naar de rivier

Ik las laatst een boek over een rivier in Engeland, en het leerde me een volledig nieuw genre kennen. Ik weet alleen niet zo goed hoe dat genre heet. Het gaat om de boeken waarin wordt geschreven over de natuur; het beleven ervan en daarnaast het filosoferen over.

Het boek dat ik las heet Naar de rivier, is geschreven door Olivia Laing, en gaat over de Ouse (je schijnt het uit te spreken als oeoezoez, een beetje op z'n uils dus). Ik wist weinig over deze Ouse, behalve dan dat Virginia Woolf besloot te verdwijnen in de rivier.

In dit boek volgt Laing de loop van de rivier, zo mogelijk (veel stukken grond die aan de rivier liggen zijn privébezit). Naast het beschrijven van het gebied, vertelt ze verhalen over de omgeving. Er wordt geschreven over natuur, literatuur, en geschiedenis, over overstromingen, veldslagen en geologische ontdekkingen. Kenneth Grahame, Iris Murdoch, Odysseus. Ze duikt (soms letterlijk) in de rivier, diepte gezocht en gevonden, en breekt dan weer door het oppervlak wanneer ze terug wordt gesleurd door de realiteit.

Het plaatsen van een gebeurtenis, een verhaal uit het verleden, in een bestaand landschap brengt alles dichterbij. Kan dit? Laing wandelt, en ik wandel mee. Ik voel de koelte van het stromende water op een warme, plakkerige dag. Ik zie het zilveren water, de vissers aan de rand van de rivier, de zich ontwikkelende stapelwolken. De mooie verhalen van (soms) lang geleden komen dan binnen in een omgeving die ik lijk te kennen. Misschien herken ik de omgeving zelfs wel als ik er zelf ooit in het echt kom. Fictie kan dit natuurlijk heel goed, maar om een reden die ik (nog) niet kan aanwijzen gebeurt dit bij non-fictie sneller. En daarom neemt het mij ook sneller mee, naar waar dan ook.

Een reis onder het oppervlak (ondertitel)—als je het toelaat, jawel. Ik merkte dat ik zo nu en dan echt in mijn gedachten verzonken was, om daarna, net als Laing in haar werk, terug te keren naar de werkelijkheid en me weer met het tastbare bezig te houden: het boek. Ik bedacht dat eigenlijk alles lijkt op een rivier (behalve de zee, maar de zee is het begin en/of het einde): wind is niet nat, maar is verder in veel aspecten net als water; bomen—wortels, takken. Vertakkingen. Als één stroom die langzaam ook andere kanten op beweegt. En, vanzelfsprekend, het leven van een mens. Want iedereen leeft, maar niet iedereen gaat eenzelfde kant op. Alles betekent evenveel. Er is geen niets. Het oppervlak bedriegt.

Dit is wat er gebeurt zodra je jezelf onderdompelt in dat waar je zelf deel van uitmaakt: natuur. Hoewel er zó veel is, en niets werkelijk overeen lijkt te komen, is alles op afstand opeens onafscheidelijk. Alles is belangrijk, of niets is belangrijk. Is het zo simpel?

Ik vind het mooi als een boek zo dichtbij komt. Het is natuurlijk altijd persoonlijk. Ik heb een volledig nieuwe wereld ontdekt, want dit is weer iets waarin ik niet alleen ben. Er zijn veel mensen die veel observeren, voelen, verbanden leggen, en dan ook nog de tijd nemen om daar over te schrijven. Ik wil meer lezen, het boek is te kort, maar een nieuwe lijst is al lang.

(Oh, slenterliteratuur? Misschien? slen·te·ren 1· langzaam en zonder doel wandelen.)

brieven aan een jonge dichter

Brieven aan een jonge dichter is waarschijnlijk het bekendste werk van de dichter Rainer Maria Rilke. Hij was een groot brievenschrijver, er zijn meer brieven dan gedichten van hem gepubliceerd. Dit kleine boekje bestaat uit een klein aantal brieven die Rainer Maria Rilke ooit stuurde aan een jonge en onzekere dichter, Franz Xaver Kappus. Deze onzekere dichter is zelf nooit echt groot geworden, zijn naam is nu enkel nog bekend vanwege zijn besluit deze ontvangen Rilke-brieven te publiceren.

Rainer Maria Rilke vertelt veel over zichzelf in deze brieven. In feite reageert hij op problemen waar Kappus mee kampt, geeft hij tips en vertelt in detail hoe Kappus volgens hem zou moeten leven: besteedt niet teveel aandacht aan de mening van anderen, leer jezelf comfortabel te voelen in eenzaamheid, verspil geen energie aan onbelangrijke dingen. Deze woorden weerspiegelen zijn eigen dromen; het lukte hem zelf niet. Volgens het voorwoord van Jean Pierre Rawie had Rainer Maria Rilke zijn hele leven te maken met dergelijke tegenstrijdigheden:

‘Het meest typerend is hierbij zijn liefdesleven. In geschrifte gaf hij zeer hoog op van vrouwen, maar zijn geliefden - en hij was wonderlijk genoeg nogal een don juan - liet hij vaak zonder enige uitleg in de steek als hij zich in zijn ‘eenzaamheid’, die hij voor zijn werk essentieel achtte, bedreigd voelde. Terwijl hij zich in rechte lijn van de verlaten vrouw verwijderde, stuurde hij dan van ieder station rozen met de smeekbede te mogen blijven.’ (p. 10)

*

‘De dingen zijn niet allemaal zo gemakkelijk te begrijpen en te verwoorden als men ons meestal wil doen geloven; de meeste gebeurtenissen zijn niet te verwoorden, ze voltrekken zich in een ruimte die nog nooit door een woord is betreden. En het minst te verwoorden zijn de kunstwerken, geheimzinnige existenties, waarvan het leven voortbestaat naast het onze, dat eindig is.’ (Brief I, p. 15)

‘[Want] de scheppende mens moet een op zichzelf staande wereld zijn, moet alles in zichzelf vinden en in de natuur, waarbij hij zich heeft aangesloten.’ (Brief I, p. 18)

‘Kunstenaar zijn betekent: niet rekenen en tellen; rijpen als de boom die zijn sappen niet opstuwt en die rustig in de voorjaarsstormen staat zonder bang te zijn dat er geen zomer zal volgen. De zomer komt toch. Maar alleen voor de geduldigen die leven alsof de eeuwigheid voor hen ligt, zo onbezorgd stil en ver. Ik leer dat iedere dag, leer dat ten koste van pijnen waarvoor ik dankbaar ben: geduld is alles!’ (Brief III, p. 25)

‘Van leven bruisend water stroomt via de oude aquaducten naar de grote stad, danst op de vele pleinen over witstenen schalen, vloeit uit in brede, ruime bekkens, ruist overdag en richt zijn geruis tot de nacht, die hier prachtig en vol sterren is, en zacht onder de streling van de wind. En tuinen heb je hier, onvergetelijke lanen en trappen, trappen die door Michelangelo zijn bedacht, trappen die zijn aangelegd naar het voorbeeld van het neergutsende water, in zijn brede verval, zoals een golf uit een golf, de ene trede uit de andere trede barend.’ (Brief V, p. 36)

‘Waarom het wijze niet-begrijpen van een kind willen inruilen voor verweer en verachting, terwijl niet-begrijpen alleen-zijn is, maar verweer en verachting leidt tot het deelnemen aan datgene waarvan je je met die middelen wilt distantiëren?’ (Brief VI, p. 39)

hemel en hel

In lange zinnen, soms koud en afstandelijk, soms liefdevol, schrijft Jón Kalman Stefánsson in Hemel en hel over twijfels en herinneringen, over liefde, leven, hemel en hel, over God en Engelen; over de mens. De schrijver stelt eerlijke vragen over lege omstandigheden, soms zo hulpeloos dat je zelf ineens ook zonder antwoorden zit.

IJsland. Kou, sneeuw, ijs. Mensen gaan het water op om te overleven, hoe koud de wind, het water ook is: vis is voedsel, vis is geld: vis is overleven. De IJslanders kennen hun wereld, bedrieglijk en liefdevol. Eén foutje kan die wereld kosten. Het is die meedogenloosheid die een dromer fataal wordt. Bardur.

De scene waarin Bardur sterft is één van de prachtigste, heftigste, van dit boek. Het is geen schok dat hij sterft, in iedere korte beschrijving van Hemel en hel wordt in eerste instantie verteld over zijn dood. De lezer wordt echter eerst nog even geconfronteerd met het mooie mens dat Bardur is. Hij houdt van boeken en poëzie, van zijn vrienden en van de natuur. Hij leefde zo intens, en dat is uiteindelijk wat hem de dood bracht: was hij een klein beetje anders, op welk front dan ook, dan was hij niet zo eng en intens gestorven.

En dan blijft de jongen, een naam heeft hij niet voor de lezer, alleen achter. De eindeloosheid van het niets, van alles dat is verloren, drukt. Op de hoofdpersoon, op de lezer. Iets leren kennen om het vervolgens weer te verliezen. Zo hard, na zo’n prachtige vriendschap. De jongen wil het boek dat Bardur zo lief was, Paradise Lost, terugbrengen naar de echte eigenaar, om zich daarna te verliezen in dat eeuwige, eindeloze niets. Het allerliefst. Als lezer neem je het hem niet eens kwalijk. Hoe vul je een leeg hart? Hoe heel je een hoofd vol zelfverwijt?

Het is zó mooi geschreven, en zonder omwegen. Het is recht door zee omdat het niet anders kan. Ieder personage staat te dichtbij de natuur om te doen alsof. Geen opsmuk, enkel pure zinnen. Soms is dat te veel, maar Jón Kalman Stefánsson breidt zo nu en dan wat afstand door het verhaal. Dan is het alsof de engelen letterlijk van tussen de sterren meekijken.

*

De bergen torenen uit over leven en dood en over de paar huizen die aaneengedrukt op de landtong liggen. Wij wonen op de bodem van een kom, de dag verstrijkt, het wordt avond, de kom vult zich langzaam met de duisternis en dan lichten de sterren op. Ze schitteren eeuwig boven ons alsof ze een belangrijke boodschap hebben, maar wat voor een boodschap en voor wie? Wat willen ze van ons, of eerder misschien: wat willen wij van hen? (p. 9)

Op heldere dagen of wolkeloze nachten is er nauwelijks iets mooiers dan de zee als ze voor zich uit droomt en de maneschijn haar dromen vertolkt. (p. 14)

Het maanlicht is een ander soort licht dan dat van de zon, het maakt de schaduwen donkerder, de wereld geheimzinniger. (p. 36)

Het is gezond voor een mens om alleen in de nacht te staan, dan wordt hij één met de stilte en ondervindt hij een soort van verzoening die echter van het ene moment op het andere in een pijnlijk gevoel van eenzaamheid kan omslaan. (p. 49)

Bardur en de jongen lagen achterover geleund naar de met sterren bezaaide hemel te kijken die ons tegelijkertijd deemoedig en machtig maakt en soms tegen ons lijkt te spreken. Wat hij zegt, streelt voorzichtig onze oude wonden. (p. 62)

Sommige gedichten voeren ons mee naar een plek die woorden, gedachten niet kunnen bereiken, ze brengen je naar de kern zelf, het leven blijft een ogenblik lang stilstaan en wordt mooi, het wordt rein door verdriet en geluk. Sommige gedichten veranderen de dag, de nacht, je leven. (p. 86)

De zin van het leven, is dat de blauwe hemel die we nooit kunnen bevatten? (p. 94)

Wat ben je, leven? Misschien ligt het antwoord besloten in de vraag, in de verwondering die eruit spreekt. Dooft het levenslicht en wordt het duister op het moment dat we ophouden ons te verwonderen, ophouden te vragen en het leven als een gegeven nemen zoals al het andere alledaagse? (p. 201)

waar we het over hebben wanneer we het over anne frank hebben

Tijdens mijn jeugd was Anne Frank mijn heldin, Miep Gies was mijn nummer twee. Ik schreef die laatste ooit een brief waarin ik schreef hoezeer ik haar bewonderde om haar dappere beslissingen, haar liefde, haar loyaliteit. Enkele regels daaronder vertelde ik haar dat ik precies hetzelfde zou doen, in eenzelfde situatie.

Welja.

Miep Gies stuurde een brief terug. Ze was ervan overtuigd dat ik gelijk had, en dat ze zichzelf helemaal niet zag als dapper, maar gewoon als mens. Na alles wat ze had gezien en meegemaakt geloofde ze nog steeds dat de mens boven alles goed is. 

In het eerste verhaal uit de bundel Waar we het over hebben wanneer we het over Anne Frank hebben van Nathan Englander stellen de personages een soortgelijke vraag: in geval van een nieuwe holocaust, zou jij (niet-Joods) mij (Joods) helpen onderduiken? Een simpele vraag. Ik heb geen antwoord. Weet ik veel! Angst speelt graag zijn spelletje, en ik kan me er niets bij voorstellen. Werkelijk, niet.

Nathan Englander is echt een geweldige schrijver. Het is altijd lastig om aan te wijzen waarin dat geweldige precies zit. Voor mij is het zijn vermogen om gebeurtenissen, gevoel en omstandigheden invoelbaar te maken. Doodgewone taferelen, bekende beelden. Englander laat zien waar het precies om draait. Hij wijst de (goedgekozen) details aan maar morst niet. Ook is hij goed in het schrijven van lange dialogen, en heeft hij een scherpe sense of humor. De smeuïge quote van Jonathan Safran Foer op de cover vat het aan de ene kant perfect samen, zegt aan de andere kant helemaal niets. ‘Dit is het intelligentste, grappigste, moedigste en mooiste boek van Englander.’ Het is waar, echter. Het is waar! Het is intelligent én grappig én moedig, én mooi! En verder geef ik niets weg want de verhalen zijn op z'n mooist zonder te veel informatie. Mijn favoriete verhalen: Waar we het over hebben wanneer we het over Anne Frank hebben, Alles wat ik weet over mijn familie van moederskant, Kamp Avondschemer, De lezer, en Gratis fruit voor jonge weduwen. (De bundel bevat acht verhalen.) 

* Ik vind het overigens fantastisch dat er de laatste tijd zoveel short stories worden vertaald door Nederlandse uitgeverijen. Vooral uitgeverij Atlas Contact (met o.a. Lydia Davis, Robin Black, Junot Diaz en Lydia Davis: najaarsbrochure 2012), en Ambo|Anthos uitgevers (Nathan Englander dus, maar ook Sarah Hall zit bij Ambo Anthos) hebben prachtige namen in de portefeuille. Bij uitgeverij de Geus is onlangs een bundel met verhalen van onder meer Ali Smith, Alice Munro, Jumpha Lahiri verschenen met als naam Naar de Stad (samengesteld door Annelies Verbeke en Sanneke van Hassel), en in november komt een nieuwe bundel van Alice Munro uit (getiteld Lief Leven). Oh, en De Bezige Bij heeft Miranda July. Haar Niemand hoort hier meer dan jij (of No one belongs here more than you) is een echte aanrader en zou veel bekender moeten zijn in Nederland (zoals zoveel andere auteurs, vanzelfsprekend). Het gaat in ieder geval al de goede kant op met het korte verhaal, hier.

blauwe nachten

Blauwe Nachten is het tweede boek van Joan Didion dat een leven herdenkt, een dood probeert te ver-werken. Twee jaar na John Gregory Dunne's dood, in 2005, kwam het boek Het jaar van magisch denken uit. Nog voordat dit boek werd uitgegeven overleed ook plotseling dochter Quintana Roo. Didion besloot Magisch denken te publiceren zoals het in eerste instantie was geschreven. Ook begon ze 'gewoon' aan een promotietour. Wel werd het boek opgedragen aan John én Quintana.

Vijf jaar later, in 2010, begon Joan Didion te schrijven over Quintana. Blauwe Nachten, een zogenaamd vervolg. Maar niet echt, natuurlijk. Een nieuw verdriet; nieuwe vragen, nieuwe twijfels, nieuwe angsten: 

‘Sprekend over sterfelijkheid, spreken we over onze kinderen. (...) De tijd verstrijkt. Kan het zijn dat ik dat nooit heb geloofd? Geloofde ik dat de blauwe avonden eeuwig konden voortduren?’ (p. 18-19)

De vele herinneringen die gedeeld worden, laten zien dat Quintana leed onder het idee van 'gekozen' zijn. Want ze werd gekozen, het volmaakte kind met een roze strikje in het intens donkere haar. Maar om in die positie te komen, gekozen kunnen worden, moet je eerst alleen worden gelaten. Ook kon Quintana vele andere scenario's niet uit haar hoofd zetten:

‘Stel dat jullie niet thuis waren geweest, stel dat jullie niet naar dokter Watson in het ziekenhuis hadden kunnen gaan, stel dat er een ongeluk was gebeurd op de snelweg, hoe was het dan met mij afgelopen?’ (p. 83)

Geadopteerd, en dus een zekere mate van verlatingsangst: je kunt het je voorstellen. Ook Didion begrijpt het, nu. Maar dit begrip zorgt eerder voor meer vragen dan rust. Heeft ze, als moeder, ergens iets gemist? Was er iets dat ze had kunnen doen? Quintana was vijf jaar oud toen ze een psychiatrische kliniek belde om te informeren wat ze moest doen indien ze gek werd, en enkele jaren later smeekte ze haar moeder, de wereld, iedereen, om haar vooral in de grond te laten liggen, slapend.

Quintana Roo Dunne
Didion lijkt te zijn lamgeslagen door zo veel verlies in zo'n korte tijd. De bijna wanhopige herhaling van enkele vragen is erg aangrijpend. Herinneringen worden afgewisseld met mijmeringen over tijd, en ouderdom, en het accepteren van de dood. Dat is echter iets waar Didion nogal mee zit. Haar eigen dood, daar heeft ze nu eigenlijk geen moeite (meer) mee – het is de dood van de mensen die ze liefheeft, die ze niet zomaar los kan laten. Aan herinneringen heeft ze niets, vindt ze. Herinneringen vervagen. Ze vloeien in elkaar over.

In Blauwe Nachten lijkt Joan Didion tot de conclusie te komen dat de dood het bewijs is van het bestaan van tijd. Ze is ondertussen 77 jaar oud en begint nu pas te bevatten dat ze ouder wordt. De twijfels en angsten zitten nu niet alleen in haar hoofd, maar ook in de rest van haar lichaam. Zo heeft ze last van onverklaarbare neurotische klachten. Ze wordt gedwongen na te denken over wie er gebeld moet worden in het geval haar iets overkomt. De tijd verstrijkt.

‘Ze wilde graag geloven dat ze, als ze er maar niet bij ‘stilstond’, op een ochtend wakker zou worden om tot de ontdekking te komen dat alles was rechtgezet. ‘Als er bijvoorbeeld iemand doodgaat’, had ze eens gezegd bij wijze van verklaring van haar benadering, ‘kun je er beter niet bij stilstaan.’’ (p. 153)

stil

‘Misschien ben je op school wel aangespoord om ‘uit je schulp’ te kruipen – die dodelijke uitdrukking die volslagen voorbijgaat aan het feit dat sommige dieren van nature hun bescherming met zich mee dragen en dat sommige mensen precies hetzelfde doen. ‘Alle opmerkingen uit mijn kindertijd dat ik lui, dom en saai was, gonzen nog steeds door mijn hoofd,’ schrijft een lid van een nieuwsgroep met de naam Introvert Retreat. ‘Toen ik oud genoeg was om uit te knobbelen dat ik gewoon een introvert type was, maakte de aanname dat er iets wezenlijks mis met me is al deel uit van mijn identiteit. Ik zou willen dat ik de laatste restanten van die twijfel kon opsporen en wegnemen.’’ (p. 22)

Kinderen, mensen, worden verkeerd begrepen, dat is aan de orde van de dag. En het niet belangrijk vinden van die onbegrip, dat misschien ook wel. Maar als je een beetje moeite doet is er zo veel te ontdekken. Voordat ik Stil las wist ik wat introvertie is, en hoe verschillend introverts zijn van extraverts. Ik wist het, want ik ben introvert, maar ik begreep niet waar dat verschil vandaan komt. Heeft het te maken met onzekerheid, opvoeding, angsten? Waarom ben ik zo observerend, haat ik telefoneren, ben ik zo vaak het liefst alleen? Hoe kunnen mensen zo van elkaar verschillen, terwijl het lichaam bij iedereen op een zelfde manier in elkaar zit?

Wel. De hersenen. Stofjes, elektriciteit. Enzo. Dit alles heeft invloed op de wijze waarop wij als mens omgaan met bepaalde situaties. Dit boek vertelt het allemaal en het maakt zó veel duidelijk. Introverte mensen leven ‘binnen’, terwijl mensen met een extraverte persoonlijkheid hun energie juist richten op de buitenwereld. Veel mensen, veel prikkels, zorgen bij extraverten voor meer energie. Dat is hun gevoel van geluk: verbinding met de buitenwereld. Introverts, echter, voelen zich fijner bij het tegenovergestelde. De prikkels moeten van binnen komen. Jezelf bezig houden met de eigen beleving; beschouwen, observeren, filosoferen; lezen, zien, luisteren. Een grote groep introverten is overigens ook ‘hoogsensitief’:

‘Dat klinkt poëtisch maar het is eigenlijk een technisch begrip uit de psychologie. Als je een sensitief type bent, ben je meer dan de gemiddelde mens geneigd om op een prettige manier te worden overdonderd door de Mondscheinsonate, een mooie formulering of een uitzonderlijk vriendelijk gebaar.’ (p. 31)

Susan Cain gaat verder. Omdat ze zelf op Wall Street heeft gewerkt weet ze hoe introverte werknemers vaak verkeerd worden begrepen. In discussies, of tijdens brainstorms, zeggen ze weinig en komen introverts over alsof ze geen ideeën hebben of simpelweg lui zijn. Hun behoefte aan stilte, aan een eigen kamer, wordt gezien als onzekerheid of arrogantie. De zogenaamde kantoortuinen zorgen echter voor stress; introverts hebben andere omstandigheden nodig om hun beste werk te kunnen leveren, en daar wordt weinig tot geen rekening mee gehouden.

Cain pleit voor het bieden van tijd en ruimte wanneer de situatie daar om vraagt. Dit geldt voor de werkplek in het algemeen, maar ook voor basisscholen. Kinderen worden gepusht ‘uit hun schulp te kruipen’ wanneer ze neigen tot solitaire bezigheden – ze worden niet begrepen en moeten zich dus maar aanpassen. Omdat introverte kinderen van nature al gevoeliger zijn, trekken ze zich zulke opmerkingen enorm aan en heeft het vaak (grote) gevolgen voor de rest van zijn of haar leven. Deel 4 van dit boek heet dan ook Hoe moet je liefhebben, hoe moet je werken? In deze laatste hoofdstukken geeft Susan Cain tips aan ouders met introverte kinderen, mensen die een relatie hebben met het andere type, en hoe je als introvert met ongemakkelijke situaties omgaat.

katherine mansfield

‘April 7. The heavens opened for the sunset to-night. When I had thought the day folded and sealed, came a burst of heavenly bright petals. I sat behind the window, pricked with rain, and looked until that hard thing in my breast melted and broke into the smallest fountain, murmuring as aforetime, and I drank the sky and the whisper.’ (p. 14)

*

Arnold Palmer, reviewer in de tijd dat Katherine Mansfields Journal voor het eerst werd gepubliceerd, schreef ooit het volgende:

‘What kind of journal is hers? Many of the thoughts set down in it are not at all profound, for profundity was only incidentally her aim. She was after truth, the true truth, the middle of the note. In a sort of way - in a sort of way - many other people could keep a journal of this kind. But they never do, never. That is the point.’

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief