maandag 12 juni 2017

de strijd tussen vorm en inhoud

vorm en inhoud

Als het om schrijven gaat, heeft men het vaak over het probleem van vorm en inhoud; er wordt zelfs weleens gezegd: de inhoud is goed maar de vorm niet, enzovoort. Maar verdorie, het probleem is dat er niet aan de ene kant een inhoud is en aan de andere kant een vorm. Dat zou makkelijk zijn: alsof je via een vorm verslag zou doen van wat al vrij bestond, de inhoud. De strijd tussen vorm en inhoud woedt echter in het denken zelf: de inhoud vecht om zich te vormen. Om eerlijk te zijn, je kunt niet aan een inhoud denken zonder de vorm die hij heeft. Alleen de intuïtie raakt aan de waarheid zonder vorm of inhoud nodig te hebben. De intuïtie is de onbewuste diepe reflectie die het zonder vorm kan stellen wanneer ze naar boven komt. Het lijkt me dat de vorm verschijnt wanneer het hele zijn al een rijpe inhoud heeft, aangezien men het denken of schrijven wil splitsen in twee fasen. Het probleem van de vorm ligt daarin dat hij voortkomt uit de inhoud, het denken of voelen op zichzelf, die niet zouden kunnen bestaan zonder hun adequate en soms unieke vorm.

Uit De ontdekking van de wereld van Clarice Lispector (p. 258).

zondag 11 juni 2017

neem me aan met zijden draden

zijden draden

Ik heb nauwelijks iets gelezen van Henry James, toch een geweldig schrijver volgens een vriend van mij. Hij is hermetisch en helder. Zou ik als ik James zou citeren hermetisch worden voor mijn lezers? Dat spijt me dan. Ik moet de dingen zeggen en de dingen zijn niet gemakkelijk. Lees en herleest u het citaat. Hier is het, door mij vertaald uit het Engels: Wat voor soort ervaring is noodzakelijk en waar begint en eindigt die? Ervaringen zijn nooit begrensd en nooit compleet; het is een immense gevoeligheid, een soort enorm spinnenweb gemaakt van de allerfijnste zijden draden dat in de kamer van het bewustzijn hangt en in zijn weefsel elk stofdeeltje opvangt dat door de lucht wordt aangedragen. Het is de eigen sfeer van de geest; en als de geest fantasierijk is – en al helemaal wanneer het gaat om een genie – vangt hij de lichtste wenken op en zet de luchtgolven om in openbaringen.

Zonder ook maar in de verste verte een genie te zijn: hoeveel openbaringen, hoeveel golven heb ik zelf opgevangen uit de ijle lucht. De fijne draden in de kamer van het bewustzijn. En in het onderbewuste de enorme spin zelf. Oh, wat is het leven geweldig met zijn vangende webben!

Zegt u het als ik te veel mezelf begin te worden. Ik heb die neiging nu eenmaal. Maar ik ben ook objectief. Zo objectief dat ik het subjectieve van de spinnendraden kan omzetten in objectieve woorden. Elk woord is trouwens een object, is objectief. Bovendien, gelooft u me maar, hoef je niet intelligent te zijn: de spin is dat ook niet en de woorden, de woorden zijn onvermijdelijk. Begrijpt u het? Dat hoeft niet eens. Neem het gewoon aan zoals ik het u geef. Neem me aan met zijden draden.

Uit De ontdekking van de wereld van Clarice Lispector (p. 178).

donderdag 8 juni 2017

retrieval/ durga chew-bose

Uit ‘The Girl’ (Too Much and Not the Mood) van Durga Chew-Bose:

‘She is standoffish, unwilling, harsh, up to something. She is a narcissist, a snob, a spy, some suspect. She is haughty, selfish, plenty vain, and proud. Affected. She puts on airs, I've heard people say.

(..) Despite your grievances, she isn't withholding. Simply, she'll never tell you the things she takes an interest in, because what she doesn't want is this: that you procure them for her.
     You yearn for her vulnerability. Which you believe comes complimentary, like peanuts on a flight; two packets. Like a smile. Vulnerability she refuses to give you because she is, after all these years, gaining back custody of herself. Lost long ago, before she was born (..).
     Hers is an everyday process of retrieval.

(..) She wishes she had a genius for curbing small talk; for manufacturing an arbitrary tone when airing something considered; for soft-boiling an egg.’

vrijdag 26 mei 2017

nook people

I don't require much to feel far-removed; to impose my wanderings on what's close. Because of this, my friend and I have started calling ourselves nook people. Those of us who seek corners and bays in order to redeploy our hearts and not breakt he mood. Those of us who retreat in order to cubicle our flame. Who collect sea glass. Who value a deep pants pocket. Who are our own understudies and may as well have shadowboxes for brains.

.. Nook people express appreciation in the moment by maintaining how much we will miss what is presently happening. Our priorities are spectacularly disordered.

.. Nook people might be terrible at giving and receiving hugs despite often feeling—on the whole, at home and in public—as though we are holding on tight. Nook people sense slight tremors or the onset of a neck rash when faced with people at parties who yell-speak. A nook person catches sight of the quiet cranny at any gathering: the arm of a couch, a sill to perch on, the corner of a counter where the vegetable platter—only celery and ashy carrots are left—has been abandoned. (..); sits on the floor and braids carpet tassels only to become self-conscious and unbraid them. From afar, even nearby actually, a nook person can seem like a real bore. The last person whom you want to meet. A fun-killer.

.. Nook people need relief from distraction's overall insistence: the trap of everything else. Their ambition is not to be understood outright, but to return to an original peg. To share without betraying whatever mechanism individuates him or her. Perhaps that's what we call our disposition. How becoming is multipart, but mainly a pilgrimage inward. If you share too much of yourself, you risk growing into someone who has nothing unacknowledged. Those yet-to-access riches that I'd suspect are what tingle when a song's lyrics eject me into outer space; assure me I can love; can go about and be loved; can retreat and still get, as in both catch and understand, love. Those yet-to-access riches that I'd suspect too are what tingle when a building's architecture persuades me to notice other systems of proportion.

.. What a nook person wants is space, however small, to follow whatever image is driving her, instead of sensing like she might have to trade it in or share it before she's willing. Her awakening demands no stage but, rather room to store that second half of what she deems her double life: what's corrugated inside. Intuition's buildup.
     Nook people find it trying to imagine themselves in real-life situations but long to climb into, for instance, a movie still.

.. Nook people are interested in what's backstage; (..) [n]ook people can gently disagree while securing their spark. No. No. Spark is not substantive enough. Their approach. That radiant heat they typically keep stored inside because it functions as insulation.
     Nook people love signing with a heavy pen; don't mind waiting in the car; love sitting on a stack of banquet chairs in an empty banquet hall, feet dangling; appreciate the surprising density of a beaded curtain (..).

.. Nook people confuse emotional truth with other varieties of truth. They are a composite of the last person who complimented them and the next person who might ignore them, and also whomever or whatever they consider themselves a child of.

.. As adults, nook people cower under overhead lightning. They prefer when lamps yoke the floor rather than animate an entire room. They are habitual creatures who fear each time they're charmed by something, because what if it's the last time they are charmed by anything?

Durga Chew-Bose, Too Much and Not the Mood; ‘Heart Museum’.

dinsdag 23 mei 2017

if you were some tall guy

‘As we were heading down Mass Ave toward campus, a man stepped out of a doorway. “I’m selling books,” he said. Instinctively I averted my eyes, picked up my pace, and changed course slightly to give him a wider berth—just as Ivan did the opposite, slowing down right in front of the man, looking right at him, right into his eyes. “Books, really?”

I was overcome by the sudden sense of Ivan’s freedom. I realized for the first time that if you were a guy, if you were some tall guy who looked like Ivan, you could pretty much stop to look at anything you wanted, whenever you felt like it. And because I was walking with him now, just for this moment, I had special dispensation, I could look at whatever he was looking at, too.’

~ Elif Batuman, The Idiot