het terugschenken van tijd

22.04 is een boek dat alle kanten op gaat. Daarmee bedoel ik alles wat je daarmee kunt bedoelen. Het denkt na over tijd en plaats, over liefde en familie, over het leven en het einde, over kunst, over de stad, over de maan. Achteraf blijkt dat het boek niet per sé een logische volgorde heeft, maar ook weer wel.

Dat klinkt vaag. Misschien moet ik iets vertellen over de inhoud.

Een jonge schrijver kreeg goede kritieken voor zijn debuutroman (een boek dat veel weg heeft van Ben Lerners debuut Vertrek van station Atocha) en wordt nu veel geld aangeboden voor een nog-niet-bestaand nieuw boek naar aanleiding van een gepubliceerd kort verhaal. Hij heeft plannen, ideeën, te veel wellicht: iedere keer dat iemand hem vraagt waar zijn nieuwe boek over zal gaan, geeft hij een nieuw en ander antwoord. En tijdens zijn gastschrijverschap in Marfa, Texas, werkt hij vijf weken lang alleen aan een gedicht dat gaat over tijd, de materiële wereld, en Walt Whitman.

De verteller in 22.04 (zijn naam wordt niet genoemd) spreekt veelvuldig over vensters en schermen, over het rangschikken van de tijd en wereld. Hij plaatst vensters naast elkaar op zijn computer zoals hij (of Lerner) ook zijn boek uiteindelijk rangschikt. Dat zorgt voor een soort afstand. Toch, de diepgaande (kunstzinnige) ervaring waar Adam Gordon in Vertrek van station Atocha niet in geloofde maar wel naar op zoek was, overkomt de hoofdpersoon van 22.04 regelmatig. Maar daar moet hij voor kiezen, zoals je een scherm op je laptop kiest. Net zo gemakkelijk ervaart hij iets half, maar niet zonder daar over nagedacht te hebben; hij theoretiseert de realiteit.

Voorbeeld. New York wordt gewaarschuwd voor een naderende, potentieel zeer zware storm. Er ontstaat bij de protagonist een beeld van een apocalyptisch New York, een beeld dat zal zijn. Maar het gebeurt niet, de storm valt reuze mee, er waaien wat takken van bomen maar daar blijft het bij. Het gevolg van het uitblijven van de verwachtte wereld is dat een mogelijkheid verdwijnt omdat de verteller gelooft dat het enkel een mogelijkheid was in een wereld waarin de storm wél heftig was, wél schade berokkent. Overigens, die mogelijkheid werd ergens door ‘gemaakt’, een reeks gebeurtenissen leidden tot die mogelijkheid: Lerners verteller heeft, nadat hem duidelijk wordt dat de storm geen nieuwe wereld heeft gebracht, het gevoel dat ook die gebeurtenissen zijn opgelost:

‘Omdat de ogenblikken mogelijk waren gemaakt door een toekomst die nooit gekomen was konden ze niet herinnerd worden vanuit deze toekomst die in en als het heden was bereikt (..).’ (p. 36)


Lerners schrijver wandelt door zijn stad, zijn landschap, denkt na, beschrijft wat hij ziet en denkt. Hij bevindt zich in Texas en schrijft, ziet spoken en atmosferische weerspiegelingen, en denkt na. Hij vertelt over ontmoetingen met andere schrijvers, praat met deze andere schrijvers over zijn plannen voor het nieuwe boek (en denkt na). Middenin 22.04 staat ineens een verhaal gedrukt, vermoedelijk de tekst die hem het grote geldbedrag heeft gebracht. Het verhaal bevat ogenblikken, verhalen, personages, die in ‘gewone’ hoofdstukken een rol spelen (in de hoofdstukken voor én na het verhaal): de schrijver bedenkt wat hij kan, wil, mag, zal gebruiken in nieuw werk: hij verdwijnt en verschijnt in dit boek, het boek dat hij uiteindelijk heeft gemaakt:

‘(..) ik (..) besloot om het boek van het voorstel te vervangen door het boek dat je nu leest, een werk dat, net als een gedicht, fictie noch non-fictie is en zich van de een naar de ander beweegt; ik besloot om mijn verhaal niet uit te werken tot een roman over literaire fraude, over het vervalsen van het verleden, maar tot een werkelijk heden dat meervoudige toekomsten zou bevatten.’ (p. 239)

Ik moest regelmatig aan Valeria Luiselli’s De gewichtlozen denken tijdens het lezen van 22.04. Niet alleen heeft Lerners protagonist te maken met de geest van een dode dichter, ook legt hij onopgemerkt verschillende tijden over elkaar (dat vermoeden heb ik in ieder geval). Luiselli schrijft in haar roman: ‘Wie zich bezighoudt met het schrijven van romans, houdt zich bezig met het dubbelvouwen van de tijd.’ — er wordt nogal wat dubbelgevouwen in 22.04. Maar Ben Lerner speelt geen spel (zoals Luiselli ook geen spel speelt in haar roman), zijn protagonist (en de schrijver zelf vermoedelijk ook) is ongeveinsd geïnteresseerd in het landschap van de (/zijn) tijd.

Ben Lerner is in staat de meest ongrijpbare momenten te beschrijven (zie het passage onderaan), en maakt heerlijke zinnen, waardoor 22.04 alleen al zeer de moeite waard is vanwege Lerners proza. Ik vind het een wonderbaarlijk boek.

‘Toen ik uit de metro kwam ontdekte ik dat het al helemaal donker was en dat er iets van verwachting in de lucht hing en ook iets anders, zoiets als het gevoel van een sneeuwdag tijdens de kinderjaren toen de tijd zich had ontworsteld aan de instituties, toen sneeuw een technologie leek om de tijd te verslaan, of als de verslagen tijd zelf die uit de lucht viel, elk glinsterend ijsdeeltje een ogenblik van je routine dat werd teruggeschonken.’ (p. 27)

elke dag is voor de dief

Na jarenlang elders te hebben geleefd keert een jonge schrijver terug naar het land waar hij opgroeide, Nigeria. Het is een vreemd weerzien: hoewel hij volgens zijn familie is verwesterd en de stad Lagos een enorme woede bij hem oproept, verlangt hij er tegelijkertijd naar (voorgoed) terug te keren naar ‘de vreemde, vertrouwde omgeving’ van zijn jeugd.

Toen Teju Cole (1975) twee jaar geleden bekendheid verworf met Open Stad, was Elke dag is voor de dief al verschenen, weliswaar bij een kleine Nigeriaanse uitgeverij. Na het succes van Open stad (het ontving enthousiaste kritieken en kreeg de PEN/Hemingway Award toegekend) redigeerde Cole Elke dag is voor de dief voor een nieuwe uitgave. Dit boek is een roman, maar Teju Cole liet met Open Stad al zien niet veel op te hebben met conventionele eigenschappen van het genre als plot en karakterontwikkeling; deze zijn ook afwezig in dit boek. Elke dag is voor de dief bevat bovendien biografische elementen: Cole groeide zelf op in Nigeria om het op zijn zeventiende te verlaten, ook hij kwam jaren later voor een paar weken terug. Naderhand schreef hij een serie blog berichten over zijn tijd in Lagos, waar nog weer later een boek van werd gemaakt. Elke dag is voor de dief lijkt op een persoonlijk reisverslag, en kent een episodische vorm, ieder hoofdstuk staat op zich.

Corruptie, religie, geluk
Nigeria is een land van corruptie, religie en geluk: hoewel het het meest religieuze land ter wereld is, en de mensen die er wonen volgens onderzoek door internationale media de gelukkigste op aarde zijn, scoort het land ook hoog op de corruptie-index van Transparency International. ‘Als het land zo religieus is, waarom maakt men zich dan zo weinig druk om de moraal of de mensenrechten?’ schrijft Cole (p. 150). Het is voor zijn progatonist onmogelijk zijn humanistische principes te negeren, en hij vraagt zich regelmatig af of hij dit milieu wel kan verdragen mocht hij terugverhuizen. Afkeer leeft echter samen met een eindeloze fascinatie voor de stad: Lagos is rijk aan verhalen, en een goudmijn voor een schrijver.

Eén zo’n verhaal is het relaas van een jonge dief. Lang nadat het incident heeft plaatsgevonden laat Cole’s protagonist zich de plek wijzen waar de dief zijn dood vond. Cole is een schrijver die zich niet laat afleiden door franje, zijn zinnen zijn helder en draaien er niet om heen:

‘Te midden van het stilstaande verkeer is ruimte gecreëerd. [..] De band is over de jongen heen gegooid. Hij valt flauw, maar als hij met benzine wordt overgoten, komt hij plotseling weer vervuld van paniek tot leven. [..] De rondspattende vloeistof vervliegt sneller dan water, het ruikt, het druipt van hem af, vormt kraaltjes in zijn kroeshaar. [..] Er ontbreekt nog één ding, waarin snel voorzien wordt. Het vuur laait luid suizend op en de menigte hapt naar adem en deinst achteruit. De jongen danst als een bezetene, maar door de band die hem omknelt, valt hij al snel voorover en blijft dan stil liggen.’ (p. 67)

Zonnevlekken
Zijn land is een duister land, weet Cole. Hij haalt een passage van de dichter Tomas Tranströmer aan omdat het wat hem betreft in plaats van Zweden ook over Nigeria zou kunnen gaan:

‘Het mag niet worden gezegd, maar hier huist veel onderdrukt geweld. Daarom wegen de details zo zwaar. En is het zo moeilijk het andere dat er ook is te zien: een zonnevlek die over de huismuur beweegt, door het onwetende bos van opflikkerende gezichten glijdt, een Bijbelwoord dat nooit geschreven werd: “Kom tot mij, want ik ben even tegenstrijdig als jijzelf.”’ (p. 119)

Cole komt met veel details op de proppen in Elke dag is voor de dief, waardoor het dagelijks leven van zijn duistere land helder geïllustreerd wordt. De zonnevlekken zijn voor de schrijver echter van groter belang: nog altijd zoekt hij naar iets dat hem doet besluiten te blijven. Een groot en ambitieus muziekinstituut of een Ondaatje-lezende vrouw geeft hem hoop, maar daar staat dan weer tegenover dat het National Museum lijkt te zijn vergeten wat Nigeria allemaal heeft moeten doorstaan. De grote tegenstrijdigheden maken hem radeloos.

Zijn familie had gelijk: de schrijver in Elke dag is voor de dief is wel degelijk verwesterd. Dit blijkt bijvoorbeeld uit zijn woede als hij merkt dat Nigeria zichzelf als ‘land zonder verleden’ lijkt te beschouwen. Teju Cole is niet meer thuis in het land omdat hij juist die ongemakkelijke verhalen op zoekt. Die ontstane afstand voelt misschien als verlies, het zorgt er echter wel voor dat de schrijver zijn gang kan gaan zoals hij doet in dit boek. Cole is een schrijver met lef, hij gaat niets uit de weg. Akelige momenten beschrijft hij zonder sentiment en zo klein mogelijk, de episode met de dansende jongen is daar een bijzonder staaltje van: Cole maakt foto’s met zijn woorden. Die kleinste observaties, en het contrast van de verhalen van de Nigeriaanse straat en Cole’s zogenoemde zonnevlekken, maken van Elke dag is voor de dief een fascinerend boek.

Elke dag is voor de dief, Teju Cole (vert. Paul van der Lecq)

impossible truths

‘Writing is saying to no one and to everyone the things it is not possible to say to someone. Or rather writing is saying to the no one who may eventually be the reader those things one has no someone to whom to say them. Matters that are so subtle, so personal, so obscure, that I ordinarily can't imagine saying them to the people to whom I'm closest. Every once in a while I try to say them aloud and find that what turns to mush in my mouth or falls short of their ears can be written down for total strangers. Said to total strangers in the silence of writing that is recuperated and heard in the solitude of reading. Is it the shared solitude of writing, is it that separately we all reside in a place deeper than society, even the society of two? Is it that the tongue fails where the fingers succeed, in telling truths so lengthy and nuanced that they are almost impossible aloud?’ (p. 64)

The Faraway Nearby, Rebecca Solnit

geen tijd voor proust

‘ [..] een van de belangrijke, wonderlijke kenmerken van mooie boeken (waardoor we beseffen welke wezenlijke maar tegelijkertijd beperkte rol het lezen in ons geestelijk leven kan spelen) is dat ze voor de auteur ‘Conclusies’ zouden kunnen worden genoemd en voor de lezer ‘Aansporingen’. We zijn ons er terdege van bewust dat onze wijsheid begint waar die van schrijvers eindigt, en we zouden willen dat ze ons antwoorden aanreikten, terwijl ze alleen in staat zijn ons verlangens te geven.’ (p. 39)

Lezen moet de functie hebben van wegbereider, aldus Proust. Het moet iets aanraken, iets in beweging zetten, zodat de aangeraakte de diepere lagen van het zelf kan gaan verkennen. Een ander kan ons immers geen antwoord geven:

Dankzij een vreemde maar gelukkige optische wet der geesten (een wet die misschien inhoudt dat we van niemand de waarheid kunnen ontvangen en dat we die zelf moeten creëren), schijnt het eindpunt van hun wijsheid ons pas het begin toe van de onze [..].’ (p. 39-40)

Boeken als aansporingen, het is een mooi idee. In Geen tijd voor Proust laat de protagonist (een schrijver) zich aansporen door Op zoek naar de verloren tijd (en ander werk van Proust, maar dat terzijde). Als hij tijdens zijn treinreis naar Parijs (naar aanleiding van een uitnodiging als artist-in-residence aan zijn Proust-project te komen werken) zelf een madeleine-moment meemaakt ervaart hij dat als een gat in de tijd, een ervaring die hem dusdanig in de war brengt dat hij begint te twijfelen aan identiteit, tijd, en ruimte.

Lang voordat men het woord ‘kwantumuniversum’ in gebruik nam, schreef Proust er al over (overigens zonder dat hij het zelf wist). Althans, dat is de opvatting van een ander personage uit Geen tijd voor Proust. Antoine is natuurkundestudent, maar tevens bekend met Op zoek naar de verloren tijd. Juist op het moment dat Noormans protagonist (vanaf nu noem ik hem wel gewoon P.) niet langer weet welke kant op te gaan met zijn schrijfwerk, raakt hij met Antoine in discussie over Prousts ideeën over bewustzijn, werkelijkheid, tijd, en ruimte. P.  kan zich niet herinneren dat Proust ‘over [de] verschillende hoedanigheden die bewustzijn kan aannemen’ (p. 222) heeft geschreven, en neemt Antoine's ideeën in eerste instantie niet erg serieus, maar naarmate de twee elkaar vaker spreken beseft P. dat zijn overwegingen en Antoine's theorieën elkaar overlappen. Met behulp van Proust, in combinatie met de kwantummechanica volgens Antoine, kan hij zich buiten zichzelf plaatsen (dat wil zeggen: zijn verhaal zowel als protagonist als verteller ervaren) wat hem helpt zijn werk vorm te geven. Met zijn werk doorgrondt P. dan weer de madeleine-momenten die hem eerder zo ontregelden. Het idee is dat iedereen een verhaal in stand houdt waar alle volgende momenten en gebeurtenissen zich aan refereren. Maar het is een fictief verhaal dat maar één interpretatie kent, waardoor het een last wordt:

‘‘Onze verhalen zijn interpretaties van de werkelijkheid, die we beleven als iets wat zich buiten ons bevindt, een materiële illusie,’ antwoordde Antoine geduldig. ‘We zien onszelf als een subject en alles wat we waarnemen als een object. Vanuit ons door ervaringen geconditioneerde bewustzijn scheppen we een persoonlijke werkelijkheid die ons levensverhaal wordt en waarin we onszelf gevangenhouden.’’ (p. 262)

(Dit is niet alles, natuurlijk, maar voor alles moet het boek gelezen worden.)

Wonderbaarlijk genoeg verduidelijken P.'s dialogen met Antoine Prousts ideeën en wordt het boek er niet moeilijker van. Het is lang niet altijd even eenvoudig te volgen, voornamelijk vanwege de abstracte filosofieën van zowel Antoine als Proust, maar het is geschreven in helder proza. Daar komt bij dat al deze ideeën heel veel in beweging kunnen zetten bij de lezer; aansporingen. Ik blijf maar nadenken over dit boek; over Noormans verhaal over dode sterren en frequenties van verschillende ruimtes, over Antoine's overpeinzingen, over Prousts mijmeringen over literatuur en muziek. Geen tijd voor Proust is niet geschikt voor alle lezers, dat is wel op te maken uit recensies die online te vinden zijn, maar wat mij betreft is het een aanrader indien men enig interesse in Proust, tijd en ruimte, identiteit, literatuur en/of kunst heeft.

Geen tijd voor Proust, Jelle Noorman
(Schuingedrukte zinnen zijn door Jelle Noorman vertaalde passages uit het werk van Marcel Proust. Ik ben onbekend met Prousts werk (dat wil zeggen dat ik nog niets van hem gelezen heb), waardoor ik vanzelfsprekend niets heb kunnen schrijven over hoe Geen tijd voor Proust zich verhoudt tot Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust. Een dergelijke bespreking vind je hier. Tot slot: een uitgebreid leesfragment kun je hier vinden.)

de scheppende kunstenaar volgens proust

‘Zoals elke scheppende kunstenaar, zo betoogde Proust, verkent een schrijver diepere lagen van zijn zelf, waaruit hij put om iets nieuws voort te brengen. Dit ontstaat in afzondering en los van de persoon die hij in zijn contact met de buitenwereld is.
Wat je het publiek feitelijk geeft, is wat je alleen hebt geschreven, voor jezelf, het is echt het werk van je zelf. Wat je je naasten geeft, dat wil zeggen, wat je geeft in gesprekken [..] en in de geschriften bestemd voor die naasten, die dus zijn aangepast aan de smaak van enkele personen en eigenlijk niets anders zijn dan geschreven gesprekken, is het werk van een veel oppervlakkiger zelf en niet van het diepere ik dat je slechts hervindt wanneer je afstand neemt van anderen en van het ik dat die anderen kent: het ik dat heeft afgewacht terwijl je in het gezelschap van anderen verkeerde, het enige ware ik, zo besef je, waarvoor alleen kunstenaars uiteindelijk leven, als voor een god die ze steeds minder vaak verlaten en aan wie ze een leven wijden dat alleen maar dient om hem te eren.
Dit klinkt misschien als het toppunt van egocentrisme – het dienen van het eigen ik als was het een godheid – maar het diepere zelf waaruit de kunstenaar volgens Proust moest putten, heeft juist niets te maken met een ego dat hij in ijdelheid koestert en aan de buitenwereld toont. Dat is het oppervlakkige zelf dat [Charles-Augustin] Sainte-Beuve zag als de enig waarneembare en waardevolle kant van een schrijver, waaruit diens werk ontstaat en waaraan dat zijn eventuele waarde ontleent.
       Voor Proust ontsteeg het ware ik het strikt persoonlijke en was het niets minder dat een ‘genie’, een gave om iets groots en universeels te scheppen. Het ego en dat genie waren twee verschillende wezens, en volgens Proust was het dan ook heel goed mogelijk dat iemand die in hetzelfde lichaam huist als een groot genie daar weinig omgang mee heeft, dat zijn naasten alleen hem kennen, en dat het daarom absurd is om net als Sainte-Beuve de dichter te beoordelen op grond van de man die hij is of van de dingen die zijn vrienden over hem te zeggen hebben. De man zelf is niet meer dan een man en heeft wellicht geen idee wat de dichter wil die in hem leeft.’ (p. 17-18)

Geen tijd voor Proust, Jelle Noorman

de thibaults (2)

De Thibaults werd door Roger Martin du Gard geschreven in de periode dat ook Marcel Proust, James Joyce en Virginia Woolf publiceerden. Du Gard bleef trouw aan de klassieke vertelstijl van o.a. Tolstoj terwijl anderen toegaven aan de drang tot vernieuwing. Wel maakt du Gard in De Thibaults gebruik van het innerlijke monoloog en een wisselend perspectief, waardoor zijn personages een enorme diepgang krijgen.

De Thibaults (vert. Anneke Alderlieste) gaat grotendeels over broers Antoine en Jacques Thibault. Antoine kent weinig problemen met zijn vader (medicijnen studeren lag in de lijn der verwachtingen), Jacques wil schrijver worden. Hij is gevoelig en onrustig en leest veel poëzie en literatuur. Zijn wensen voor de toekomst komen niet overeen met wat zijn conservatieve en enigszins wrede vader voor hem in gedachte heeft. Oscar Thibault plaatst zijn zoon dan ook in een verbeteringsgesticht nadat Jacques met zijn goede vriend Daniel poogt weg te lopen van zijn verstikkende thuis. Thibault senior maakt meer kapot dan hem lief is.

Hoewel de Thibaults een aantal overeenkomstige karaktereigenschappen bezitten (‘Er moet in ons karakter een uitzonderlijke combinatie zijn van trots, drift en koppigheid [..]’, aldus Antoine (p. 205)), zorgen andere karaktertrekken voor miscommunicatie. Oscar Thibault weet alles zeker en laat geen ruimte voor twijfel, terwijl Jacques de grootste scepticus is. Antoine hangt ergens in het midden, wat er voor zorgt dat hij zowel zijn vader als Jacques kan begrijpen. Naarmate het verhaal vordert beweegt hij steeds meer richting Jacques, hoewel hij diens behoefte aan ruimte en vrijheid niet helemaal kan volgen.

*

De eigenschappen die Roger Martin du Gard aan zijn personages geeft, de observaties die hij ze laat maken (zelf maakt), zorgen ervoor dat dit boek enorm de moeite waard is. Voorbeeld: een onrustige Jacques glimlacht ‘tegen zijn eigen onmetelijkheid (..). Hij had het gevoel dat hij een wereld was, een wereld vol tegenstrijdigheden, een chaos, een chaos van rijkdom.’ (p. 349) Vervolgens komt du Gard met de volgende passage:

‘Hij stond op van zijn bureau, deed een paar passen, bekeek op de plank de rij boeken die hij had verzameld – sommige al sinds vorig jaar – voor het moment dat hij vrij zou zijn, overwoog bij zichzelf welk hij als eerste zou kiezen, trok een scheef gezicht en liet zich met lege handen op zijn bed vallen.
      Genoeg boeken, genoeg redeneringen, genoeg zinnen, dacht hij. Words! Words! Words! Hij strekte zijn armen uit naar iets ongrijpbaars en stond op het punt te gaan huilen. Kan ik al... leven, vroeg hij zich benauwd af. En opnieuw: ben ik nog een kind? Of ben ik een man?
      Er kwamen heftige verlangens in hem op; hij werd erdoor overstelpt; hij had niet kunnen zeggen wat hij van de toekomst verwachtte.’ (p. 350)

De Thibaults staat vol met dergelijke rijke scènes: Antoine en Jacques hebben beide de neiging veel na te denken over hun doen en laten, niet zozeer om zichzelf gerust te stellen of ergens verantwoording voor af te leggen, maar omdat ze nieuwsgierig zijn naar hun eigen beweegredenen. (De passage die ik gisteren plaatste is daar een ander voorbeeld van: ‘op grond waarvan...?’) Die oprechtheid zorgt ervoor dat De Thibaults een juweel is.

de thibaults

‘Ik leef, zei hij ten slotte bij zichzelf, dat is een feit. Met andere woorden, ik maak voortdurend keuzes en ik handel. Goed. Maar hier begint mijn dilemma. Ik maak keuzes en handel op grond waarvan? Ik heb geen idee. Is het op grond van dat scherpe inzicht waar ik daarnet aan dacht? Nee... Dat is theorie...! Dat streven naar helderheid heeft wat mij betreft nooit echt tot een beslissing, een daad geleid. Pas als ik gehandeld heb, treedt die scherpzinnigheid in werking om tegenover mezelf te rechtvaardigen wat ik heb gedaan... En toch, sinds ik een denkend wezen ben, voel ik me gedreven door – laten we aannemen: een instinct – door een kracht die me bijna onafgebroken aanzet niet dit maar dat te kiezen, niet zus maar zo te handelen. Echter – en dat is het verbijsterendst – ik merk dat al mijn daden dezelfde lijn volgen. Alles voltrekt zich dus alsof ik aan een onverbiddelijke regel was onderworpen... Ja, maar welke regel? Ik weet het niet. Elke keer dat, op een serieus moment van mijn leven, die drijvende kracht me aanzet een bepaalde richting te kiezen en in die geest te handelen, vraag ik mezelf tevergeefs: op grond waarvan? Ik stoot altijd op een zwarte muur. Ik voel me zeker en vol energie, ik voel me legitiem – en toch buiten de wet. Noch in de dogma's uit het verleden, noch in de huidige filosofieën, noch in mijzelf vind ik een bevredigend antwoord; ik zie duidelijk alle regels die ik niet kan onderschrijven, maar ik zie er niet één waaraan ik me zou kunnen onderwerpen; van alle gestandaardiseerde disciplines is er nooit een geweest die, zelfs maar bij benadering, bij me leek te passen of mijn gedrag leek te kunnen verklaren. En toch vorder ik, ik schiet zelfs met een flinke vaart, zonder aarzelen, bijna recht vooruit! Is het niet vreemd! Ik kom mijzelf voor als een snel schip dat onverschrokken zijn weg vervolgt en waarvan de stuurman nooit een kompas heeft gehad... Het lijkt bijna of ik ondergeschikt ben aan een orde. En dat denk ik zelf te voelen: mijn natuur is geordend. Maar welke orde? Overigens beklaag ik me niet. Ik ben gelukkig. Ik zou niet anders willen zijn; ik zou alleen graag willen begrijpen waarom ik zo ben. En er zit ook iets ongerusts in die nieuwsgierigheid. Draagt ieder wezen zo'n raadsel in zich? Zal ik ooit de sleutel van het mijne vinden? Zal het me lukken mijn wet te formuleren? Zal ik ooit weten op grond waarvan...?’ (p. 571-572)

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief