jeanette winterson

Why Be Happy When You Could Be Normal van Jeanette Winterson is een aanrader. Ik las eerst Oranges Are Not the Only Fruit: het verhaal van de jeugd van Jeanette Winterson, maar dan hier en daar wat aangedikt. Geen echte autobiografie dus. Dat is Why Be Happy wel.

Jeanette Winterson werd als baby geadopteerd door Mrs en Mr Winterson. De Mrs is een overheersende vrouw die de bijbel letterlijk nam en enkel zeker was van Het Eind der Tijden. Mr Winterson komt weinig voor in Oranges omdat hij weinig voor kwam in Jeanette's leven. Hij werkte veel, zei weinig, was voornamelijk afwezig. Opgroeiend met het idee dat ze geboren is om missionaris te worden leerde Jeanette hoe ze mensen moest bekeren—en toen werd ze verliefd op haar bekeerlinge. All hell breaks loose.

Winterson schrijft op een manier die volledig van haarzelf is. Haar liefde voor verhalen en boeken deelt ze niet alleen letterlijk, ze gebruikt het in Oranges ook volledig naast haar eigen verhaal. Plotseling wordt ons vertelt over een Heilige Graal in de tijd van Koning Arthur, of over een meisje dat een rivier oversteekt en haar oude leven volledig vergeet. Winterson houdt van symbolisme. Ik houd van haar schrijfwijze.

Why Be Happy When You Could Be Normal? is de vraag die Mrs Winterson haar dochter stelt op het moment dat Jeanette probeert uit te leggen waarom ze haar vriendin niet zomaar uit haar leven wil en kan gummen: When I'm with her I am happy. Just happy. (p. 114) Geluk is nooit iets geweest dat Mrs Winterson begreep. Voor haar was het een zonde, want de mens is op aarde om een schuld te vereffenen. Een zware schuld. Gelukkig zijn is een zonde. Jeanette Winterson was gelukkig met iemand van dezelfde sex. Op 16-jarige leeftijd verlaat Winterson haar thuis.

Omdat Why Be Happy een autobiografie is, is het een persoonlijker boek. Er wordt niet alleen verteld wat er precies plaatsvond, hoe Jeanette zich voelde en hoe ze er op reageerde – ook deelt de schrijfster met ons waarom ze op die manier reageerde. Ik vond haar eerlijkheid, inzicht en intelligentie prachtig. Ze geeft je het gevoel dat ze je in vertrouwen neemt, en daarmee daagt ze de lezer uit om zelf ook zo eerlijk te zijn, op iedere mogelijke manier.

‘The more I read, the more I felt connected across time to other lives and deeper sympathies. I felt less isolated. I wasn’t floating on my little raft in the present; there were bridges that led over to solid ground. Yes, the past is another country, but one that we can visit, and once there we can bring back the things we need. Literature is common ground. It is ground not managed wholly by commercial interests, nor can it be strip-mined like popular culture—exploit the new thing then move on. There’s a lot of talk about the tame world versus the wild world. It is not only a wild nature that we need as human beings; it is the untamed open space of our imaginations. Reading is where the wild things are.’ (p. 144)

Een aantal dingen waar Winterson over schreef deden me ontzettend aan mijzelf denken. Niet de omstandigheden en/of gebeurtenissen, maar de manier waarop ze denkt, voelt en handelt. Zo houdt ook Jeanette Winterson enorm van woorden en boeken, en heeft ze het gevoel dat ze is wie ze is doordat ze ooit, op het moment dat ze het nodig had, de grote wonderlijke wereld van boeken ontdekte (‘That is what literature offers—a language powerful enough to say how it is. It isn't a hiding place. It is a finding place.’ (p. 40)).

Ze heeft dan ook vrede met haar leven. Winterson heeft een heel zware jeugd gehad, is daarom op sommige vlakken niet te repareren, maar ze heeft het geaccepteerd: ‘Yet I would rather be this me—the me that I have become—than the one I might have become without books, without education, and without all the things that have happened to me along the way, including Mrs W. I think I am lucky.’ (p. 228)
 
Dat getuigt van liefde, vertrouwen: voor/in haarzelf, haar leven; geweest en wat nog komen gaat. Sterk, inspirerend. Maar, en dat valt mij als boekenliefhebber op, het getuigt ook van echte liefde voor boeken. Niet het genieten van een verhaal, maar het gevoel hebben dat een boek, of meerdere boeken, jou het leven terug hebben gegeven. En dat het zonder die woorden waarschijnlijk een heel andere kant op was gegaan.

schrijversdagboek virginia woolf, #1



Uit het prachtige eerste deel van het Schrijversdagboek van Virginia Woolf:

‘Waarom valt er in het leven niets te ontdekken? Iets waar je je vinger op kunt leggen en zeggen ‘dat is het’? Mijn neerslachtigheid is een tergend gevoel. Ik zoek: maar dat is het niet - en dat ook niet. Wat is het dan wel? En zal ik ‘het’ voor mijn dood nog vinden? Dan ineens (toen ik gisterenmiddag over Russell Square liep) zie ik de bergen in de lucht: de machtige wolken; en de maan die boven Perzië is opgekomen; op dat moment heb ik het grote verbijsterende gevoel dat ik daarin iets ontdek dat 'het' is. Ik doel niet zo zeer op de schoonheid. Waar het om gaat is dat het ding op zich volstaat, bevredigt; volmaakt is. Ik voel dan ook hoe vreemd het is dat ik zelf op de aarde rondloop: hoe onvoorstelbaar vreemd de positie van de mens is; slenterend over Russell Square met de maan daarboven en die bergachtige wolken. Wie ben ik, wat ben ik, enzovoort: vragen die voortdurend bij me opkomen; en dan ineens stuit ik op een tastbaar feit, een brief, een mens, en daal weer af naar de aarde met een opgefrist gevoel. En zo gaat het voortdurend. Daaruit blijkt trouwens, en ik geloof dat het echt zo is, dat ik vrij regelmatig dit 'het' tegenkom; en dan voel ik me volkomen rustig.’ (p. 120)

Dit is overigens de versie van de Arbeiderspers, privé-domein nr. 37 met isbn-nummer 9789029557832. Ik heb geen idee of dit een volledige versie is, of het goed vertaald is. Het maakt ook niet uit: dit is echt, echt heel mooi. Ik geniet vooral erg van haar observatie-vermogen. Ze lijkt zichzelf soms zo goed te kennen, en toch loopt ze dan ineens weer tegen problemen aan alsof ze in het donker ronddwaalt in een kamer die ze niet kent. Virginia Woolf was fragiel en oersterk tegelijk. Kortom: een aanrader. Tenminste, voor lezers die van Woolf, en/ of memoirs/ dagboekbrieven houden.

the unbearable lightness of being

De titel van dit boek is misleidend: gaat het over de wijze waarop het leven ons kan verblinden (dit was mijn eerste indruk), of over hoe ons leven soms zo klein, onzinnig, onbelangrijk lijkt (zo wordt het in de titel van het boek bedoeld)? Licht. Jaren geleden probeerde ik dit boek te lezen, ik had echter een verkeerd beeld bij de titel. Te lief, te romantisch. Het gevolg was dat ik me enorm ergerde aan iets dat ik nu juist erg waardeerde: de afstand van de verteller ten opzichte van de hoofdpersonen; de afwezigheid van enige vorm van een oordeel. Nu, jaren later, besloot ik toch om het boek een nieuwe kans te geven: ik kwam quotes tegen die ik niet zomaar kon negeren. Weerklank.

Het verhaal dat wordt verteld over Tomas, die man die zijn vriendin, vrouw, constant bedriegt, en Tereza, de vrouw die wordt bedrogen, is niet een ‘gewoon’ verhaal: het is een middel van de schrijver om de mens te onderzoeken, om duidelijkheid te verschaffen in het gedrag van de mensheid. Milan Kundera is in deze roman de alwetende verteller.

Tereza is een mens waarvan je niet verwacht dat ze zich in Tomas' leven kan en wil nestelen. Ze is onzeker, heeft last van talloze angsten, neuroses, twijfels. Door haar vreemde jeugd heeft ze geen houvast, nergens, en zelfs op zichzelf heeft ze weinig grip. Ze staart in spiegels, in de hoop een spoor van haarzelf te ontdekken.

Door middel van verschillende toevalligheden (zes, achter elkaar volgend) leert ze Tomas kennen. Beethoven, cognac, cijfers, bankjes, tijdstippen, een boek.

In feite is Tomas net zo'n basketcase als Tereza: hij is niet zo zeker van zijn leven, van toevalligheden (kun je zeker zijn van toeval?), van liefde. Hij vraagt zich in het begin van het boek af of hij echt liefde voelt voor Tereza, of dat het enkel hysterie is. Hij is al eens eerder getrouwd geweest, heeft zelfs een zoon, maar in de veronderstelling dat het joch net zo'n communist zou worden als zijn moeder heeft Tomas hem, na de scheiding, nooit weer gezien. Tomas ziet sex niet als onderdeel van liefde (‘Tomas thought: Attaching love to sex is one of the most bizarre ideas the Creator ever had.’) en hij heeft alleen maar heel veel sex omdat hij nieuwsgierig is naar de echte ‘I’ van de vrouw:

‘What is unique about the 'I' hides itself exactly in what is unimaginable about a person. All we are able to imagine is what makes everyone like veryone else, what people have in common. The individual 'I' is what differs from the common stock, that is, what cannot be guessed at or calculated, what must be unveiled, uncovered, conquered.’ (p. 199)

Of het nu flauwekul is of niet, Tomas gelooft het. Het maakt niet uit of je het er als lezer mee eens bent, het klopt in de puzzel die Tomas is. Op dezelfde wijze doorgrondt Milan Kundera zijn andere personages is The Unbearable Lightness.

Hoewel Milan Kundera in dit boek een zeer realistisch beeld schetst dat niet altijd even bemoedigend is, soms zelfs somber, heeft hij overduidelijk oog voor schoonheid. Naast zijn prachtige en vloeiende manier van schrijven, die mij er overigens van overtuigde dat ik meer van hem lezen moet, naast die manier van schrijven heeft hij hele boeiende ideeën die zo helder en mooi zijn dat je je afvraagt waarom niet iedereen dit gelooft, kan geloven, voelt:

‘They [human lives] are composed like music. Guided by his sense of beauty, an individual transforms a fortuitous occurrence (Beethoven’s music, death under a train) into a motif, which then assumes a permanent place in the composition of the individual’s life. Anna [Karenina] could have chosen another way to take her life. But the motif of death and the railway station, unforgettably bound to the birth of love, enticed her in her hour of despair with its dark beauty. Without realizing it, the individual composes his life according to the laws of beauty even in times of greatest distress.
         It is wrong, then, to chide the novel for being fascinated by mysterious coincidences (like the meeting of Anna, Vronsky, the railway station, and death or the meeting of Beethoven, Tomas, Tereza, and the cognac), but it is right to chide man for being blind to such coincidences in his daily life. For he thereby deprives his life a dimension of beauty.’ (p. 52)

The Unbearable Lightness of Being is een boek dat iedereen zou moeten lezen. Weet je wel? Maar dat is een nare opmerking want eigenlijk bedoel ik daarmee: iedereen zou dit boek moeten lezen zoals ik hem heb gelezen (zodat de ervaring de zelfde is). En daarmee zeg ik dan weer dat wat ik geloof en mooi vind, dé waarheid is. Dat staat echter haaks op wat eigenlijk mijn waarheid is: het feit dat iedereen een eigen waarheid heeft. Iets eerlijk en echt ervaren is de beste waarheid, maar die ervaring zal voor een ieder een andere zijn. En dat is oké, maar moeilijk om te beseffen en misschien nog wel moeilijker om uit te leggen.

Oké. Iedereen zou dit boek moeten lezen: ik denk dat het iedereen aan het denken kan zetten. Uiteindelijk maakt het dan niet uit wat je er van vindt: als je er maar iets van vindt.

journey into the past


Het is een wonder wat een goed boek kan doen, in dit geval een novelle van 84 pagina's: Journey Into the Past. NYRB Classics hebben mij nog nooit teleurgesteld en omdat Stefan Zweig al enige tijd in mijn hoofd zweeft als auteur-to-read besloot ik om dan maar snel een titel van hem te bestellen; het verloste mij van mijn leesdip.

Zweig vertelt in Journey Into the Past het verhaal van Ludwig, een jonge, ambitieuze man met een bescheiden afkomst. Hij wordt verliefd op de vrouw van zijn rijke werkgever, maar komt hier pas achter op het moment dat hij heeft toegestemd om naar Mexico te gaan voor business. Net voor het moment van zijn terugkeer breekt de Eerste Wereldoorlog uit en Ludwig ziet geen enkele manier om naar zijn liefde terug te keren: reizen mag niet en ook communicatie is onmogelijk. Jaren later keert hij terug naar Duitsland en vindt haar daar, met hetzelfde telefoonnummer in hetzelfde huis. Maar, ze is nu weduwe. (S p o i l e r s hieronder! Beware.)

Journey Into the Past is geen sprookje. Al heel snel komt Ludwig tot de conclusie dat die tijd die is verstreken wel uitmaakt: ‘Everything is as it used to be except for us, except for us!’ (p. 61) Gefrustreerd, ongelovig. Het moment dat Ludwig zoekt, najaagt, kan niet meer bestaan. Hij beseft het ook: ‘The past always comes between us, the time that has gone by.’ (p. 80)

En dan verschijnen de schaduwen. Uit het niets komt een herinnering naar boven drijven, een gedicht van Paul Marie Verlaine dat hem werd voorgelezen door zijn weduwe: ‘Dans le vieux parc solitaire et glacé / Deux spectres cherchent le passé’ (Nederlandse vertaling: ‘In een oud park, verkild en onbetreden / zoeken twee schaduwen naar het verleden’).

Deze regels bezorgen hem rillingen: het zijn de schaduwen in het gedicht die hem pijn doen; ‘Neither she nor he was the same any more, yet they were searching for each other in a vain effort, fleeing one another, persisting in disembodied, powerless efforts like those black spectres at their feet.’ (p. 84)

Dit is een verhaal dat niet iedereen aan zal spreken, dat begrijp ik. Maar ik vind het prachtig. Het boek is mooi geschreven met bedwelmende herhalingen, personages die niet perfect zijn en daarom des te interessanter, onverwachte opmerkingen en handelingen. Het spel van schaduwen, licht.. Ik ben overtuigd van Stefan Zweigs talent en kijk uit naar meer.

Nee, dit is geen sprookje, geen perfect verhaal: eigenlijk heeft het geen echt einde. Maar is dat misschien niet het allerbeste, soms, in dit geval, in meerdere gevallen?

logboek van een onbarmhartig jaar

dip de; m -s 1 inzinking, dieptepunt 2 geestelijke inzinking van korte duur

... en een flinke. Een inzinking. Mijn leesleven staat op het spel. Dat klinkt heel dramatisch, en dat is het ook. Voor mij, in ieder geval. Lezen hoort bij het dagelijks leven, bij mijn dagelijks leven. Lezen is leven, en als alle boeken die ik, vol enthousiasme, begin te lezen dan ineens tegen vallen, lijkt er iets uitéén te vallen. Ik struin al dagen wanhopig blogs af, in de hoop een titel tegen te komen die ik wil lezen, maar het zit nog niet mee.

Ik schreef begin december dat ik op zijn minst twee blogs zou schrijven, over verschillende boeken. Dat gaat me niet lukken, ik wil namelijk niet schrijven over boeken die teleurstellen, of de tijd en/of energie niet waard zijn.

Logboek van een onbarmhartig jaar van Connie Palmen was het enige boek in december dat wel indruk maakte (nouja, tot nu toe) maar ik vind het moeilijk om over zo'n soort boek iets te zeggen. Ik las kortgeleden een stuk op de website van De Groene Amsterdammer, geschreven door Marja Pruis (van dat leuke boek Kus me, straf me), dat perfect beschrijft waarom ik dit boek zo mooi vind. Het is eerlijk, persoonlijk, menselijk. Het is zoals het leven kan zijn, en zoals het leven is voor Connie Palmen. Of, is geweest. Of, nog een tijdje zal zijn. Ik vind het raar dat mensen kritiek kunnen hebben op zo'n soort boek. Palmen legt zelf, heel duidelijk, uit waarom ze dit boek heeft laten publiceren: ze kon zelf, in de tijd na de dood van Hans van Mierlo, niet het boek vinden dat ze nodig had. En daarom schreef ze het zelf. En ook: tegen het vergeten. Naar vind ik de kritiek omdat het om een leven en een dood gaat. En niets is persoonlijker dan dat. Hoe kun je, als medemens, nu zeggen dat Connie Palmen een lijkenpikker is? Bovendien lijkt men rouwliteratuur van mannen langs een andere meetstaf te houden in de literatuurkritiek. 

gelezen (5)

‘I was struck by the way the light felt that afternoon. I have paid a good deal of attention to light, but no one could begin to do it justice. There was the feeling of a weight of light—pressing the damp out of the grass and pressing the smell of sour old sap out of the boards on the porch floor and burdening even the trees a little as a late snow would do. It was the kind of light that rests on your shoulders the way a cat lies on your lap. So familiar.’ (p. 51)

Uit Marilynne Robinsons Gilead.

het jaar van magisch denken

Eerlijk gezegd kocht ik Het jaar van magisch denken ooit omdat ik zag dat Rory (Gilmore Girls) het las; de titels die ik in die serie tegenkwam noteerde ik en op die manier ontstond een leeslijst met namen als Sylvia Plath, Charles Dickens, Jack Kerouac en Marcel Proust. Snel na het aanschaffen van dit boek kwam ik er echter al achter dat ik het nog even moest laten liggen, het was allemaal een beetje te ver weg. Mijn liefde voor boeken bestond al, mijn liefde voor ‘echte literatuur’ nog niet. Ik denk dat ik zelfs kan stellen dat ik in die tijd nog aan het ontdekken was wat ik nu precies mooi en/of belangrijk vind – zowel in boeken als in het leven. Of, mijn leven. Het paste niet, toen. Niet lang geleden kreeg ik te horen dat er een nieuwe memoir uit zou komen van Joan Didion, Blue Nights. Ik besloot dat ik maar moest proberen of Het jaar van magisch denken nu wel tot me door kon dringen. Dat deed het.

Joan Didion beschrijft in dit boek het jaar na het overlijden van haar man, John Gregory Dunne. Hij overleed plotseling, na een bezoek aan dochter Quintana die in coma in het ziekenhuis lag, aan een hartaanval. Na een huwelijk van veertig jaar is Didion plotseling alleen en ze begrijpt er helemaal niets van. Ze kan geen vat krijgen op het verlies, op de bruuske afwezigheid. Het magisch denken uit de titel heeft te maken met het ongeloof waar Didion op stuitte. Het niet weg kunnen gooien van zijn schoenen omdat hij die nodig zou hebben zodra hij weer thuis kwam, het opladen van zijn mobieltje; het zijn voorbeelden van de staat waarin ze lange tijd verkeerde, een staat die Joan Didion zelf als echte gekte omschrijft:

‘Diep verdriet blijkt een oord te zijn dat niemand van ons kent, tot we er zelf belanden. (...) Als het om een plotselinge dood gaat, verwachten we misschien een grote schok. Wat we niet verwachten is dat die schok vernietigend is, ontwrichtend voor lichaam en geest. We verwachten misschien lamgelegd te worden, ontroostbaar te zijn, gek van verdriet. Wat we niet verwachten is echt gek te worden: een koelbloedig type dat gelooft dat haar man straks terugkomt en dan zijn schoenen nodig heeft.’ (p. 165)

Een pagina verder legt ze uit hoe de echte rouw verschilt van de rouw die zich zelf voorstelde, en, met haar, wij allemaal:

‘We weten van te voren evenmin iets (en daarin ligt de kern van het verschil tussen rouw zoals we die ons voorstellen en rouw zoals die werkelijk is) over de oneindige afwezigheid die volgt, over de leegte, over het tegenovergestelde van alles wat zinvol is, over de meedogenloze aaneenschakeling van ogenblikken waarin we de zinloosheid zelf ervaren.’ (p. 166)

Didion heeft het nooit letterlijk over verdriet, er komen weinig tranen voor in dit boek. Een zin als ‘Ik weet niet meer hoe vaak ik plotseling verblind door tranen achter het stuur zat.’ (p. 104) is een uitzondering. De schrijver voelt zich onzichtbaar, onwerkelijk, afwezig, maar door woorden op papier te zetten keert ze weer enigszins terug naar de werkelijkheid. 

Zoals ik al zei is onlangs haar ‘follow-up’ memoir Blue Nights (de Nederlandse vertaling verschijnt begin volgend jaar) verschenen, hierin schrijft Joan Didion over het overlijden van haar dochter Quintana (ze overleed tijdens Didions promotie voor The Year of Magical Thinking).

//

quoi?

ada limón adrienne rich ali smith alice notley alice oswald anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector david whyte deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë emily dickinson emily ruskovich ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson henry david thoreau hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion john berryman joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonard koren leonora carrington leslie jamison louise glück maggie anderson maggie nelson marcel proust margaret atwood marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle maría gainza neil astley olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker poetry poëzie rachel cusk rainer maria rilke raymond carver rebecca solnit robert macfarlane sara ahmed sara maitland seamus heaney siri hustvedt stefan zweig susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tess gallagher tjitske jansen tomas tranströmer tracy k. smith valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

Blogarchief