het hart van de mens

Uiteindelijk dan toch de lente; Het hart van de mens. Dit boek van Jón Kalman Stefánsson, het laatste deel van een trilogie, is meer van hetzelfde en toch heel anders dan Hemel en hel en Het verdriet van de engelen; het is niet langer zo donker, zo koud, maar de jongen kent nu een zekere ernst, en zijn persoonlijkheid lijkt daardoor, en gelijk aan zijn omgeving, tot leven te komen.

De jongen komt thuis; het huis van de ruim bedeelde weduwe Geirthrud. Zijn liefde voor taal blijft groeien; hij krijgt de taak Dickens te vertalen en zijn werk ’s avonds voor te lezen. Hij wordt geschoold door een depressieve intellectueel. De wereld lijkt vriendelijker, voor even, en hoewel er onrust wordt gevoeld, kabbelt ook het leven in Geirthruds huis kalm voort. De wereld, het klimaat, lijkt zich aan de dromen van de jongen hebben aangepast. Maar we kennen inmiddels het IJsland van Stefánsson, voelen de storm voordat de zee het gevaar aankondigt. Levens raken verloren tussen de golven, zakken af naar de bomen van een nog altijd koude oceaan. Ook in dit boek zorgt de dood voor grote veranderingen.

Ik kan niet veel meer zeggen dan dat Het hart van de mens een prachtig slot kent. De jongen die gelooft in de kracht van woorden ziet in dat taal het leven zowel kan oproepen als bezweren; hij beseft dat zijn leven zijn keuze is. Het dromertje. Hij kust en stopt, en iemand vertelt. Het maakt niet uit wie. ‘Het leven, dat zijn de glinsterende sterren, maar wat is dan de duisternis ertussen?’ (p. 381)

*

‘Hij leunde tegen het hek voor het huis met in de tuin twee kleine lijsterbesbomen en wierp haar een blik toe, niet meer, sloeg toen zijn ogen neer alsof dat van hem werd verwacht. Maar toen herinnerde hij zich dichtregels, of liever gezegd: ze spoten allemaal in zijn bloed, als energie, regels uit een gedicht die hij in een tijdschrift had gelezen dat hij van Gisli had gekregen, een vreemd gedicht van een Amerikaanse dichter. Ik ben de dichter van het lichaam, ik ben de dichter van de ziel. De jongen was gefascineerd, Gisli niet, te veel lawaai, zei hij, de focus ontbreekt, het zit te los in elkaar, het valt in brokken uiteen die je niet verder helpen, verspil je tijd niet met die gedichten. Maar dat was precies wat de jongen deed, hij verspilde zijn tijd met ze over te schrijven, uit Bladeren van gras van de Amerikaanse dichter Walt Whitman, in de vertaling van Einar Benediktsson. Geen rijm, geen spoor ervan, maar zwaarwichtige zinnen die ongeluk in zich dragen, een weerspannige kracht, en iets groots, iets wat de belofte van een weidsere hemel, een grotere aarde in zich draagt. Hij stond bij de omheining, twee kleine bomen die zich naar het licht toe werken, hij sloeg zijn ogen neer en het gedicht spoot in zijn bloed.’ (p. 225)

(Het hart van de mens werd, net als Hemel en hel en Het verdriet van de engelen, vanuit het IJslands vertaald door Marcel Otten.)

woolf over montaigne

[ Virginia Woolf, The Common Reader; Montaigne. ]

*

‘To tell the truth about oneself, to discover oneself near at hand, is not easy.
We hear of but two or three of the ancients who have beaten this road [said Montaigne]. No one since has followed the track; ’tis a rugged road, more so than it seems, to follow a pace so rambling and uncertain, as that of the soul; to penetrate the dark profundities of its intricate internal windings; to choose and lay hold of so many little nimble motions; ’tis a new and extraordinary undertaking, and that withdraws us from the common and most recommended employments of the world.
There is, in the first place, the difficulty of expression. We all indulge in the strange, pleasant process called thinking, but when it comes to saying, even to some one opposite, what we think, then how little we are able to convey! The phantom is through the mind and out of the window before we can lay salt on its tail, or slowly sinking and returning to the profound darkness which it has lit up momentarily with a wandering light. Face, voice, and accent eke out our words and impress their feebleness with character in speech. But the pen is a rigid instrument; it can say very little; it has all kinds of habits and ceremonies of its own. It is dictatorial too: it is always making ordinary men into prophets, and changing the natural stumbling trip of human speech into the solemn and stately march of pens. It is for this reason that Montaigne stands out from the legions of the dead with such irrepressible vivacity. We can never doubt for an instant that his book was himself. He refused to teach; he refused to preach; he kept on saying that he was just like other people. All his effort was to write himself down, to communicate, to tell the truth, and that is a “rugged road, more than it seems”.

For beyond the difficulty of communicating oneself, there is the supreme difficulty of being oneself. This soul, or life within us, by no means agrees with the life outside us. If one has the courage to ask her what she thinks, she is always saying the very opposite to what other people say. Other people, for instance, long ago made up their minds that old invalidish gentlemen ought to stay at home and edify the rest of us by the spectacle of their connubial fidelity. The soul of Montaigne said, on the contrary, that it is in old age that one ought to travel, and marriage, which, rightly, is very seldom founded on love, is apt to become, towards the end of life, a formal tie better broken up. Again with politics, statesmen are always praising the greatness of Empire, and preaching the moral duty of civilising the savage. But look at the Spanish in Mexico, cried Montaigne in a burst of rage. “So many cities levelled with the ground, so many nations exterminated . . . and the richest and most beautiful part of the world turned upside down for the traffic of pearl and pepper! Mechanic victories!” And then when the peasants came and told him that they had found a man dying of wounds and deserted him for fear lest justice might incriminate them, Montaigne asked:
What could I have said to these people? ’Tis certain that this office of humanity would have brought them into trouble.. .. There is nothing so much, nor so grossly, nor so ordinarily faulty as the laws.
Here the soul, getting restive, is lashing out at the more palpable forms of Montaigne’s great bugbears, convention and ceremony. But watch her as she broods over the fire in the inner room of that tower which, though detached from the main building, has so wide a view over the estate. Really she is the strangest creature in the world, far from heroic, variable as a weathercock, “bashful, insolent; chaste, lustful; prating, silent; laborious, delicate; ingenious, heavy; melancholic, pleasant; lying, true; knowing, ignorant; liberal, covetous, and prodigal”— in short, so complex, so indefinite, corresponding so little to the version which does duty for her in public, that a man might spend his life merely in trying to run her to earth. The pleasure of the pursuit more than rewards one for any damage that it may inflict upon one’s worldly prospects. The man who is aware of himself is henceforward independent; and he is never bored, and life is only too short, and he is steeped through and through with a profound yet temperate happiness. He alone lives, while other people, slaves of ceremony, let life slip past them in a kind of dream. Once conform, once do what other people do because they do it, and a lethargy steals over all the finer nerves and faculties of the soul. She becomes all outer show and inward emptiness; dull, callous, and indifferent.’

[ Montaigne; reprinted from the TLS, 31 January 1924; VW’s essay is based on Essays of Montaigne, translated by Charles Cotton, edited by William Carew Hazlitt, (5 vols., 1923). ]

the emergence of memory

Ik merk dat ik sterk de neiging heb om (te) veel passages uit The Emergence of Memory over te nemen om een beeld te geven van het boek, een beetje zoals de teksten zelf ook doen. En zoals het citeren een gevolg is van The Emergence of Memory, is het onderzoekende en meanderende karakter van de interviews en essays een gevolg van het lezen van Sebalds oeuvre.

De vorm, die combinatie van essays en interviews, is een geslaagde mix en misschien ook wel een belangrijke mix. De schrijver, journalist, lezer, zal onderzoek plegen naar aspecten van Sebalds leven, of wijze van werken, die hijzelf misschien triviaal zal hebben gevonden. Zo bevat elke tekst interessante elementen, hoewel niet iedere opgenomen tekst van eenzelfde niveau is.

Een onderwerp dat ik erg interessant vind is Sebalds relatie met tijd, en de rol die tijd in zijn boeken speelt. In de introductie van The Emergence of Memory schrijft Lynne Sharon Schwartz (zij is tevens de editor van het boek): ‘.. he sees time as plastic, irregular, subjective, “a disquiet of the mind.”’ Passages die ik eerder op mijn blog plaatste zou ik ook nu weer kunnen plaatsen; Sebald is niet de hoofdpersoon uit zijn boeken, maar zijn personages zijn toch wel ‘facets of Sebald himself, the prism’ (Emergence, p. 14). Het gebruik van foto’s in zijn boeken heeft ook te maken met de wetten van de tijd, geeft Sebald aan in een interview dat Eleanor Wachtel bij hem afnam. Sebald spreekt eerst over verificatie en legitimiteit, maar bespreekt dan een andere (mogelijke) functie:

‘The other function that I see is possibly that of arresting time. Fiction is an art form that moves in time, that is inclined towards the end, that works on a negative gradient, and it is very, very difficult in that particular form in the narrative to arrest the passage of time. And as we all know, this is what we like so much about certain forms of visual art—you stand in a museum and you look at one of those wonderful pictures somebody did in the sixteenth of the eighteenth century. You are taken out of time, and that is in a sense a form of redemption, if you can release yourself from the passage of time. And the photographs can also do this—they act like barriers or weirs which stem the flow. I think that is something that is positive, slowing down the speed of reading, as it were.’ (p. 41-42)

De vraag die Eleanor Wachtel hem vervolgens stelt gaat niet op dezelfde manier over tijd, maar schetst wel een mooi beeld van Sebalds relatie met dat wat al geweest is, met mensen die al geweest zijn:

EW: One critic describes you as a ghost hunter. Do you see yourself that way?
WGS: Yes, I do. I think that’s pretty precise. It’s nothing ghoulish at all, just an odd sense that in some way the lives of people who are perhaps no longer here—and these can be relatives or people I vaguely knew, or writer colleagues from the past, or painters who worked in the sixteenth century—have an odd presence for me, simply through the fact that I may get interested in them. And when you get interested in someone, you invest a considerable amount of emotional energy and you begint to occupy this person’s territory, after a fashion. You establish a presence in another life through emotional identification. And it doesn’t matter how far back that is in time. This seems to be quite immaterial somehow. And if you only have a few scraps of information about a certain sixteenth-century painter, if you are sufficiently interested, it nevertheless allows you to be present in that life or to retrieve it into the present present, as it were.’ (p. 42)

*

Het gesprek dat Michael Silverblatt eens met Sebald had is hier te beluisteren.

de oevers van de tijd

‘De tijd, zo zei Austerlitz in de sterrenkamer van Greenwich, is van al onze uitvindingen verreweg de meest kunstmatige. In zijn gebondenheid aan de om hun eigen as draaiende planeten is hij niet minder willekeurig dan bijvoorbeeld een berekening zou zijn die gebaseerd was op de groei van de bomen of de duur van het uiteenvallen van een stuk kalksteen, nog geheel afgezien van het feit dat de zonnedag waarnaar wij ons richten geen exacte maat levert, reden ook waarom wij voor onze tijdrekening een imaginaire gemiddelde zon hebben moeten bedenken waarvan de bewegingssnelheid niet varieert en daarvan de baan niet schommelt rond de evenaar. Als Newton dacht, zei Austerlitz terwijl hij uit het raam wees naar de rivierbocht rondom het zogenaamde Isle of Dogs, die glinsterde in het laatste daglicht, als Newton werkelijk dacht dat de tijd een rivier was zoals de Theems, waar is dan de bron van de tijd en in welke zee mondt hij ten slotte uit? Elke rivier moet, zoals we weten, aan weerskanten begrensd zijn. Maar wat zijn zo gezien de oevers van de tijd? Wat zijn zijn specifieke eigenschappen, die bijvoorbeeld overeenkomen met die van water, dat vloeibaar is, tamelijk zwaar en doorschijnend? Op welke manier onderscheiden dingen die zijn ondergedompeld in de tijd zich van dingen die er nooit door zijn aan geraakt? Wat betekent het dat de uren van het licht en van de duisternis door dezelfde cirkel worden weergegeven?’ (p. 115-116)

‘Ik geloof niet, zei Austerlitz, dat wij de wetten begrijpen waaronder de terugkeer van het verleden zich voltrekt, maar ik heb steeds meer het gevoel dat er helemaal geen tijd bestaat, alleen maar verschillende ruimten die volgens een hogere vorm van stereometrie met elkaar verbonden zijn en waartussen de levenden en de doden naar believen heen en weer kunnen gaan, en hoe langer ik erover nadenk, des te meer komt het mij voor dat wij die nog leven in de ogen van de doden irreële wezens zijn die slechts af en toe, in een bepaald licht en onder bepaalde atmosferische omstandigheden, zichtbaar worden.’ (p. 210)

‘Als ik bijvoorbeeld ergens op mijn wandelingen door de stad in zo’n stille binnenplaats kijk waar decennialang niets is veranderd, dan voel ik bijna lichamelijk dat de tijd in het zwaartekrachtsveld van de vergeten dingen langzamer gaat stromen. Ik heb dan het gevoel dat alle momenten van ons leven zich in één ruimte bevinden, dat de toekomstige gebeurtenissen al bestaan en alleen maar wachten tot wij er eindelijk in binnengaan, zoals we, gehoor gevend aan een eenmaal aangenomen uitnodiging, op een bepaald uur bij een bepaald huis arriveren. En zou het niet denkbaar zijn, vervolgde Austerlitz, dat wij ook in het verleden, in dat wat al geweest is en grotendeels uitgewist, afspraken hebben en daar plaatsen en personen moeten opzoeken die, als het ware aan gene zijde van de tijd, met ons in verband staan?’ (p. 289)

Uit Austerlitz van W.G. Sebald (vert. Ria van Hengel).

lullen tot iedereen sterrekes ziet

[ Wat volgt is een deel uit Erwin Mortiers Beste Meneer Baron Walschap,
opgenomen in Wat voorbij is begint pas. ]

*

‘Diep in mijn schrijversziel zit nog steeds een onnozel schaap te hopen dat het gewoon op toeval berust, en op niets anders, dat uw woorden, geschreven in uw jonge jaren, toen de democratie gevaarlijk zwak stond, zo veel overeenkomsten vertonen met vandaag, met een politiek klimaat dat de cultuur wil opzadelen met de verantwoordelijkheid de behoeder van die democratie te zijn, terwijl diezelfde politiek de soevereine burger al knuffelend uit holt tot niet eens een mens maar tot ‘de mensen’, een rechten en plichten consumerende hoop marktsegmenten, zonder nog langer fundamentele keuzes te willen of durven maken.

Wat heeft u hierover ook alweer gezegd, in 1939? ‘Het komt mij voor dat de ontevredenheid over het huidige democratisch bestel voor een ruim deel hieruit voortspruit dat men, ten gevolge van een haast onvermijdelijk processus, geleidelijk de bruikbare mensen naar voren heeft gebracht in plaats van de bekwame. Geleidelijk worden administratie, gerecht en niet alleen deze, maar ook de leidersplaatsen die van wetenschappelijk of artistiek belang zijn, geleidelijk worden politiek en cultuur in handen gespeeld van de dienstbewijzers, de orthodoxen, de vleiers der meesters, de “mensen waarop men rekenen kan”. Dan vervlakken politiek en cultuur. De gedienstigen hebben dan het rijk der brave mediocriteit gesticht.’

Het is geen goeie tijd voor pennenvoerders, meneer Walschap. Dit is de tijd van de woordvoerders. Van ’s ochtends tot ’s avonds communiceren zij, maar iets zeggen doen ze nooit, en dat hoeft ook niet, want overal worden de ideeën vervangen door het format, de lege huls, iets wat van ver op een pralinedoos gelijkt, maar bij nader inzien zelfs geen komedie meer bevat. Ik zou dit alles, als het gepermitteerd is, diep tragisch willen noemen, zorgwekkend, en bovenal: wraakroepend.

Een tijd geleden vertoefde ik voor de zesde keer, althans sinds ik er bij wijze van spreken ‘zelf lig’, op de Antwerpse Boekenbeurs. Een radioprogramma van de openbare omroep stelde er een toptien voor van boeken die door de Vlamingen het vaakst ongelezen worden gelaten, of om iets preciezer te zijn: gniffelend werd het haatlijstje voorgelezen, samengesteld door het pakweg duizendtal kneusjes van de zalm dat naar een webstek was gesurft om er zijn halve belezenheid te etaleren. De presentatoren werden niet overdekt met pek en veren afgevoerd naar de uitgang. Misschien wel tekenend dat alleen een mevrouw van de uitgeverij van een der ‘genomineerden’ zich verontwaardigd toonde – en door de windbuil van dienst weggegiecheld werd.

Die middag moest ik deken aan wat u in 1935 schreef over een gelijkaardige enquête, ‘Onderschatting en Overschatting’, die toen al ‘Jan Publiek’ om zijn dichtgeklapte auteurs verzocht. U maakt er zich behoorlijk druk over dat Jan, al tijden in de waan verkerend dat alle grote kunst zijn pet te boven gaat – ‘behalve een schaarse uitzondering waarover hijzelf niet weinig blij en fier is, want hij heeft niets tegen de kunst, integendeel’ –, steeds vaker in de beperktheid van zijn smaken bevestigd wordt. Tegelijk grijpt u naar wat zeer waarschijnlijk ook vandaag, en met name vandaag, nog steeds de essentie vormt: ‘Vermoedelijk echter zit ergens een bleek en bedeesd jongske, pas uit de school en nog zonder naam, in onnoemelijke kwelling hemel en aarde, nu te aanroepen, dan te vervloeken, alleen maar om iets heel moois te kunnen schrijven, dat hem als bloed uit neus en oren zou springen, maar de uitweg langs zijn pen nog niet vindt. Voortdurend verkeert hij in stervensgevaar. Wat nu met hem te doen? Hem de enquête tonen, zeggend: het is maar dit, niets anders, niets meer? Zal het hem slaggelings doden of slaggelings genezen en naar een eetbare betrekking doen uitzien?’

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw zijn er nog altijd genoeg domkoppen te vinden die een geregelde baan aan zich laten voorbijgaan om vloekend en smekend en wroetend te wachten tot het eruit komt zoals het eruit moet komen. Domkoppen die niets anders willen dan hun eigen volle goesting doen, omdat hun goesting nu eenmaal de enigste plek is waar ze weten dat ze een mens zijn, en dusdanig mens dat ze het niet voor zich kunnen houden, al die sukkelaars die blijven rijmen en dansen en zwansen en roepen en zingen, terwijl ze toch zoveel duidelijker zouden zijn, ’t is toch waar, als zij tenminste een beetje training volgden, om dan met de breedste glimlach die op een beeldscherm past, gelijk stilaan allemaal tegenwoordig, te kunnen zeggen ‘onderzoek heeft uitgewezen dat’, en vervolgens statistieken braken en percentages lullen tot iedereen sterrekes ziet.’

wat voorbij is begint pas

‘Het is alsof wij mensen op een dag ontploft zijn, alsof het biologische wezen dat wij waren geëxplodeerd is in de dimensies van het symbool, de taal, het teken, waardoor wij op slag een schepsel werden dat voor immer buiten het bereik van zichzelf geslingerd is. Het woord bewaart ons niet, het laat ons in betekenissen openbarsten. We lijken, toen wij mensen werden, oneigenlijk aan het schreeuwen te zijn geslagen, en elke kreet heeft ons alleen maar verder en verder van onze stem verwijderd.’ (p. 20)

‘Komt niet alle betekenis neer op stilstand, een hartstochtelijk oponthoud? Lezen we niet allemaal om in ons hoofd de stroom der gedachten te voelen stilvallen en weer verder stromen, in andere richtingen dan voordien? Wie hunkert niet naar de vingervlugge ontploffingen die het lezen in ons teweegbrengt?’ (p. 30-31)

‘Wat we ons bewust in herinnering halen is wat ons geweten zich herinnert.’ (p. 36)

‘Taal is altijd een toevallige samenloop van klank die pas muziek kan worden in de holten van een voorzichtig oor. Een luisteren dat weet te wachten, bedacht op het veelzeggende zwijgen van de schrijver, zonder hem om de haverklap te overstemmen met de woedende eis zijn moeizame gesprek met de dingen op te offeren voor de waan van de duidelijkheid. De ziedende klacht dat er zo veel grove onrechtvaardigheden bestaan waartegen we de stem niet verheffen, terwijl er minstens evenveel grove rechtvaardigheden onder ons zijn, waarover iedereen zwijgt.’ (p. 37-38)

‘Vanwaar toch die hersenschim dat de stad van de woorden er is om sociaal welbevinden te stutten, de barstjes in de cohesie te dichten, dat een boek de frontverpleegster van de mensenstad zou zijn, afdeling wondverzorging over dialyse? Wat een reductie. Wie schrijft, schrijft altijd de wereld aan. Meerduidig. Ambigu. Schalks. Geslepen. Ironisch (sarcastisch, satirisch). Speels. Vloekend. Spotziek. Sarrend. Fluitend. Biddend. Schreeuwend. Bronstig. Wanhopig. Verward (incoherent) – maar nimmer zonder het stille verlangen naar een luisterend oor. Geen enkel boek trekt conclusies, wist Flaubert al, en doet het dat wel, dan minstens voorbarig en met verraad van onze blijvende tijdelijkheid: ‘Omdat ik in het voortdurend veranderen van de mensheid geloof, én in haar eeuwige vormen, haat ik de hokjes waar men haar met geweld in wil stoppen, al het formalisme waarin men haar wil opsluiten en alle plannen die men voor haar bedenkt. De democratie is haar laatste woord niet, net zomin als de slavernij dat geweest is, of het feodalisme, of de monarchie. De door menselijke ogen waargenomen horizon is nooit de kust.’’ (p. 38)

‘Het schrijven laat zich in het spreken naar als een stormvloedkering en creëert in de stroom der woorden, de hunkerende taalrivier, momenten van stilstand die zich in het geheel van de geschreven tekst samenvoegen tot een ritmiek; in de muzikaalste zin van het woord het spel van oponthoud waarin zich kortstondig betekenis openbaart.’ (p. 68)

‘Cultuur leunt op luisterbereidheid.’ (p. 75)

‘Het liefste zou ik over gedichten spreken in termen van verval of erosie, en niet of niet alleen in termen van opbouw of constructie. Een vers is evengoed een afkalving als een ophoping van betekenis. Op zijn best vertoont het de onbedoelde schoonheid van natuurwonderen als de Grand Canyon. Drommen toeristen vergapen er zich aan wat grootschalig ontbreekt. Zover het oog reikt strekken zich schitterende texturen van gemis uit, een door de eeuwen en elementen per toeval uitgespoelde megagotiek van kloven en spitsbooggewelven, sacrale vormen zonder een god. Dan denk ik: konden mijn sterfelijke botten maar zo veel geduld huisvesten om al schrijvende te wachten tot de vormen versleten genoeg zijn om volmaakt te heten.
      Ik droom dan over kwatrijnen van krijtsteen en precambrische alexandrijnen, en over beschouwingen van de dichtkunst die de moed opbrengen totaal ongerechtvaardighed te zijn, dat wil zeggen de geschiedenis achter zich laten om zich te begeven aan een archeologie van de toekomst. De poëzie is een open graf, een oude bruinkoolmijn, een natuurlijke asfaltmeer. In haar groeven en bodemlagen vindt de compostering der connotaties plaats. De taal sterft er in zijn betekenissen weg en kan er uit zijn eigen restanten opstaan, tegelijk piepjong en millennia oud.’ (p. 80-81)

‘We laten ons verblinden door de zinsbegoocheling dat het verleden volledig te doorgronden valt en we verlangen van het nieuwe dat het heel precies aan onze verwachtingen beantwoordt. In beide gevallen staan we stijf van het heimwee.’ (p. 83-84)

Uit Wat voorbij is begint pas. Lichtzinnige meditaties over het schrijven van Erwin Mortier.

sebalds quincunx (de ringen van saturnus)

Een Sebaldiaanse pelgrimage is niet alleen een reis door een gebied of land, het is tegelijkertijd een aaneenrijging van observeringen, herinneringen, mijmeringen, verhalen. Bijzonder is dat Sebald dit eigenlijk in het eerste hoofdstuk van De Ringen van Saturnus aankondigt, schrijvend over Thomas Browne en diens quincunx:

Thomas Browne’s quincunx
‘.. het patroon van de zogenaamde quincunx, dat gevormd wordt door de hoekpunten van een regelmatige vierhoek en het punt waar de diagonalen daarvan elkaar snijden. Overal in de levende en dode materie ontdekt Browne deze structuur, in bepaalde kristalvormen, in zeesterren en zeeëgels, in de wervels van zoogdieren, in de ruggengraat van vogels en vissen, op de huid van diverse soorten slangen, in de sporen van telgangers, in de tekening op het lichaam van rupsen, vlinders, zijdespinners en nachtvlinders, in de wortel van de watervaren, de zaadhulzen van zonnebloemen en parasolbomen, in het binnenste van jonge eikenloten of de stengel van de paardenstaart, en in de kunstwerken der mensen, zowel in de Egyptische piramides en het mausoleum van Augustus als in de met granaatappelbomen en witte lelies geometrisch beplante tuin van Koning Salomo.’ (p. 28-30)

In Patience (After Sebald), een essay-achtige film/documentaire over De Ringen van Saturnus, wordt Sebalds schrijfwijze beschreven als straightforward and artful at the same time. Correct, geloof ik, en door helder te blijven creëert hij in De Ringen een ruimte die de lezer laat dwalen. Zoals het boek meandert, zo begint de lezer (onontkoombaar) ook te meanderen: er is geen idee van een einde, of eindpunt, enkel een einde van het boek en ook dat is slechts een hoekpunt.

Sebald voelt om zich heen, lijkt te willen traceren, alsof hij niet in staat is zichzelf in de wereld te plaatsen, alsof hij iets wezenlijks mist. Er wordt iets gezocht, maar er valt niets concreets te ontdekken omdat alles het gevolg is van een nog nader te onderzoeken verleden.

*

(Robert Macfarlane over Sebald in Patience: He is a biographer who walks his subjects back into life or maybe he walks foward after them into death; it’s never quite clear.’)

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief