constellaties

Ik kan het natuurlijk niet met zekerheid zeggen, maar ik denk dat er iets ontstaat in Constellaties. Buiten de woorden om en toch met behulp van diezelfde woorden, lijkt er iets te groeien. Het grappige is dat ik zelf geen woorden hoef te zoeken om aan te tonen waarom ik dat denk, er staan meerdere passages in dit boek die uit leggen hoe het mogelijk in elkaar zit:

‘Uit een lade haalt ze een kartonnen doos, een naald, en draden. Ze gaat aan de tafel zitten, onder de lamp, maakt het uiteinde van een rode draad nat en steekt hem door het oog. Dan maakt ze een knop, waarna ze de naald door het karton prikt. Aan de overkant doet ze hetzelfde, de naald door het karton, maar nu van binnen naar buiten. Vervolgens omgekeerd, weer naar binnen, in een andere richting naar een andere wand. Het draad spant geometrische vormen in de doos. Er zitten nog draden van de vorige keer, dezelfde en andere kleuren. Ze moet soms secuur met beide handen werken om de rode draad niet verkeerd verstrikt te laten raken met wat er al is.
       Zo is ze een tijdje bezig. Op een gegeven moment wisselt ze van kleur.
       Soms gaat ze met een draad niet naar de overkant, maar spant ze hem rond een andere en terug. Er ontstaan lussen, alles wat hangt wordt onafhankelijk van elkaar. Ze heeft geen idee wat er gebeurt als ze een van de draden doorknipt.’ (p. 40-41)

Of:

‘Ik moet een compositie maken met elementen die ik nog niet heb, haal me sterrenbeelden voor de geest om te kijken of ze zouden passen in de silhouetten van een mens en een tak.’ (p. 51)

Of:

‘– Misschien zijn wij een soort landschappen, zeg ik. (..)
– Een soort vergezichten voor elkaar, zegt hij.
       Een wildgroei van stemmen die in me echoën. Van Anders, zijn stem, en de stem van mijn vader, en van een vreemde – en al die stemmen zijn zelf niets anders dan klankkasten voor anderen. Wij zijn constellaties, hier, waarvan de sterren telkens zelf weer stelsels blijken.’ (p. 137)

*
Constellaties is een verhalenbundel. Het is 172 pagina’s dik en bevat 34 teksten met titels die blijvend worden herhaald. ‘Ent’ komt bijvoorbeeld 13 maal voor, ‘Wildgroei’ 8, en ‘Constellatie’ 5 maal. ‘Constellatie’ is iedere keer een poging een constellatie of nebula af te beelden met behulp van punten, komma’s en haakjes; teksten die de titel ‘Ent’ hebben gekregen zijn allen passages uit het werk van andere schrijvers (soms proza, soms poëzie). In de ruimte die overblijft worden draden van verhalen gespannen, verhalen die elkaar lijken aan te raken: personages dragen dezelfde naam maar zijn niet dezelfde persoon. Daar komt bij dat de stukjes ‘Ent’ een verbindende rol spelen. Het lijkt vrij vanzelfsprekend dat er met behulp van die enten een constellatie wordt getekend, waarvan de (door ons (de mens/de lezer) getrokken) lijnen zo nu en dan dicht bij elkaar in de buurt komen.

Dit boek gaat (volgens mij) over dingen die bewegen zonder reden, over gelijkenissen die eigenlijk niet (kunnen) bestaan (zoals een woord niet gelijk kan staan aan wat je ervaart en dat toch doet), over groei en verandering en verwijdering, over sterrenstelsels en composities. Ik blijf er maar aan denken, en dat is misschien wel het grootste compliment dat ik een boek kan geven.

*

Een ‘ent’ is natuurlijk ook iets van zichzelf. Volgens de Van Dale:

ent (de; v(m); meervoud: enten)
1 loot die, op een boom bevestigd, daarop vastgroeit

en·ten (entte, heeft geënt)
1 een ent bevestigen in een stam of tak
2 een voedingsbodem voor een zaak zoeken in iets anders

*

Interessant is dat er in dit boek tevens vragen worden gesteld over taal, of een woord wel een universele betekenis kán hebben of dat er misschien sprake is van een eigen ruimte (constellatie?) per persoon (interpretatie):

‘(..) ze vraagt zich af wat het betekent om dezelfde taal te spreken, of dat kan.’ (p. 39)

‘Ik zocht een woord, ooit, voor wat hij was. Voor wat we waren. Iets wat ik uit zou kunnen spreken. Hij vertelde me een keer dat een bepaalde taal – welke, dat ben ik vergeten – een woord heeft voor hoe licht door bladeren valt. Dat het waait, en de takken trillen, en de zon een patroon wordt op de grond. Ik begon me af te vragen of de woorden die ik had genoeg waren, of ik ooit zou kunnen zeggen wat ik wilde. Hoe weet je zeker dat wat je bent zich bevindt in de taal die je spreekt? Ik zocht een woord.’ (p. 135)

Kortom: misschien bevindt ten Napel zich wel ergens anders. Ik zie nu dat het boek begint met de volgende ‘Ent’:

‘Op deze plaats was ik niet eerder: het ademen gaat anders, verblindender dan de zon straalt naast hem een ster.

Franz Kafka,
Zürau Aforismen’ (p. 5)

de wereld van gisteren

Er verdwijnt veel met de tijd. Voor ons bestaat De Geschiedenis grotendeels uit opgemerkte en/of gedocumenteerde grote, schokkende, vernieuwende voorvallen; wat gangbaar was speelt een kleine(re) rol. Het grote contrast (je weet wel: zonder licht geen schaduw, etcetera) blijft daardoor onzichtbaar, wat er wat mij betreft voor zorgt dat ik niet kan inschatten wat er werkelijk veranderde in de wereld, of hoe belangrijk een bepaalde ontwikkeling is geweest.

Stefan Zweig werd naar eigen zeggen geboren in een ‘wereld der zekerheid’; Wenen, 1881. Hij begint zijn autobiografie De wereld van gisteren (privé-domein nr. 168, vertaling Willem van Toorn) met het schetsen van een beeld van die wereld:

‘Iedereen wist hoeveel hij bezat of hoeveel hem toekwam, wat toegestaan en wat verboden was. Alles had zijn norm, zijn vastgestelde maat en gewicht. (..) Alles stond in dit uitgestrekte rijk onwrikbaar op zijn plaats, bovenaan de grijze keizer; maar als hij zou sterven, wist men (of dacht men), zou er een volgende komen en er zou niets veranderen in de weloverwogen orde. Niemand geloofde aan oorlogen, aan revoluties en omwentelingen. Elke vorm van radicaliteit en geweld leek al onmogelijk geworden in dit tijdperk van redelijkheid.’ (p. 15-16)

Bovendien was er volgens Zweig ‘nauwelijks een stad in Europa waar (..) [de] drang tot het culturele zo hartstochtelijk was als in Wenen’ (p. 25):

‘Niet het militaire, niet het politieke, niet het commerciële woog het zwaarst in het leven van individu of gemeenschap; de eerste blik die de Weense doorsneeburger ’s morgens in de krant wierp gold niet de discussies in het parlement of het wereldgebeuren, maar het repertoire van het theater (..).’ (p. 27)

Toen Franz Ferdinand op 28 juni 1914 in Sarajevo werd neergeschoten, verwachtte dan ook geen mens dat de moord (politieke) gevolgen zou hebben; het kwam überhaupt bij niemand op dat het gebeurde tot een oorlog zou kunnen leiden. Zoals wij nu weten – en wij staan er niet van te kijken dát het gebeurde, gewend aan een totaal andere wereld – pakte Oostenrijk Servië wel degelijk aan. Een Eerste Wereldoorlog leidde zelfs tot een tweede.

Stefan Zweig weet het contrast tussen een vooroorlogs Europa, ‘de gouden eeuw van de zekerheid’ (p. 15), en Europa na de opkomst van Hitler op een fantastische wijze te beschrijven. Het gaat om kleinigheden, ‘kleine symptomen’ noemt Zweig ze: ‘door het vastleggen van deze kleine symptomen maak je het een latere tijd mogelijk klinisch de geestelijke verhoudingen en de geestelijke stoornissen te onderzoeken die onze wereld beheersten tussen de wereldoorlogen.’ (p. 396)

Eén zo'n symptoom (of ‘geestelijke stoornis’ zo je wilt): huiszoekingen. Vóór Hitler kwam dat blijkbaar nog niet voor: ‘(..) de laatste decennia is Europa en is de wereld al bijna vergeten’, schrijft Zweig, ‘wat een heilige zaak vroeger de persoonlijke en staatsburgerlijke vrijheid was. Van 1933 af zijn huis-zoekingen, willekeurige arrestaties, inbeslagname van bezittingen, verdrijving van huis en haard, deportaties en elke andere vorm van vernedering bijna vanzelfsprekend geworden; ik heb nauwelijks Europese vrienden die niet een van die dingen heeft meegemaakt.’ (p. 374) Een ander symptoom: reizen kon men voor de Eerste Wereldoorlog nog zonder papieren, over de hele wereld.

Er verdwijnt veel met de tijd.

Stefan Zweig stierf ver weg van huis. Hij zag hoe zijn land geen uitweg kon vinden en ongewild iets in beweging zette dat zorgde voor een catastrofe. Hij voelde hoe hij werd verdreven, en wegdreef. De wereld van gisteren eindigt waar Zweig op het punt staat Europa te verlaten. Niet lang na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich voorgoed in Brazilië. Zijn herinneringen aan Europa verschenen postuum: Stefan Zweig stierf in 1942 door zelfdoding.

toewijdingen

Ik heb er nu bijna vierhonderd pagina's van Bernard Dewulfs Toewijdingen op zitten. Het is lastig te vertellen wat Dewulf doet in zijn teksten: hij doet iets dat mij onmogelijk lijkt, maar hij flikt het door die onmogelijkheid uit te pluizen, om er vervolgens gebruik van te maken: hij kijkt en kijkt, geeft toe: ‘Het is moeilijk spreken over verf. Taal wil altijd iets zeggen, verf wil dat niet. Verf moet tot spreken gebracht worden, taal tot zwijgen’ (p. 223), maar vindt dan toch de juiste woorden. 

Verf wil niet spreken. Als het dat wel gewild had, was het geen verf geweest. Dewulf dwingt zichzelf ertoe die woorden op te diepen uit de dikke lagen, vele kleuren. 

Dewulf schrijft dan ook niet alleen óver kunst in zijn teksten. Hij gaat zitten in de beelden die hij ziet, hij wurmt zich tussen de lijsten, raakt kleuren aan en proeft de zee die staat, of ligt, hij mag het zeggen, het zijn zijn woorden. Hij verblijft daar. En in die ruimte, stilte, denkt hij na over wat hij ziet of ervaart. Het maakt dan niet uit wat een kunstenaar er zelf over heeft gezegd, hoewel hij het soms wel meeneemt in zijn beschouwingen.

Maar Dewulf doet niet in iedere tekst hetzelfde. Soms filosofeert hij, praat hij met een kunstwerk; een andere keer vertelt hij over een periode in het leven van een kunstenaar of de geschiedenis van een (beroemd of berucht) schilderij. Ook staan er in Toewijdingen verslagen van pelgrimages. Zo bezocht hij het bad van Pierre Bonnard in Le Cannet, Edvard Munchs huis en atelier, de woningen van Edward Hopper, het balkon waar Nicolas de Staël op 16 maart 1955 vanaf sprong, en zo meer. Dat zijn prachtige teksten, waarin Dewulf de lezer kort informeert over desbetreffende kunstenaars ‘terwijl’ hij wandelt waar Bonnard of Munch of Hopper ooit wandelde, ziet wat zij ooit zagen – en ook weer niet, natuurlijk.

André Aciman schreef ooit over zijn ‘Monetmoment’ (in het essayboek Alibi's):

‘Ik ben gekomen voor iets waarvan ik weet dat het niet bestaat. Want kunstenaars leren ons bijna nooit beter kijken. Ze leren ons anders kijken naar wat er te zien is. Ik wil Bordighera zien door de ogen van Monet. Ik wil zien wat er voor me ligt en wat hij verder zag dat er niet echt was en wat over zijn schilderijen hangt als de geest van een niet herinnerd landschap. Waarschijnlijk schilderde Monet vanuit iets wat meer in hemzelf was dan hier in Bordighera, maar met een afwijking die we herkennen alsof die ook altijd in ons is geweest.’

Ik moest hier veelvuldig aan denken bij het lezen van Toewijdingen. Staande in het appartement van Thierry De Cordier (‘In zijn afwezigheid zorg ik voor zijn uitzicht.’ p. 248) wil Dewulf de zee zien ‘zoals De Cordier ze opvoert in zijn werk’. Het is me niet helemaal duidelijk welk werk hij precies bedoelt, De Cordier heeft vaker geprobeerd de zee af te beelden. Eén zo'n poging was iets dat hij zelf een ‘kijkexperiment’ noemde; het werk Zeevenster. Ik zeg was omdat het werk, dat bestond uit ‘een grote lange spiegel, van naar schatting tweeënhalve bij een halve meter, die in een dikke witte lijst zat’, door de kunstenaar werd vernietigd. De Cordier wilde met behulp van die spiegel een tussenruimte creëren door het parallel te zetten met de zee (het zicht vanuit zijn appartement). ‘Ik was geobsedeerd door de eventuele mogelijkheid om het ijle of het “helemaal niets” in een vlak te vangen.’ Staande in die tussenruimte stond hij tussen twee ‘fictieve’ beelden in; de zee vanuit het raam en de zee in spiegelbeeld. Voordat hij het vernietigde ‘overschilderde’ De Cordier ‘de spiegel met zwarte gouache’ (sloot hij het beeld op?) en maakte er enkele foto's van.

Door dit verhaal van het Zeevenster te vertellen, en na te denken over het mysterie dat de zee al honderden jaren is, ook voor kunstenaars, door dat alles mee te nemen in zijn essay, raakt Dewulf verwijdert van wat hij ziet vanuit het appartement van De Cordier, maar laat hij de lezer wel beter begrijpen wat hij hoopt te zien en waarom. Dewulf doet dit keer op keer in Toewijdingen: hij verdwijnt in een werk, of het verhaal, en de lezer verdwijnt mee.

a year in reading, 2014

Probeer ik een lijst samen te stellen van de beste boeken van het afgelopen jaar (niet per sé dit jaar uitgegeven), dan komen steevast Valeria Luiselli's De gewichtlozen, 22.04 van Ben Lerner en Rebecca Solnits essay-boeken A Fuild Guide to Getting Lost en The Faraway Nearby bij me op. Maar als ik aan Solnits essays denk, denk ik ook aan Een makelaar in Pruisen van Nicole Montagne en Valse papieren van André Aciman. En in mijn hoofd zijn de boeken van Luiselli en Lerner familie van Niña Weijers' De consequenties: personages in deze romans hebben ieder voor zich moeite met betekenis, vragen zich af of dat überhaupt wel bestaat.

En nu ik al deze titels al genoemd heb, kan ik het niet laten maar gewoon te blijven ratelen; ik las veel mooie boeken dit jaar. Ik was erg onder de indruk van Claire Vaye Watkins' korte verhalen-bundel Battleborn; Alice Munro's verhalenboek of roman (ik ben er nog altijd niet uit) Levens van meisjes en vrouwen is momenteel mijn favoriete Munro-boek; ik las veel van Siri Hustvedt (haar nieuwste roman De vlammende wereld is tot nu toe favoriet); ik maakte kennis met James Salter: Lichtjaren is schitterend. Tevens het vermelden waard: De Thibaults van Roger Martin du Gard, Geen tijd voor Proust van Jelle Noorman, Cees Nootebooms Berlijn en Teju Cole's Elke dag is voor de dief. (Mijn volledige leeslijst vind je hier.)

Momenteel lees ik twee boeken. 1: Toewijdingen van Bernard Dewulf, een boek gevuld met beschouwingen over schilderkunst. Dewulf kan prachtig schrijven, neemt tijd om te observeren en denken (ook op papier). Uiteraard staan er tevens minder interessante teksten in, maar die zijn in de minderheid. Ik lees nu over Spilliaert, Ensor, Permeke en De Cordier in Oostende en de aantrekkingskracht van de zee. 2: De wereld van gisteren van Stefan Zweig. Hier verwacht ik veel van: de boeken die ik van Zweig gelezen heb (Journey Into the Past en Schaaknovelle) vond ik erg mooi; De wereld van gisteren schijnt zijn meesterwerk te zijn.

een verhaal met een angel

‘De parabel van de hommel: vanwege het zware gewicht van zijn lichaam en het te kleine draagvlak van z’n vleugels kan de hommel - technisch gezien - onmogelijk vliegen. De hommel zelf weet dat niet. [Maar] hij vliegt.’ (bron)

Ik weet niet of bovenstaande bewering waar is, maar dat is niet van belang. De onmogelijke hommel heeft me niet meer losgelaten; ik wil meer over het beestje (en soortgenoten) weten. In oktober las ik De Vliegenval (uitgeverij Ad. Donker, vertaling Geri de Boer), een prachtig uitgegeven boek waarin Fredrik Sjöberg, bekend (zweef)vliegen-onderzoeker, zijn passie onder woorden brengt door de lezer mee te nemen in zijn gedachtenstroom. Dat levert een mix van essay, (auto)biografie, reisverhaal en natuurbeschrijving op; een persoonlijke tekst die het leven, de hartstocht, onderzoekt.

Afgelopen week las ik Een verhaal met een angel (uitgeverij Atlas Contact, vertaling Nico Groen) van Dave Goulson. Ook Goulson schrijft met passie over zijn lievelingsinsect: de hommel. In zijn mooie bijenboek vertelt hij over de in Groot-Brittannië verdwenen donkere tuinhommel (deze schijnt ook in Nederland zeer zeldzaam te zijn), over een jaar in het leven van de hommel, over warmbloedige hommels en het introduceren van uitheemse soorten bijen of hommels in Tasmanië, Nieuw-Zeeland en Australië (en de gevolgen daarvan), over hommelsnuffelhonden; over heel veel meer.

De laatste hoofdstukken gaan over bijensterfte (een onderwerp waar Sjöberg zich niet al te veel mee bezig houdt in zijn boek). In Een verhaal met een angel is te lezen dat het gebruik van kunstmest minstens zo dodelijk is als al die bestrijdingsmiddelen:

‘Door goedkope kunstmest op hooivelden te gebruiken groeit gras veel sneller en kan het in lente en zomer vele keren worden gemaaid, wat een grote, betrouwbare voorraad wintervoer oplevert. Een ongelukkig neven-effect is dat het gebruik van kunstmest op hooivelden er al snel toe leidt dat bijna alle wilde bloemen verdwijnen. Klaver en andere vlinderbloemigen, die altijd in het voordeel waren omdat ze stikstof uit de lucht aan zich konden binden, raken dat voordeel kwijt wanneer met stikstofverbindingen (nitraten) wordt gestrooid en leggen het af tegen snel groeiende grassoorten.’ (p. 33)

En dat terwijl bijen en hommels het juist moeten hebben van vlinderbloemigen.

Dave Goulson is een bioloog en wetenschapper, hij denkt in oplossingen. In 2005 besloot hij een ‘liefdadigheidsorganisatie uitsluitend voor hommels’ te starten, de Bumblebee Conservation Trust (BBCT). In plaats van het opkopen van land ‘richt de organisatie zich op samenwerking met landeigenaren en beheerders, maakt ze mensen ervan bewust dat er zeldzame soorten in bepaalde gebieden voorkomen en stimuleert ze waar mogelijk de aanleg van nieuwe bloemrijke leefomgevingen. Een groot deel van die 2000 hectare is er gekomen doordat de BBCT boeren heeft gestimuleerd en geholpen om mee te doen aan milieubeschermingsprogramma's, op grond waarvan ze overheidssubsidie kunnen aanvragen om bloemrijk grasland te creëren en te beheren.’ (p. 279)

Ik vraag me af hoeveel mensen weten dat het niet heel ingewikkeld is om bijen te helpen. Het lijkt vanzelfsprekend dat kunstmest slecht is voor de grond, maar om een of andere reden blijft veel kennis op het oppervlak van ons bewustzijn drijven en dringt het simpelweg niet echt door. We maken zoveel kapot door te knoeien met iets dat miljoenen jaren lang intelligent genoeg was om zichzelf in stand te houden.

Meer dan bioloog en wetenschapper is Goulson liefhebber. Sinds 2003 bezit hij een stukje land met een oud boerderijtje in Frankrijk. In tien jaar tijd heeft hij het ‘grote saaie grasveld dat ik tien jaar geleden kocht langzaam (..) zien veranderen in een gevarieerde bloemenwei’ (p. 257). Ietsje verderop (p. 261) schrijft hij:

‘Ik beschouw het als een grote troost dat de natuur haar rechten weer opeist. In bijna elke wei doen zich vergelijkbare veranderingen voor wanneer je die maar lang genoeg met rust laat, niet telkens omploegt en met chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest overspoelt. De natuur is veerkrachtig en heeft alleen maar een beetje ruimte en een beetje tijd nodig.’

Een verhaal met een angel eindigt met het uitzetten van donkere tuinhommel-koninginnen uit Zweden in Groot-Brittannië. Bij Dungeness werden in 2012 én 2013 koninginnen van de verdwenen soort losgelaten. In de zomer van 2013 vond een bestuurslid van de BBCT een donkere-tuinhommel-werkster. ‘Een werkster betekende dat minstens één koningin een nest was begonnen en in elk geval minstens enkele dochters had grootgebracht’, schrijft Goulson. De natuur is veerkrachtig, hij heeft gelijk. Maar net zo veerkrachtig als de natuur is de mens dom. Niet voor niets eindigt Goulson zijn redelijk optimistische boek met de volgende woorden van Aldo Leopold (schrijver, ecoloog, wetenschapper):

‘Het is de nieuwste loot aan de stam der onwetendheid wanneer iemand van een dier of plant zegt: Wat heeft het voor nut? Brengen flora en fauna in de loop van eonen iets voort wat we waarderen maar niet begrijpen, dan is wie er schijnbaar nutteloze onderdelen van afdankt een dwaas. Het behoud van elk wieltje en elk radertje is de belangrijkste voorzorgsmaatregel voor intelligent herstel.’

in memory of w.g. sebald (2): one leaves behind one's portrait

Wederom een fragment uit Ariadne's Thread: in Memory of W.G. Sebald van Philippa Comber (p. 215-216):

‘Like many of Max's later protagonists, [Matthias] Grünewald was a loner and a melancholic, of the type that came to be known in German as a Sonderling, an eccentric solitary. According to Claudio Magris, the figure of the Sonderling recurs “time and time again in German literature ... many of the heroes of [E.T.A.] Hoffmann and Jean Paul Richter are Sonderlinge ... all inspired by lacerating nostalgia and methodical rigour.” ¹ In this instance, I believe there's an even stronger identification between Max and his protagonist. In the preceding section of the poem [‘As the Snow on the Alps’], he describes a self-portrait by Grünewald, which he had discovered in the library at Erlangen:
... Selbstbildnis eines vierzig

bis fünfzigjährigen Malers.
Immer dieselbe
Sanftmut, dieseble Bürde der
Trübsal,
dieseble Unregelmäßigkeit der
Augen, verhängt
und versunken seitwärts ins
Einsame hin.
... a self-portrait ... of a painter aged
forty
to fifty. Always the same

gentleness, the same burden
of grief,
the same irregularity of the eyes,
veiled
and sliding sideways down into
loneliness.
 ²
No doubt Max would have observed the portrait very closely; at the same time, it seems to be nothing short of a description of himself – down to the details of age, disposition and temperament. It is a passage, I think, to be read alongside the final lines of a poem Max had written some nineteen years before, in 1967:
Man histerläßt sein Porträt
Ohne absicht
One leaves behind one's portrait
Without intent. ³’



¹ uit Claudio Magris' Danube
² uit ‘Wie der Schnee auf den Alpen’ / ‘As the Snow on the Alps’, deel 1 van Nach der Natur / After Nature (Engelse vertaling door Michael Hamburger) (Nederlandse titel Naar de Natuur)
³ uit ‘Giuliettas Geburtstag’ / ‘Giulietta's Birthday’ in Über das Land und das Wassen – Ausgewählte Gedichte 1964-2001 / Across the Land and the Water – Selected Poems 1964-2001 (Engelse vertaling door Iain Galbraith) (nog niet in het Nederlands verschenen)

in memory of w.g. sebald

Uit Philippa Combers excellent memoir Ariadne's Thread:

‘As the months wore on, Max's books were attracting more and more public acclaim in Europe – most particularly, in Germany (English translations had yet to appear). Yet the trappings of fame never sat comfortably with him, neither at this point nor in the years that followed. This can be illustrated by something Max told us later that summer.
       He came round and gave a jaw-dropping account of how things had gone in Berlin in June, where he'd been to receive the Johannes Bobrowski Medal for The Emigrants. “An outrageous lump of metal,” he fumed, “which I had no intention of bringing home with me...” After the award ceremony, he'd taken the “lump”, made his way to the Kleiner Wannsee – down to the eastern shore of the lake – and hurled the medal into the water, where it sank without trace.
       As so often with Max's stories, the comedy of the situation was bitter-sweet: it was on this precise spot that on 21 November 1811, the thirty-four-year-old Heinrich von Kleist, having entered a suicide pact with the terminally-ill Henriette Vogel, had first shot his friend and then turned the pistol on himself.’ (p. 171)

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief