dinsdag 19 augustus 2014

de thibaults

‘Ik leef, zei hij ten slotte bij zichzelf, dat is een feit. Met andere woorden, ik maak voortdurend keuzes en ik handel. Goed. Maar hier begint mijn dilemma. Ik maak keuzes en handel op grond waarvan? Ik heb geen idee. Is het op grond van dat scherpe inzicht waar ik daarnet aan dacht? Nee... Dat is theorie...! Dat streven naar helderheid heeft wat mij betreft nooit echt tot een beslissing, een daad geleid. Pas als ik gehandeld heb, treedt die scherpzinnigheid in werking om tegenover mezelf te rechtvaardigen wat ik heb gedaan... En toch, sinds ik een denkend wezen ben, voel ik me gedreven door – laten we aannemen: een instinct – door een kracht die me bijna onafgebroken aanzet niet dit maar dat te kiezen, niet zus maar zo te handelen. Echter – en dat is het verbijsterendst – ik merk dat al mijn daden dezelfde lijn volgen. Alles voltrekt zich dus alsof ik aan een onverbiddelijke regel was onderworpen... Ja, maar welke regel? Ik weet het niet. Elke keer dat, op een serieus moment van mijn leven, die drijvende kracht me aanzet een bepaalde richting te kiezen en in die geest te handelen, vraag ik mezelf tevergeefs: op grond waarvan? Ik stoot altijd op een zwarte muur. Ik voel me zeker en vol energie, ik voel me legitiem – en toch buiten de wet. Noch in de dogma's uit het verleden, noch in de huidige filosofieën, noch in mijzelf vind ik een bevredigend antwoord; ik zie duidelijk alle regels die ik niet kan onderschrijven, maar ik zie er niet één waaraan ik me zou kunnen onderwerpen; van alle gestandaardiseerde disciplines is er nooit een geweest die, zelfs maar bij benadering, bij me leek te passen of mijn gedrag leek te kunnen verklaren. En toch vorder ik, ik schiet zelfs met een flinke vaart, zonder aarzelen, bijna recht vooruit! Is het niet vreemd! Ik kom mijzelf voor als een snel schip dat onverschrokken zijn weg vervolgt en waarvan de stuurman nooit een kompas heeft gehad... Het lijkt bijna of ik ondergeschikt ben aan een orde. En dat denk ik zelf te voelen: mijn natuur is geordend. Maar welke orde? Overigens beklaag ik me niet. Ik ben gelukkig. Ik zou niet anders willen zijn; ik zou alleen graag willen begrijpen waarom ik zo ben. En er zit ook iets ongerusts in die nieuwsgierigheid. Draagt ieder wezen zo'n raadsel in zich? Zal ik ooit de sleutel van het mijne vinden? Zal het me lukken mijn wet te formuleren? Zal ik ooit weten op grond waarvan...?’ (p. 571-572)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten