de fragmentatie van het moderne leven

Uit De existentialisten. Filosoferen over vrijheid, zijn, en cocktails van Sarah Bakewell (p. 96 - 97):

‘De best opgeleide mensen namen de nazi's het minst serieus, omdat ze het optreden van Hitler en de zijnen zo absurd vonden. De meesten dachten niet dat hun succes lang zou duren.’

‘(..) journalist Sebastian Haffner, destijds rechtenstudent, gebruikte in zijn dagboek het woord unheimlich, en voegde eraan toe: “Alles vindt plaats onder een soort verdoving. Op objectief afschuwelijke gebeurtenissen volgt een zwakke, schamele emotionele reactie. Moorden worden gepleegd alsof het kwajongensstreken zijn. Zelfvernedering en moreel verval worden als onbeduidende incidenten geaccepteerd.” Haffner weet dat ten dele aan de moderniteit. De mensen waren het slachtoffer van routine en van de massamedia. Ze dachten niet meer na en onderbraken hun dagelijkse gang van zaken nooit lang genoeg om werkelijk te beseffen wat er aan de hand was.’

‘(..) Hannah Arendt schreef in haar studie The origins of totalitarianism dat totalitaire bewegingen ten dele zoveel succes hadden door de fragmentatie van het moderne leven, die mensen gevoeliger maakte voor de invloed van demagogen. Elders sprak ze over de ‘banaliteit van het kwaad’ om het extreme falen van het moreel bewustzijn te beschrijven. Die uitdrukking heeft veel kritiek opgeroepen, vooral omdat ze die woorden toepaste op een nazi als Adolf Eichmann, die de Holocaust had georganiseerd en veel meer op zijn geweten had dan een gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Maar Hannah Arendt hield vast aan haar analyse. Volgens haar tonen we een gebrek aan verbeeldingskracht en aandacht als we niet adequaat reageren wanneer de tijd daar om vraagt. Dat was net zo gevaarlijk als het opzettelijk begaan van wandaden. Het kwam neer op een ontkenning van het gebod dat ze in Marburg van Heidegger had geleerd: Denk!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

//

quoi?

ada limón adrienne rich alejandro zambra aleksandar hemon ali smith alice notley alice oswald andré aciman andrea dworkin andrea wulf anna burns anne boyer anne brontë anne carson anne truitt anne vegter annie dillard antjie krog audre lorde ben lerner bhanu kapil carry van bruggen catherine lacey cees nooteboom charlotte brontë charlotte salomon chimamanda ngozi adichie chris kraus christa wolf claire messud claire vaye watkins clarice lispector deborah levy durga chew-bose elif batuman elizabeth strout emily brontë erwin mortier ester naomi perquin etty hillesum f. scott fitzgerald feminisme fernando pessoa han kang helen macdonald henri bergson hermione lee herta müller jan zwicky janet malcolm jean rhys jeanette winterson jenny offill jessa crispin joan didion joke j. hermsen josefine klougart kate zambreno katherine mansfield kathleen jamie katja petrowskaja krista tippett layli long soldier leonora carrington leslie jamison louise glück maggie nelson marcel proust maría gainza marie darrieussecq marie howe marja pruis mary oliver mary ruefle olivia laing patricia de martelaere paul celan paula modersohn-becker piet oudolf poëzie rachel cusk rainer maria rilke rebecca solnit robert macfarlane robert walser robin wall kimmerer sara ahmed sara maitland siri hustvedt stefan zweig sue lloyd-roberts susan sontag svetlana alexijevitsj sylvia plath ta-nehisi coates teju cole terry tempest williams tjitske jansen tomas tranströmer valeria luiselli virginia woolf vita sackville-west w.g. sebald yiyun li zadie smith

abonneer

Blogarchief