zaterdag 30 mei 2015

misschien esther

Er zijn streken waar mensen nog altijd gebukt gaan onder het stalinisme en nazisme van decennia terug. Dat fascineert me, hoe is het mogelijk dat sommige mensen die periode als afgesloten beschouwen, terwijl anderen nog altijd niet bekomen zijn van wat er destijds gebeurde? Er bestaan antwoorden, maar ze zijn allemaal even ontoereikend. Bovendien is het onmogelijk te weten wat er is gebeurt, wat er echt allemaal is gebeurt. Met Misschien Esther heeft Petrowskaja een boek geschreven dat doet vermoeden waarom dat is.

Deel vijf, getiteld ‘Babi Jar’, is onvergetelijk. Deels vanwege de schoonheid van Petrowskaja's taal, maar ook omdat het om een afgrijselijke geschiedenis gaat. Babi Jar is een ravijn in Kiev. In 1941 vonden een onbekend aantal mensen – het ging om onder andere joden, psychiatrische patiënten, partizanen, krijgsgevangenen, priesters, jonge vrouwen – daar de dood. Ze werden doodgeschoten, levend begraven, of de diepte in gegooid. Een onbekend aantal, maar het gaat om minimaal tienduizenden. Sommige bronnen spreken over honderdduizenden slachtoffers. Lang bleef het onbenoemd en onbeschreven wat er daadwerkelijk bij dat ravijn was gebeurd. ‘Twintig jaar lang is er hier in Babi Jar geen verwijzing geweest naar de massamoord, geen monument, geen steen, geen plaat. Op het moorden volgde het zwijgen’, schrijft Petrowskaja. Vijfentwintig jaar later werden mensen die bloemen achterlieten om het gebeurde te herdenken opgepakt ‘wegens schending van de openbare orde en verspreiding van vuil op een openbare plek’ (p. 158-159).

Misschien Esther, een grootmoeder van Petrowskaja's vader, verdween in Babi Jar.

Ik wil niet te veel over Misschien Esther schrijven, enkel aangeven dat het een aanrader is, en dat het me aan Sebald deed denken.

Tot slot een passage uit het boek. Petrowskaja is zojuist aangekomen bij het concentratiekamp Mauthausen, een van de plekken waar haar grootvader gevangen zat. Aldaar spoken afbeeldingen van overvolle barakken, lege gezichten en grote ogen door haar hoofd. De rest spreekt vanzelf:

‘Mijn grootvader was landbouwkundige, veefokker. Hoe dacht hij over die barakken? Ik probeer hem in die rijen ogen te herkennen. Ik probeer gezichten te ontcijferen. Hier kun je alleen maar tellen. Maar ik kan niet goed tellen. Ik weet niet goed wat je op zou moeten tellen of aanvullen om tot een normaal gezicht te komen, om een mens te herkennen.
       Ze hebben allemaal die ogen.

Er zou toch overal viezigheid moeten zijn. Ik heb erover gelezen. De dood zou moeten stinken. Maar ik ruik niets. Ik hoor niets. Ik kijk alleen maar. Het zijn geesten. Het klopt, het zijn niet allemaal goede mensen. Je moet onderscheid maken. Maar waarom, ze zijn hier allemaal al.

Ik zoek mijn grootvader. Ik heb gekomen om hem op te halen. Ik weet dat hij maar 49 kilo weegt. Maar daarmee valt hij hier niet op. Bedoelt u dat dat beeld onduldbaar zou zijn? Geen zorgen. Het is passend. Ik heb dat woord onlangs geleerd. Het artistieke concept van onze informatieplek eerbiedigt de ramp op passende wijze.

Onverdraaglijk zou je kunnen zeggen. Het is onverdraaglijk. Maar voor het onverdraaglijke bestaat geen woord. Als het woord het verdraagt, is het ook verdraaglijk.’ (p. 206; De Bezige Bij 2015; vert. W. Hansen)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

[ overleeslijstgoodreadstumblr ]

search