Posts tonen met het label korte verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label korte verhalen. Alle posts tonen

levens van meisjes en vrouwen

Ik had het fout, Levens van meisjes en vrouwen heeft wel degelijk de (/een) vorm van een roman. Maar het is niet per sé een roman, ieder hoofdstuk staat op zichzelf, zo heeft ieder hoofdstuk bijvoorbeeld een eigen thema.

‘Het religieuze tijdperk’ is wat mij betreft een van de mooiste hoofdstukken van dit boek. Del Jordan, hoofdpersonage van ieder hoofdstuk, beschrijft hierin haar intensieve zoektocht naar God. Ze is intelligent en ambitieus, en laat zich niet gemakkelijk overtuigen. Wat mij zo aanspreekt in dit hoofdstuk is haar zeer kritische houding terwijl ze wel degelijk met smart zit te wachten op een openbaring. Del Jordan blijft maar vragen stellen en dat oprechte karakter van haar onderzoek is prachtig:

‘Als ik God kon ontdekken of hem kon terugroepen, zou dat veiligheid betekenen. Dan zou ik bij het zien van de dingen – zoals nu de doffe nerf in het hout van de vloerplanken, de ramen met gewoon glas en daarachter dunne takken en een sneeuwlucht – die vreemde, knagende pijn niet meer voelen die ik daar altijd bij kreeg. Het leek me dat je alleen op die manier de wereld kon verdragen, als je wist dat al die atomen, die ontelbare miljarden atomen, voor altijd veilig waren en in Gods geest rondwervelden. Hoe konden mensen rusten, hoe konden ze zelfs doorgaan met ademen en leven, als ze daar geen zekerheid over hadden? Maar ze leefden verder en hadden die zekerheid dus blijkbaar wel.’ (p. 155; ‘Het religieuze tijdperk’)

Zo blijft ze in Levens van meisjes en vrouwen peinzen, over alles. Misschien is dat ook wel wat mij zo aanspreekt in Munro’s werk, naast haar rake observaties – het mijmerende karakter van veel van haar personages.

de zonsondergang van je moeder / alice munro

Ik lees nu Levens van meisjes en vrouwen van Alice Munro (vert. Pleuke Boyce), een boek dat eigenlijk een roman zou moeten zijn maar gewoon weer bestaat uit losse verhalen. Ik lees nu het tweede verhaal, ‘Erfgenamen van het levende lichaam’, misschien blijkt er later wel degelijk een vorm van een roman te onstaan. Maar nu nog niet.

In 2011 las ik mijn eerste Munro, nieuwsgierig gemaakt door Marja Pruis’ essays over Munro’s werk (ik las Pruis’ boek Kus me, straf me). Ik was enorm onder de indruk van Too Much Happiness, maar waar dat mee te maken had ontging me een beetje. Nog steeds ontgaat het me een beetje: wát maakt Munro’s verhalen nu zo goed? Wellicht zijn het wel haar scherpe (en schijnbaar simpele) observaties over situaties die normaal lijken, misschien wel normaal zijn, maar ook tegelijkertijd begrijpelijk en onbegrijpelijk zijn (en blijven). Zoals de volgende:

‘We keken naar de zonsondergang. Soms riep mijn moeder ons allemaal bijeen om naar de zonsondergang te kijken, alsof zij deze voorstelling persoonlijk gearrangeerd had, wat het een beetje bedierf – algauw wilde ik er niet meer naar kijken – maar desalniettemin was er geen betere plek om naar een zonsondergang te kijken dan aan het eind van Flats Road. Precies zoals mijn moeder zei.’ (p. 41; ‘Flats Road’)

Het is onvermijdelijk, soms heeft je moeder gewoon gelijk. Zo een onvermijdelijkheid heeft iets weg van een paradox, denk ik nu. Denk ergens te veel over na en het wordt almaar zwaarder, maar je kunt een gedachte niet ongedaan maken; de zonsondergang van je moeder heeft een andere kleur dan een die je zelf (en/of alleen) observeert. Het komt er op neer dat het eigenlijk niet uitmaakt, in principe: etcetera. Maar het maakt wel uit, zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar. Alice Munro kan dat uitleggen zonder dat je merkt dat ze iets uitlegt.

battleborn (relieken, herinneringen, schimmen uit het verleden)

Ik was even verdwenen uit de wereld van fictie. Beweer ik. Vlug kijk ik mijn leeslijst na en daar staat genoteerd dat ik in januari Emily Brontë las, en ook Het verbrande kind van Stig Dagerman. Oja. Maar het is nu maart. Ik wandel voorbij mijn punt, het punt dat ik het lastig vond fictie te lezen, voor een tijdje. En toen kocht ik Battleborn (vert. Auke Leistra) in een opwelling, een boek met op de kaft een woestijn, de woestijn waar Rebecca Solnit aan het einde van haar Wanderlust ook was, en ik vond het mooi om zo daar te blijven, in die zandzee, dat landschap, dat vreemde en onbegrijpelijke landschap — Claire Vaye Watkins’ landschap.

Het eerst verhaal in Battleborn gaat over Watkins zelf, ‘Spoken, cowboys’ voelt dan ook een beetje aan als nonfictie. De ik-persoon zoekt naar een begin van haar eigen verhaal (letterlijk, figuurlijk), ze begint in een leeg landschap, waar dan plotseling sprake is van ‘krankzinnige groei’ door zilverkoorts, en komt langzaam dichter bij de geschiedenis van haar vader (hij was lid van Charles Mansons family). Omdat haar vader overleed toen ze jong was, weet Watkins weinig over hem:

‘Hij vroeg naar mijn vader. Ik wilde hem wel vertellen wat ik jou heb verteld, maar dat is allemaal te vinden in een boek, een dagboek, een krant, een rapport van de patholoog-anatoom. En er is nog steeds zoveel wat ik nooit zal weten, hoeveel geschiedenis ik ook tot me neem. (...) Alles wat ik kan zeggen over wat het betekent iets te verliezen, over wat het betekent om iets niet te hebben, over het onpraktische gewicht van het verleden, weet je al.’ (p. 28-29)

Met dit verhaal vertelt Watkins, achteraf gezien, ook veel over de rest van haar Nevada-verhalen. Alles is al gebeurd, Watkins verhalen bevatten enkel overblijfselen; de personages zijn resten van wat ze ooit is overkomen, verlies is het overheersende thema. Je zou dan ook kunnen zeggen dat Claire Vaye Watkins niet voor niets heeft gekozen voor het desolate landschap van Death Valley, ware het niet dat ze er is geboren en opgegroeid. Ze is bekend met de omstandigheden van zowel het fysieke als het mentale landschap van haar personages, en maakt beide elementen even belangrijk in de verhalen, gebruikt de tussenruimte als spiegel, hoewel ik het woord ‘echo’ misschien wel beter vind passen; overeenkomsten in verhalen zijn er zeg maar niet voor niets.

Mocht je nieuwsgierig zijn naar haar werk, op de website van Granta kun je een volledig verhaal van Watkins lezen: ‘The Last Thing We Need’.

lief leven

Er is iets vreemds aan de hand met de vertaling van een verhaal uit Alice Munro’s nieuwe bundel Lief leven. Het verhaal, ‘Corrie’, is gedeeltelijk een vertaling van Munro's eerste versie, en gedeeltelijk van een nieuwe versie. (Dat wat nu komen gaat zal s p o i l e r s bevatten.)

‘Corrie’ verscheen voor het eerst in The New Yorker in oktober 2010. Vorig jaar werd het (gewijzigd) opgenomen in een bloemlezing van The PEN/O. Henry Prize Awards, en in oktober 2012 werd het, wederom gewijzigd, gepubliceerd in de bundel Dear life. De aanpassingen zijn klein en groot: het gaat om een zin, om enkele woorden, maar ook om volledig nieuwe einden.

De hoofdpersoon van het verhaal, Corrie, is mank aan één been. Ze heeft een affaire met de getrouwde architect Howard Ritchie. Corrie is rijk, eenzaam, en doet dingen op haar eigen manier. Zo ook haar relatie met Ritchie. De verhouding houdt stand, zelfs als ene Lillian, de hulp van een kennis van Ritchie's vrouw, het geheim dreigt te verklappen. Er is een oplossing: Corrie is rijk. Er wordt een regeling getroffen. Echter, vele jaren later krijgt Corrie, tijdens een plechtigheid na Lillians overlijden, herhaaldelijk te horen hoe “buitengewoon” en “gezegend” de gestorven vrouw was. Langzaam dringt het tot Corrie door dat Lillian niet in staat zou zijn geweest iemand te chanteren.

Zoals ik vast al eens heb gezegd, lees ik graag besprekingen van andere mensen over een boek dat ik zojuist heb gelezen. Zodoende stuitte ik op een blog van ene Charles E. May, schrijver en professor van iets (etcetera). Hij schreef begin dit jaar het volgende stuk (wederom: spoilers!): The Three Endings of Alice Munro's story ‘Corrie. Drie einden, dus. En een kleine aanpassing die van grote betekenis zou kunnen zijn. Korte-verhalen-liefhebbers raden niet voor niets aan een kort verhaal direct te herlezen. Er gaan details verloren als je niet goed leest; er gaat verhaal verloren als je niet goed leest.

Het merkwaardige van de Nederlandse vertaling heeft te maken met details. In de Nederlandse ‘Corrie’ komen details namelijk niet volledig overeen met ‘Corrie’ uit Dear life. De onderstaande zin heeft te maken met de regeling die wordt getroffen met Lillian: zij zou Howard Ritchie na het diner duidelijk hebben gemaakt te weten van zijn affaire met Corrie.

The New Yorker: ‘Howard did not tell Corrie about the dinner party right away, because he hoped it would become unimportant.’
Dear life: ‘Howard said that he had not told Corrie about the dinner party right away, because he hoped it would become unimportant.’
Lief leven: ‘Howard had Corrie niet meteen over het diner verteld omdat hij hoopte dat het van geen belang zou blijken te zijn.’

Ik blijf me afvragen waarom de vertaalster, Pleuke Boyce, ervoor heeft gekozen de New Yorker-zin te vertalen en niet gewoon de versie van de bundel. Het zit me vooral dwars omdat het einde wél uit Dear life komt. Als je let op de intentie van Ritchie, en die van Corrie aan het einde van het verhaal, merk je dat de New Yorker-zin iets anders impliceert dan de zin uit Dear life. Heeft de vertaalster dit opzettelijk gedaan? Waarom? Alice Munro koos ervoor deze wijzigingen toe te passen, en dus is het belangrijk. Is het simpelweg een foutje? Het laatste kan ik me eigenlijk niet voorstellen, maar ik begrijp het niet en het zit me dwars..
,
Lief leven is overigens weer een prachtige bundel. En erg bijzonder vanwege de de laatste vier teksten die ‘niet echt verhalen genoemd kunnen worden. Ze vormen een aparte eenheid, een die auto-biografisch is wat gevoelens betreft, hoewel soms niet helemaal volgens de feiten.’ Lief leven is gewoon weer een aanrader voor liefhebbers van het korte verhaal.

+ Op de website van The New Yorker kun je ‘Corrie’ volledig lezen. (Wat opvalt is dat Lillian eerst Sadie heette. Charles E. May suggereert dat iemand met de naam Sadie wel degelijk tot chantage in staat is, in tegenstelling tot een Lillian. Details..)

zo raak je haar kwijt

Een tijdje terug las ik ergens een artikel van iemand (ik weet werkelijk niet meer wie het schreef, maar ik geloof dat het een vrij bekende auteur is) over de gewoonte van de lezer van nu om vooral boeken te willen lezen waarin personages voorkomen die 'leuk' zijn. Of, personages waarmee je je kunt identificeren. Het heeft natuurlijk met de tijd te maken, deze tijd waarin boekhandels en uitgeverijen grotendeels reageren op cijfers in plaats van kwaliteit, en boeken verkocht worden omdat er over gepraat wordt (door wie dan ook). Lezen lijkt te worden gezien als tijdverdrijf, als een ontspannend tijdverdrijf. En dus moet het niet te moeilijk zijn, niet te ongemakkelijk. (Ik bedoel niet dat lezen werk moet zijn, ik wil zeggen dat er op deze manier veel moois geen aandacht krijgt..)

Zo raak je haar kwijt krijgt van sommige lezers nogal wat commentaar naar aanleiding van het onchristelijke gedrag van een groot aantal personages. Leugenaars en bedriegers zouden onze tijd niet waard zijn. Het is uiteraard niet eerlijk, en nogal kortzichtig, een boek te beoordelen naar aanleiding van de likability van hoofdpersonen. Junot Díaz heeft zich hier tijdens het schrijven van zijn verhalen niets van aangetrokken. Integendeel: hij lijkt in deze verhalen de confrontatie te willen aangaan. Hij wil heftige reacties teweeg brengen; hij daagt uit. De harde woorden lijkt hij te gebruiken om de juiste lezer te bereiken: deze woorden zullen de lezer die zich al stoort aan gedrag, weg houden (of sturen). Als lezer zou je toch moeten beseffen dat (de meeste) schrijvers nadenken over wat ze doen, over welke woorden gekozen worden. Je zou toch op z'n minst moeten toegeven dat dit mogelijk is. Wanneer je dat inziet, begrijp je dat die keuze onderdeel kan zijn van een verhaal.

De verhalen in Zo raak je haar kwijt zijn meeslepend en mooi geschreven (niet ieder verhaal is even overtuigend, maar er zijn weinig bundels die bestaan uit enkel sterke verhalen), vol vloeiende zinnen die ervoor zorgen dat een verhaal zomaar uit is. Dit betekent niet dat het simpele verhalen zijn; ze vertellen niet alleen over verbroken relaties. Ieder personage komt oorspronkelijk uit de Dominicaanse Republiek en heeft het zwaar in een nieuwe, niet altijd even vriendelijke, maatschappij. Jonge kinderen die thuis worden gehouden bij een ongelukkige moeder, terwijl papi aan het werk is; een zieke broer die zich het huis uit laat zetten en geen idee meer heeft van wat hij doet – er is een afstand: de wereld van deze immigranten is wat mij betreft onherkenbaar. Daar komt bij dat Junot Díaz zijn karakters zo nu en dan Spaanse straattaal laat spreken. De lezer wordt aan de kant gehouden, expres. Het gebruik van Spaans stoort overigens niet, het wordt sporadisch door de zinnen gevlochten en altijd is uit de context op te maken wat er staat (en zo nu en dan wil je het eigenlijk niet weten).

Zo raak je haar kwijt is alleen al waardevol vanwege het beeld dat de schrijver weet te schetsen van verloren immigranten, simpelweg omdat die ervaringen mij (en velen met mij) onbekend zijn. Het is een gevoeld boek. Angst, depressie, spijt, verdriet. Iedereen doet zo z'n best en dat gaat niet altijd even soepel, maar als toeschouwer is dat soms zo prachtig (gemeen, niet?). 

de prachtige onverschilligheid

Er zit een vlieg in mijn boek. Platgedrukt, per ongeluk. Het is perfect plat; ik zie zijn vleugels, zijn pootjes, zijn sprieten. Ik las het boek op Vlieland. De prachtige onverschilligheid. Toevallig heeft het beestje zich tussen de pagina's van het verhaal Bijen geplaatst. Soort zoekt soort, zelfs in de vreemdste situaties. Misschien.

De prachtige onverschilligheid is donker. Expres, want Hall duikt de donkere hoeken in, de peilloze diepten. Er komen problemen in voor die simpel op te lossen, maar lastig te plaatsen zijn. Wat is van wie, wie heeft de verantwoordelijkheid, bestaat dat überhaupt wel, verantwoordelijkheid? Waar begon het, ooit, en waar zijn de grenzen, nu? Waar is de afgrond? Er wordt veel verstopt.

Zo is er bijvoorbeeld het titelverhaal. Een onduidelijke situatie, want: de hoofdpersoon laat bijna niets los. Wel: ze is schrijfster, en ze haat boeken:

‘Om eerlijk te zijn had ze een hekel aan boeken. Ze voelde een merkwaardige onrust als ze er een opensloeg. Dat was al zo sinds haar jeugd. Ze wist niet waarom. Iets in de handeling zelf, de onderdompeling, de afzondering, was verontrustend. Lezen was een bevestiging van je alleen-zijn, je afgezonderd-zijn, je gevangenschap. Boeken waren een soort kerkers. Haar voorkeur ging uit naar gezelschap, de tastbare wereld, atomen.’ (p. 46)

Details zijn aanwijzingen. Het is niet zozeer het begin van het mysterie, eerder brandstof. Je voelt dat er iets groots weg wordt gelaten, maar je twijfelt of de hoofdpersoon zelf wel vat heeft op haar situatie. Mijn hoofd begint dan harder te werken. En dan, aan het einde, zijn er ineens ideeën. Enkel dat, want waar houdt het op? Zo'n stilte kwam ik in ieder verhaal tegen. De stilte voor zo'n storm. De verschillende stemmen in de verhalen zijn iel en ergens, het kan niet anders, ooit zal er iets breken. Een relevatie die breekt of sterker maakt. Hall stopt daar haar verhalen. Het werken van mijn hoofd stopt nooit. Alles vindt een plekje, misschien wel in zo'n donker hoekje, en steekt zo nu en dan de kop op.

De kunst van het weglaten. Veel mensen zeggen te veel. Er worden te veel woorden gebruikt, ook in fictie. Het Korte Verhaal is voor de schrijver die zuinig is met woorden, en weet wanneer er te veel wordt gedeeld. Sarah Hall kan dit. De korte, directe zinnen, volmaakte zinnen, hielden mij vast vanaf het eerste woord van het eerste verhaal. De eerlijkheid, en eigenlijk de ruwe realiteit van het leven van de hoofdpersonen, is ontwapenend.

waar we het over hebben wanneer we het over anne frank hebben

Tijdens mijn jeugd was Anne Frank mijn heldin, Miep Gies was mijn nummer twee. Ik schreef die laatste ooit een brief waarin ik schreef hoezeer ik haar bewonderde om haar dappere beslissingen, haar liefde, haar loyaliteit. Enkele regels daaronder vertelde ik haar dat ik precies hetzelfde zou doen, in eenzelfde situatie.

Welja.

Miep Gies stuurde een brief terug. Ze was ervan overtuigd dat ik gelijk had, en dat ze zichzelf helemaal niet zag als dapper, maar gewoon als mens. Na alles wat ze had gezien en meegemaakt geloofde ze nog steeds dat de mens boven alles goed is. 

In het eerste verhaal uit de bundel Waar we het over hebben wanneer we het over Anne Frank hebben van Nathan Englander stellen de personages een soortgelijke vraag: in geval van een nieuwe holocaust, zou jij (niet-Joods) mij (Joods) helpen onderduiken? Een simpele vraag. Ik heb geen antwoord. Weet ik veel! Angst speelt graag zijn spelletje, en ik kan me er niets bij voorstellen. Werkelijk, niet.

Nathan Englander is echt een geweldige schrijver. Het is altijd lastig om aan te wijzen waarin dat geweldige precies zit. Voor mij is het zijn vermogen om gebeurtenissen, gevoel en omstandigheden invoelbaar te maken. Doodgewone taferelen, bekende beelden. Englander laat zien waar het precies om draait. Hij wijst de (goedgekozen) details aan maar morst niet. Ook is hij goed in het schrijven van lange dialogen, en heeft hij een scherpe sense of humor. De smeuïge quote van Jonathan Safran Foer op de cover vat het aan de ene kant perfect samen, zegt aan de andere kant helemaal niets. ‘Dit is het intelligentste, grappigste, moedigste en mooiste boek van Englander.’ Het is waar, echter. Het is waar! Het is intelligent én grappig én moedig, én mooi! En verder geef ik niets weg want de verhalen zijn op z'n mooist zonder te veel informatie. Mijn favoriete verhalen: Waar we het over hebben wanneer we het over Anne Frank hebben, Alles wat ik weet over mijn familie van moederskant, Kamp Avondschemer, De lezer, en Gratis fruit voor jonge weduwen. (De bundel bevat acht verhalen.) 

* Ik vind het overigens fantastisch dat er de laatste tijd zoveel short stories worden vertaald door Nederlandse uitgeverijen. Vooral uitgeverij Atlas Contact (met o.a. Lydia Davis, Robin Black, Junot Diaz en Lydia Davis: najaarsbrochure 2012), en Ambo|Anthos uitgevers (Nathan Englander dus, maar ook Sarah Hall zit bij Ambo Anthos) hebben prachtige namen in de portefeuille. Bij uitgeverij de Geus is onlangs een bundel met verhalen van onder meer Ali Smith, Alice Munro, Jumpha Lahiri verschenen met als naam Naar de Stad (samengesteld door Annelies Verbeke en Sanneke van Hassel), en in november komt een nieuwe bundel van Alice Munro uit (getiteld Lief Leven). Oh, en De Bezige Bij heeft Miranda July. Haar Niemand hoort hier meer dan jij (of No one belongs here more than you) is een echte aanrader en zou veel bekender moeten zijn in Nederland (zoals zoveel andere auteurs, vanzelfsprekend). Het gaat in ieder geval al de goede kant op met het korte verhaal, hier.

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief