donderdag 5 november 2015

dagdieven in de duisternis (1)

Een paar maanden geleden schreef ik een essay over wandelen en tijd, over Rebecca Solnit en Virginia Woolf, en meer; ‘Dagdieven in de duisternis’. Het werd door Gierik & NVT gepubliceerd in het thema-nummer ‘Wandel’ (#128). Vandaag deel één, morgen deel twee.


#

1.

Ik ben tamelijk lui; ik heb een natuurlijke aanleg voor nietsdoen. Dat klinkt ernstiger dan het volgens mij is: ik ben introvert en heb een introspectief karakter. Ik denk, maar denken lijkt op nietsdoen. Dat is lastig te verbergen in een ‘production-oriented culture’, dacht ook Rebecca Solnit; ze besloot wandelingen te maken om haar nietsdoen te verbloemen. Haar werk was voor mij een kleine openbaring: in plaats van zich te schamen voor haar gewoonte en gedrag – wat ik lang deed, er zit een schuldgevoel in mijn wezen ingebakken dat vermoedelijk niet zomaar zal verdwijnen – dacht zij na over nietsdoen, de maatschappij, en wandelen. Ze merkte al snel op dat deze vorm van nietsdoen haar gedachten op gang hielp en hield, en raakte zozeer geïnteresseerd in wandelen dat ze er een boek over maakte; dat werd Wanderlust (Verso, 2006). Wat me opviel toen ik dat boek las, en wat me nu nog steeds bezighoudt, is de relatie tussen denken, wandelen en nietsdoen. Wanderlust is, ondanks een aantal alinea’s over de verdringing van traagheid en treuzelen, voornamelijk een geschiedenis van lopen. Solnit weidt tot mijn spijt niet verder uit over nietsdoen.

Ik ben geboren in de Nederlandse Noordoostpolder. Jarenlang woonde ik met mijn ouders en twee broers op een boerderij. Mijn opa’s waren beide echte boeren: de een teelde tulpen, de ander zorgde voor koeien en liet aardappels en bieten op zijn land groeien. Opa B. en opa B. waren ouderwets harde werkers. Die mentaliteit werd overgenomen door hun kinderen. Mijn moeder heeft even sterke handen als mijn vader, en beiden zijn het niet gewend niets te doen. Mijn broers zijn ook zo. Het was lastig in zo’n praktische familie mijn eigen weg te vinden. Het duurde lang voordat ik besefte dat sommige mensen nu eenmaal meer kriebels voelen in het hoofd dan in de vingers, en dat ik een contemplatief wezen ben.

Op het platteland werkt iedereen op zaterdag als er werk is. Veel boeren hebben bovendien de neiging klusjes te verzinnen om bezig te blijven, en opvallend veel agrariërs vertonen perfectionistische trekjes; op zondag doen ze het rustiger aan, maar zelden niets. Ik woonde tussen bollenboeren en akkerbouwbedrijven, en met uitzondering van een aantal maanden in de winter is daar altijd ergens iets te doen. In het voorjaar werden tulpen gekopt door kinderen vanaf een jaar of twaalf, maar ook jonger spul wilde wel wat geld verdienen. Daar werd niet moeilijk over gedaan. Mijn omgeving vond het dan ook onbegrijpelijk als je weigerde bollen te koppen of te pellen. Lui mag je niet zijn op het platteland, en dat was juist wat ik in veel ogen wel was. Ik las, schreef, en dacht al vroeg veel na; ik leefde in mijn hoofd. Zo ben ik nog steeds, ik denk altijd. En denken lijkt, zoals Solnit al suggereerde, op nietsdoen.


2.

Kortgeleden las ik in Stil de tijd (De Arbeiderspers, 2010) van Joke J. Hermsen dat het een klassieke filosofische gedachte is dat “rust en nietsdoen de grondslagen van een beschaving zijn”. Het was volgens Griekse filosofen een belangrijke taak van democratische leiders om rust aan te moedigen en te beschermen. De tiran, aldus Hermsen, houdt het volk onder de duim door de mens zo druk te laten zijn dat er geen tijd meer overblijft om zelf na te denken. Nietsdoen wordt echter niet langer geaccepteerd. Onze samenleving hecht vooral waarde aan de economie, er wordt dan ook van ons verwacht dat we onze tijd zo nuttig en productief mogelijk invullen. Lange werkweken worden aangemoedigd, volle agenda’s en tijdgebrek zijn in veel levens regel in plaats van uitzondering; we worden geleefd, meer dan dat we zelf leven. Nietsdoen is de zonde van nu. Het lijkt erop dat wij denken te moeten betalen voor ons bestaan, dat we iemand of iets ons leven en dus onze tijd schuldig zijn.

Een prachtig synoniem van ‘nietsdoen’ is ‘dagdieven’. Niet lang nadat ik Wanderlust had gelezen kwam ik toevallig bij de Nederlandse kunstenares en schrijfser Nicole Montagne terecht. Haar essayboek Een makelaar in Pruisen (Vantilt, 2014) is een klein wonder in de Nederlandse literatuur vanwege Montagne’s opmerkelijke onderwerpen, waaronder dagdieverij.

In het essay ‘Dagdief’ linkt Montagne de dagdief aan de welbekende flaneur uit de 19e eeuw. Hij stond bekend om het ‘ogenschijnlijk’ nietsdoen. Montagne noemt dat “de dag ontfutselen”, maar stelt zichzelf direct de vraag of dat wel kan. Ontfutselen betekent afpakken, maar van wie pak je die dag af? Is de dag, de tijd, niet van de dagdief, de flaneur?

Ik geloof dat veel mensen zichzelf kwellen met de vraag of zij hun tijd wel goed of nuttig besteden; ik voelde mij regelmatig vrij schuldig als ik weer eens een dag had verprutst met lezen. Maar wie heeft het over verprutsen? Het zijn mijn woorden, ze klonken in mijn hoofd, ik schrijf ze nu op. Waar heb ik echter het idee opgedaan dat lezen tijdverspilling is? Waarschijnlijk is dat iets dat ik in mijn jeugd heb geconcludeerd door mijn omgeving te observeren, daaruit op te maken dat vooral het praktische nuttig is. Maar dat is natuurlijk niet het hele verhaal. Na het overlijden van mijn moeders vader, ik was zeven jaar oud, verhuisde ons gezin naar de boerderij. Mijn ouders waren niet fulltime boer, maar boeren kost altijd werk en tijd. Als je op een boerderij opgroeit wordt er dan ook van je verwacht dat je thuis meehelpt: je rooit of schrapt aardappels, pelt bollen, wiedt onkruid, maait gras. Ik was er niet goed in zulke klusjes uit eigen beweging te doen, ik dacht er simpelweg niet aan. Dat heeft nogal eens tot teleurstelling geleid bij mijn ouders en broers. Dergelijke momenten sloeg ik samen met allerlei andere (waarschijnlijk onbeduidende) opmerkingen en gezichtsuitdrukkingen op. Dat archief bestaat ongetwijfeld uit gebrekkige informatie – ik heb moeite met het interpreteren van andermans gedrag – maar het bestaat.

Het gevolg is dat er ook nu nog bijna constant een strijd in mij woedt tussen wat mijn omgeving van mij verwacht en mijn ratio die dat wel begrijpt, en wat ik van mezelf verwacht. Outnumbered, zou je zeggen, toch blijf ik veel tijd besteden aan lezen en schrijven. Ik geloof dat ik mijn hele leven mijn eigen gang ben gegaan. Dat klinkt erg zelfbewust, meestal ging ik mijn eigen weg zonder dat te merken: ik wist niet echt wat ik wilde. Ik wist alleen wat ik niet wilde. Dat is nog steeds het geval, hoewel ik wel weet dat ik me met literatuur bezig wil houden. Dat levert wel eens ongemakkelijke situaties op, mensen begrijpen vaak niet waarom ik kies voor passie in plaats van zekerheid. Iedereen stelt een vraag in de verwachting een net antwoord te krijgen. Komt dat antwoord niet, dan hangt er plotseling iets in de lucht dat niet is afgewerkt. Zeggen dat je graag naar ontluikende bomen, wolken en wind kijkt, en je hele leven wilt blijven lezen en schrijven, verontrust menig toehoorder. Ook ‘ik weet het niet’ zorgt voor weinig geruststelling.

Montagne vervolgt haar essay met de vraag of tijd van ons zelf is, ze noemt dat ‘levenstijd’, of dat je tijd, als je het over ontfutselen hebt, als iets algemeens moet beschouwen. Wat dat betekent is me niet helemaal duidelijk, maar ik heb het idee dat tijd in het laatste geval een maatschappelijk goed is; en dat je dus ook tijd schuldig kunt zijn. De dagdief trekt zich daar niet veel van aan, Montagne stelt dat de dagdief “zich zijn dag niet door anderen [laat] ontnemen, hij eist zijn eigen tijd op.” Daarmee stapt hij uit de flow van de normale gang van zaken: de dagdief wordt een buitenstaander.

Rebecca Solnit is overduidelijk zo’n dagdief. Maar hoewel Solnit en Montagne over hetzelfde lijken te schrijven, is er een wezenlijk verschil tussen beiden. Montagne ontdekt aan het einde van haar essay dat de dagdief wacht. Zij gaat ervan uit dat een dagdief iets wil ervaren, iets wil zien, hoewel er van tevoren geen idee is van wat dat ‘iets’ zal zijn: “Pas als hij het ziet, herkent hij het en neemt hij het onmiddellijk mee.” Solnit wandelt omdat het een traagheid oproept die ze prettig vindt, en omdat ze gelooft dat haar denkproces ongeveer even snel gaat als haar voeten wanneer zij zich voortbewegen (zo’n drie mijl per uur, ongeveer 5 kilometer per uur). Montagne vermoedt dat dagdieverij toch zin kan hebben; Solnit staat niet stil bij nut.

Wellicht maakt dit verschil in deze context niets uit: het gaat om de keuze tijd vrij te maken voor iets dat hoogstwaarschijnlijk ‘niets’ zal opleveren.

#

2 opmerkingen:

  1. Hoe je (en dit gebeurt vaker) geweldig verwoord wat ikzelf soms ook denk. In dit geval over het concept "nietsdoen" Je doet dat goed.

    BeantwoordenVerwijderen

[ • goodreadscontact • ]

search