poëzie/ ester naomi perquin

uit Namens de ander:


ONDERZOEK

Wilt u rusten overdag en 's nachts een man gelukkig maken?
Voelt u zich neerslachtig bij het idee van lavendel?
Heeft u wel eens een hotel bedacht?

Haal door: ik ben geen vrouw / ik ben een domme vrouw.
Ik heb in de afgelopen jaren minimaal zes keer
spijt gehad. Aan mijn vingertoppen kleeft
bij voorkeur: bladgoud, verf, tomatensap.

U past in een koffer. Als u niet in een koffer past
hoe zou u uzelf dan omschrijven? Hoe lang
heeft u last van overgewicht? Hoe vaak?

Als u van een brug springt zult u toch proberen:
A) uzelf aan te wijzen op een kaart
B) steeds verder weg te drijven
C) halverwege om te keren

Stel, uw ziekte is een dier. Bij gezondheid telt de vraag
voor twee. Welk dier is uw ziekte bij voorkeur niet?
Let op: de slechte dagen dienen meegeteld.

Bent u banger voor de uitslag dan voorheen?
Schrijf op wie volgens u de vragen stelt.

the most secret hours of a life

‘“It is very difficult to talk about an artist,” said poet Octavio Paz about Cy Twombly, “always we are talking about another way of trying to understand a secret.” The secret life of making, I think he means, is not just the color as it moves from brush or hand to surface, but how an idea travels across the surfaces of a mind. The secret life of hours spent looking. These most secret hours of a life.’

Joshua Rivkin, Chalk. The Art and Erasure of Cy Twombly

251

een aantal dagen geleden verscheen op dr. flowerville's blog een bericht met de titel Custard and/or writing into the internet - why are you still blogging?. eerlijk gezegd heb ik zelf nooit zo stilgestaan bij het waarom van mijn bloggen — de stap van livejournal naar blogger voelde voor mij klein en natuuurlijk. toch veranderde er veel. ik nam afstand, op een bepaalde manier; afstand van mijzelf: het ging niet langer over mij maar gewoon over wat ik las.

ik had iets nodig dat dr. flowerville writing into the internet noemt (een fijne frase); een soort abstracte ruimte waar al mijn (waardeloze) gedachten over boeken in konden verdwijnen: iets dat geen ruimte in beslag nam: een zwart gat. iets dat ook zomaar weer verwijderd kon worden. (ik ruim wel eens op.) ook wilde ik het ergens plaatsen om kans te maken op een chance-encounter met iemand(en) die dezelfde boeken lazen, etc.; denk ik. wishful thinking.

*

ik heb nooit zo nagedacht over mijn bloggen omdat ik mezelf niet als blogger beschouw. misschien ben ik er daarom nooit mee gestopt, hoewel er wel pauzes waren; misschien heb ik daarom nooit uitgelegd waarom er een pauze was geweest.

dit is mijn ruimte, mijn stilte. ik weet echter niet wat voor plek het is; het gaat wel eens over boeken maar niet zoals ik ooit dacht te willen. dat is omdat ik steeds minder begrijp van wat het is dat me aan deze wereld bindt —

dat is niet juist. ik wandelde gistermiddag naar huis, het begon al wat te schemeren, er vloog een buizerd vlak boven me uit een boom richting bomen in de singel van een boerderij; ik draaide met de weg mee en keek recht in de zon die nog net boven het dorp uit piepte, richting het noordoosten scheen. er was te veel licht. ik keek omhoog om niet al dat zonlicht te hoeven aankijken en wilde daarheen, naar boven, naar daar waar het stil was en vredig leek. tegelijkertijd wilde ik de buizerd zijn, of een boom —

goed; ik moet het anders verwoorden: ik bedoel dat ik minder begrijp van de wereld omdat het misschien langzaam begint te dagen wat me aan deze wereld bindt. & ik vind dat verwarrend omdat de sociale wereld me blijft vertellen dat dat niet de juiste manier van leven is.

waar mijn geest wil wandelen is waar ik niet gaan kan, niet echt, niet met mijn lijf.
dus doet mijn geest dat in z'n eentje.

ik ben een zeef; zo nu en dan blijft iets steken omdat het te groot is om al te laten gaan. en dan zie of hoor of doe ik iets dat dat andere 'iets' aan lijkt te raken en dat wordt dan te groot om te kunnen dragen. soms voelt het noodzakelijk om daar een afdruk van te maken. ik weet niet altijd hoe ik dat moet of wil doen. vaak verdwijnt het.

*

mijn leven bestaat momenteel uit pianomuziek, houtskool en pastelkrijt, uit poëzie en duizenden kleuren. uit vleugels en schelpen en abstracte kunst. ik kijk naar het zwaaien van de bomen, verlang naar de lente, heb buikpijn want ik moet iets eten, luister naar Philip Glass en denk aan Cy Twombly. de draadjes, the fabric van mijn bestaan. dat is het. ofzo. misschien.


de warmte van de maan

‘Ik kijk naar de lucht. Wat weet ik van de kosmos met zijn rode reuzen en witte dwergen? Ik denk aan ons eigen zonnestelsel, aan Uranus met zijn vijf zwijgende manen – Ariël, Umbriël, Titania, Oberon, Miranda – tollend in de verstarde slaap van hun betovering. ‘Zoals ik al zei, al onze spelers waren geesten.’ Ten slotte kijk ik naar de maan; star en vol hangt hij in het oosten, met reuzenhand opgepoetst, sober. Onze eigen huismaan. Het moet daarvandaan een prachtig gezicht zijn geweest toen de olijfgroene continenten spleten en van elkaar af dreven en het witte ijs als een rolgordijn opkroop en omlaagging. Mijn ogen voelen koud als ik knipper; het is wel genoeg voor vandaag. Ik mis de instrumenten om een warmte te voelen die slechts weinig hebben gevoeld – maar ze is er wel. Volgens Arthur Koestler voelde Kepler die gerichte warmte toen hij een heel ander experiment deed waarbij hij gebruikmaakte van holle spiegels. Kepler schreef: ‘Ik hield me bezig met andere spiegelexperimenten, zonder acht te slaan op de warmte; onwillekeurig keek ik om, om te zien of er iets op mijn hand ademde.’ Die warmte was afkomstig van de maan.’ (p88)

uit Pelgrim langs Tinker Creek van Annie Dillard (vert. Henny Corver, Atlas Contact).

poëzie/ mary oliver

uit A Thousand Mornings:



THE MOCKINGBIRD

All summer
the mockingbird
in his pearl-gray coat
and his white-windowed wings

flies
from the hedge to the top of the pine
and begins to sing, but it's neither
lilting nor lovely,

for the is the thief of other sounds—
whistles and truck brakes and dry hinges
plus all the songs
of other birds in his neighborhood;

mimicking and elaborating,
he sings with humor and bravado,
so I have to wait a long time
for the softer voice of his own life

to come through. He begins
by giving up all his usual flutter
and settling down on the pine's forelock
then looking around

as though to make sure he's alone;
then he slaps each wing against his breast,
where his heart is,
and, copying nothing, begins

easing into it
as though it was not half so easy
as rollicking,
as though his subject now

was his true self,
which of course was as dark and secret
as anyone else's,
and it was too hard—

perhaps you understand—
to speak or sing it
to anything or anyone
but the sky.

ze kwam uit marioepol

wat is er toch zo aantrekkelijk aan verwoesting?

ik haat dat idee. en ‘aantrekkelijk’ is een heel fout woord in deze context. maar ik kan er niet omheen: de Tweede Wereldoorlog, de Sovjet Unie, het communisme; Hitler en Stalin – het blijft me fascineren. en ik ben niet de enige die er over blijft lezen.

datzelfde geldt overigens voor de junta in Argentintië en Chili, de Rode Khmer van Pol Pot, Ceaușescu in Roemenië, de (post-)Joegoslavische oorlog, Irak en Syrië en Afrika, de Apartheid in Zuid-Afrika, de slavernij, rassenscheiding en het racisme in Amerika, (Europees) kolonialisme, (&c.);

It interests me how we find ways to feel superior to another person, another group of people. It happens everywhere, and all the time. Whatever we call it, I think it’s the lowest part of who we are, this need to find someone else to put down. (Elizabeth Strout, My Name is Lucy Barton)

; het houdt me bezig.

*

nog even terug naar dat woord ‘aantrekkelijk’: ja, het is een afschuwelijk woord. maar het doet me denken aan afstand dus ik laat het staan. afstand, als: zo gelukkig niet te zijn geboren in dergelijke omstandigheden.

waarom kijkt iemand vrijwillig naar verwoesting. ik weet het niet.

*

Natascha Wodins boek Ze kwam uit Marioepol sloeg over me heen. in het eerste deel vertelt Wodin over het begin van haar zoektocht. ze had weinig hoop iets te vinden over het verleden van de moeder die een rivier als uitgang koos, omdat ze al eerder had gezocht en nooit iets had gevonden, maar nu, plotseling en als een wonder: meer feiten rondom de naam van haar moeder.

Jevgenia Jakovlevna Ivasjtsjenko werd in 1920 in Marieopol geboren. ze stierf in 1955.
haar jaren bestonden uit honger, armoede, eenzaamheid, angst en uitputting.

Wodin had geen idee van wat haar moeder bedoelde als ze (keer op keer) zei dat haar dochter geen idee had van wat zijn allemaal had gezien, en meegemaakt.
haar moeder: een schaduw.

Wodin leert over voorouders en gezinsleden maar haar moeder blijft op de achtergrond. de memoires die Jevgenia’s zus, Lidia, aan het eind van haar leven heeft geschreven biedt inzicht in het gezinsleven, maar het brengt Wodins moeder niet veel dichterbij: Lidia gaat in Odessa studeren als Jevgenia pas acht is.

ik wil niet te veel vertellen over wat Wodin ontdekt: ik zei dat haar boek over me heen sloeg en dat heeft deels te maken met de enorme hoeveelheid informatie die haar binnen korte tijd bereikt en haar deed tollen: mij deed tollen.

*

wat indruk wekt is dat Wodin zonder veel concrete feiten toch een heel aannemelijk beeld van haar moeders leven weet te schetsen. door al die boeken die ze heeft kunnen lezen: getuigenissen van dwangarbeiders, mensen die net als haar moeder lang in werkkampen hebben moeten leven. die verhalen: het verhaal dat Wodin uiteindelijk in een kader plaatst om iets te weten te kunnen komen over het leven dat haar moeder heeft gebroken: die verhalen gaan in je lijf zitten. het drong al snel tot me door dat ik te veel niet weet. ik had nooit nagedacht over het feit dat mensen in de Sovjet Unie mee moesten bewegen met de tijd en dat ze altijd verliezer zouden zijn, welke kant ze ook 'kozen'. en ja, kozen tussen haakjes: want het was een kwestie van overleven. ik had te weinig besef van de horror; van het leven dat men moest leven om te blijven leven.

Wodin zal nooit veel meer te weten komen over haar moeder, en dat is een tragische conclusie. nog tragischer is de idee dat Jevgenia Jakovlevna Ivasjtsjenko zonder twijfel een van de heel velen is die ‘als afval is achtergelaten’. dat staat op de achterkant van het boek, als afval achtergelaten. door de geschiedenis, beweert de uitgever, maar eigenlijk ‘gewoon’ door haar soortgenoten: door haar medemensen.

we doen elkaar nogal wat aan, wij mensen.

honger

ik vind het lastig om over Roxane Gay's Honger te schrijven. ik ben blij dat het boek bestaat maar ik vind het eigenlijk niet zo goed.

Roxane Gay maakte op heel jonge leeftijd iets mee dat haar leven heeft gebroken. volledig. ze is nu dik omdat haar geest het trauma destijds niet kon dragen. daar is met de jaren verandering in gekomen maar omdat Gay in haar jeugd niet om hulp durfde te vragen moest ze een andere manier vinden om te overleven. ze bedacht dat ze veiliger zou zijn als haar lichaam minder aantrekkelijk zou zijn voor het mannelijk oog, en dus begon ze te eten. het bracht haar ook troost: voor even. en dus was het nooit genoeg.

ik zei dat ik het boek niet heel goed vind maar dat is niet helemaal waar. Gay beschrijft bijvoorbeeld hoe haar familie op haar steeds groter wordende lijf reageert en dat zijn pijnlijke verhalen: mensen maken zich alleen zorgen om haar lichaam: om dat wat ze zien veranderen: om dat wat ze zien. Gay bracht veel tijd door op kostscholen en als ze dan thuis kwam tijdens vakanties bracht haar verschijning zonder uitzondering een schokreactie teweeg. zomervakanties moest ze doorbrengen op afslankkampen. iedereen probeerde haar aldoor tips te geven. probeert haar nog altijd tips te geven. alsof ze daar om smeekt. alsof ze zelf niet weet hoeveel ruimte haar lijf inneemt. alsof ze zelf nooit heeft nagedacht over haar voeding of beweging of, alles; alsof ze achterlijk is. Gay geeft keer op keer aan: mensen met (veel) overgewicht worden behandeld alsof ze niet in de gaten hebben dat ze niet aan de norm voldoen, en alsof ze niet volledig mens zijn ómdat ze niet aan die norm voldoen.

de norm being (voor vrouwen): slank, mooi, wit, heteroseksueel, stil, klein.
onzichtbaar, onopvallend.

Honger zit vol trauma; de gevolgen van een moment of een paar momenten voor de rest van een leven. op goodreads zijn onuitstaanbare reacties te lezen: mensen zeuren over Gay's obsessie voor lijven, sportende lijven, gezonde lijven. wederom denkt men dat Gay er niets van begrijpt maar zij zijn het die iets niet begrijpen: dat Gay met meer worstelt dat zij weten. good for them, maar het is een misverstand dat mij dwars zit. & het illustreert het probleem dat ik heb met dit boek: dat Gay de thema's waar ze omheen beweegt eigenlijk weinig tot niet uitdiept. dat is enigszins ironisch aangezien ze vanwege haar omvang regelmatig wordt behandeld als een geesteloos, levenloos object: iets dat zich niets aantrekt van de 'regels' en dus ook niet volgens de 'regels' benaderd hoeft te worden. Gay is meer dan haar lichaam, en haar trauma is meer dan alleen haar lijf, toch voelt het alsof ze vooral heeft geschreven over haar zichtbare leven, haar zichtbare problemen. het voelt alsof ze zichzelf uitlegt; verantwoording aflegt. misschien is ze nog niet in staat op een andere manier over haar leven te schrijven; misschien is dat nooit haar bedoeling geweest. trauma is ingewikkeld, en ongetwijfeld moeilijk te verwoorden, maar ik heb het gevoel dat er te veel onbeschreven blijft. ik heb het niet over details. ik heb het over de innerlijke kronkels en grotten die door trauma worden gevormd. denk ik. ik weet het niet. ik dacht dat Roxane Gay een meer beschouwende schrijver was; dat viel tegen.

(desondanks ben ik, zoals ik al zei, blij dat het boek bestaat.)

(als boeken me tegenvallen bekruipt me vaak het gevoel dat ik er niets van heb begrepen.
wie weet.
toch is dit wat ik van dit boek vind.)

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief