar gewend was om iets heel anders met het woord geschiedenis te duiden? Wat als de gevestigde ideeën over geschiedenis bedrieglijk waren?
      Misschien was datgene wat die springveer had teruggeduwd of de opwaartse schreeuw had tegengehouden wel een tegenstander van het ontstaan van zoiets als werkelijke geschiedenis.’ (p. 143-144)

Het een als het ander bestaat uit twee delen. Het heeft twee hoofdpersonen, speelt zich af in twee tijden: George is van nu, zij leeft in de wereld van smartphones; Francesco is een middeleeuwse kunstenaar. Er staat een muur tussen de twee verhalen, maar muren zijn niet altijd even sterk: het kwam mij voor alsof Francesco door de muur sijpelde, en op die manier zomaar een nieuwe tijd bereikte. Zonder zich te herinneringen hoe ze zelf ooit stierf, slaat de kunstenaar George lang gade. Wellicht was het de ‘schreeuw naar de hemel’ die iets teweeg bracht. Helix: Grieks voor twist.

Dit boek is overigens in twee versies gedrukt. Je begint als lezer met het verhaal van George óf Francesco (ik las eerst over George). Het is niet na te gaan of dit invloed heeft op de leeservaring, je leest een boek immers maar een maal voor het eerst. Ik heb het vermoeden dat Ali Smith hiermee een lange neus trekt naar literatuurcritici. Wat zeker is, is dat ze een interessante discussie oproept. Maar daar ga ik het nu niet over hebben.

Mijn versie van het boek begint dus met George. Ze is jong, intelligent, koppig, en ze is in rouw: haar moeder is pasgeleden overleden. Haar heden wordt zo nu en dan geïnterrumpeerd door herinneringen. Niet lang voor haar sterven nam George's moeder haar twee kinderen mee naar Italië. De reis stond volledig in teken van de fresco's van ene Francesco del Cossa. Diezelfde kunstenaar is in het heden onderwerp van George's onderzoek.

Een aantal pagina's na George's bovenstaande overpeinzing over het ontstaan van ‘werkelijke geschiedenis’ stopt haar verhaal en verschijnt Francesco del Cossa. Stukje bij beetje, kun je wel zeggen, de eerste twee pagina's zijn gevuld met afgebroken regels, alsof het om poëzie gaat. Nu ik er weer naar kijk lijkt er een dubbele helix te zijn afgebeeld.

En dat zegt heel veel over hoe de levens van George en Francesco elkaar raken: er zijn nogal wat overeenkomsten te noemen. Deze ga ik niet opsommen omdat ik dan mogelijk veel weggeef, datzelfde geldt voor de wijze waarop Francesco George observeert en George's fascinatie voor Francesco's leven en werk. Laat ik het dan zo omschrijven (met wederom de dubbele helix in gedachten): de twee levenslijnen lopen parallel, bewegen als zijnde een spiraal: er is sprake van constante verandering, beweging. Die lijnen zijn weer met elkaar verbonden door andere lijnen. Altijd ergens anders, en in een andere tijd, telkens nieuw, maar er is verwantschap.

Francesco verdwijnt overigens zoals ze verscheen: stukje bij beetje, met afgebroken regels. Plotseling. Ali Smith hint reeds naar verdwijnende personages voordat haar verhaal überhaupt begint, ze gebruikt enkele citaten uit werk van anderen om haar boek in te leiden. Van Giorgio Bassani: ‘Als een romanfiguur verdween hij plotseling zonder enig spoor achter te laten.’ De volgende, van Hannah Arendt, gaat wellicht over de ruimte waar Francesco del Cossa zich eeuwenlang ophield:

‘Hoewel de levende is onderworpen aan de vernietiging van de tijd, is het proces van aftakeling tegelijkertijd een proces van kristallisatie, dat in de diepte van de zee, waarin datgene wat ooit leven was zinkt en wordt opgelost, sommige dingen een transformatie ondergaan en overleven in nieuwe gekristalliseerde vormen en gestalten die immuun blijven voor de elementen, alsof ze alleen hebben gewacht op de parelduiker die op een dag naar ze zou toekomen en hen zou meenemen naar de wereld van de levenden –’

Ik houd er niet van om een boek een parel te noemen, maar met deze woorden van Arendt in gedachte past het. Een parel dus, Het een als het ander.

Ik twijfel of deze bespreking wel in de buurt komt van de essentie van het boek, het is mogelijk dat ik te veel niet benoem of bespreek. Toch laat ik het hier voor nu bij, ik denk dat het boek het waard is enigszins mysterieus te blijven. Ik blijf me maar dingen afvragen; later misschien meer.

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief