zondag 11 mei 2014

lichtjaren

‘In de verte glansde de nieuwe brug als een signaal, als een regel in een brief die je aan het denken zet.’ (p. 12)

‘Hun leven is mysterieus, het is als een bos; van veraf lijkt het een eenheid, kan het begrepen, beschreven worden, maar van dichterbij begint het los te laten, breekt het uiteen in licht en schaduw, van een dichtheid die verblindt. Daarbinnen is er geen vorm, alleen wonderbaarlijke details die alles doordringen: exotische geluiden, neerstromend licht, gebladerte, omgevallen bomen, diertjes de vluchten als er een takje breekt, insecten, stilte, bloemen.
       En dit alles, afhankelijk, nauw verweven, het is allemaal bedrieglijk. Er zijn eigenlijk twee soorten leven. Er is, zoals Viri zegt, het soort waarvan mensen denken dat je het leidt, en er is het andere. Het is dit andere waar het gedonder van komt, dit andere dat we graag willen zien.’ (p. 32)

‘Er is geen compleet leven. Er zijn alleen brokstukken. We zijn geboren om niets te hebben, om het door onze handen te laten stromen. En toch, dat laten stromen, die vloed van ontmoetingen, conflicten, dromen... je moest gedachteloos zijn, als een schildpad. Je moest resoluut zijn, blind. Want wat we ook doen, zelfs wat we ook niet doen, belet ons het tegendeel te doen. Een daad vernietigt zijn alternatief, dat is de paradox. Zodat leven een zaak van keuzes is, elke keuze definitief en van weinig betekenis, als stenen in zee laten vallen.’ (p. 47)

‘Ze zou de toendra's vinden, de diepzee, ze zou terugreizen naar huis.’ (p. 201)

‘Het boek lag op haar schoot; ze had niet verder gelezen. De kracht om je leven te veranderen komt uit een alinea, een losse opmerking. De zinsneden die ons vanbinnen raken zijn tenger, als de zuigwormen die in rivierwater leven en het lichaam van zwemmers binnendringen. Ze was opgewonden, vervuld van kracht. De soepele zinnen waren, leek het, precies op het juiste tijdstip gekomen, als zoveel andere dingen. Hoe kunnen we ons verbeelden hoe ons leven moet zijn als het niet verhelderd wordt door het leven van anderen?
       Ze legde het boek open neer naast een paar andere. Ze wilde nadenken, het boek op haar laten wachten. Ze zou ernaar terugkeren, zou herlezen, verder lezen, zich onderdompelen in de rijkdom van de reproducties.’ (p. 206-207)

‘Waar gaat het heen, dacht ze, waar is het gebleven? Ze was getroffen door de afstanden in het leven, door alles wat erin verloren ging.’ (p. 333)

‘Hij zag duidelijk dat iets ondenkbaars al tot uiting kwam: hij begon een oude man te worden. Hij geloofde het niet, hij moest het verhinderen, hij kon het niet laten gebeuren – en toch was het tegelijkertijd de zin van heel zijn leven.’ (p. 374)

‘De bladeren waren, leek het, in één nacht naar beneden gekomen. De wonderbaarlijke arcade van bomen in het dorp liet ze snel los; ze vielen als regen. Ze lagen als stroompjes water langs de weemoedige weg. Bij het keren van de seizoenen zouden ze weer groen zijn, die hoge bomen. Hun dode hout zou weggekapt worden, hun takken zouden tot leven komen en vol worden. Boven op hun schoonheid, het dak dat ze maakten onder de hemel, hun gefluister, hun trage, ongearticuleerde geluiden, de rijkdom die ze lieten neerstromen, boven op dat alles zouden ze de dingen weer een schaalverdeling geven, een echte, die geruststelde en wijs was. Wij leven niet zo lang, wij weten niet zo veel.’ (p. 390)

‘Het gebeurt in een oogwenk. Het is allemaal één lange dag, één eindeloze middag, vrienden gaan weg, we staan op de oever.’ (p. 397)

Lichtjaren, James Salter (vert. Peter Verstegen). De Bezige Bij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

search