maandag 17 juni 2013

hoogteverschillen



Hoogteverschillen heeft een interessante vorm: het bestaat uit een essay (De zonde van hoogte), een kort verhaal (Op vaste bodem), en een memoir (Het verlies van diepte), en de wijze waarop Julian Barnes deze delen met elkaar verbindt is bewonderenswaardig, en mooi, en zorgt er voor dat dit boek een kunstwerkje is.

Het begint al met de eerste zinnen van ieder deel. De zinnen variëren, maar natuurlijk herkent de lezer een al eerder gelezen zin die bestaat uit bijna dezelfde woorden; ook het ritme komt overeen. Het belang van de desbetreffende woorden is duidelijk.

Door zinnen ook woord voor woord te herhalen worden de verschillende delen, en dus verschillende situaties, gekoppeld, en maakt de schrijver het verhaal dieper en hoger en breder; de lezer ontdekt steeds weer nieuwe parallellen.
De verbinding die tot stand komt heeft (natuurlijk) tevens te maken met de metafoor van de luchtballon: opstijgen, hoogte, afstand, aanwezigheid en afwezigheid, dromen, liefde, neerstorten en levend verbranden; deze woorden zijn overal van toepassing (hoewel Julian Barnes ze bijna niet gebruikt). De luchtballon is daarom misschien wel de 'hoofdpersoon' te noemen; het is altijd aanwezig.

Het mooiste van de gehele constructie is dat het laatste deel, Het verlies van diepte, het boek afrondt. Het is rauw en eerlijk en wijs en gemeen (op een zeer beleefde manier). We hebben zojuist gelezen over luchtballonnen en de ruimte boven de wolken waar 'geen stilte heerst, maar de schaduw van stilte' (p. 21), over een gedoemde romance die neerstort en verbrandt (of andersom); we kunnen de echo's van deze verhalen nog horen terwijl Julian Barnes over zijn onderwereld spreekt. Wederom merken we de samenhang op. Ik voelde me omsingeld; alles dat ik gelezen had raakte elkaar nu aan.

Barnes' memoir confronteert ons, de buitenwereld, met zijn wereld, zijn realiteit: de verwoesting staart je recht in het gezicht. Pijnlijk, maar prachtig.

donderdag 6 juni 2013

plainwater / my eyes in your back


We kennen allemaal het effect dat een tekst kan hebben. In Plainwater schrijft Anne Carson, in een nawoord, een soort liefdesverklaring aan dit effect:
"After a story is told there are some moments of silence. Then words begin again. Because you would always like to know a little more. Not exactly more story. Not necessarily, on the other hand, an exegesis. Just something to go on with. After all, stories end but you have to proceed with the rest of the day. You have to shift your weight, raise your eyes, notice the sound of traffic again, maybe go out for cigarettes. A coldness begins to spread through you at the though; a wish forms. Perhaps it is something about me you would like to know—not that you have any specific questions, but still, that would be better than nothing. I could pour you a glass of wine and go on talking about the sun still upon the mountains outside the window or my theory of adjectives or some shameful thing I have done in the past, and none of us would have to leave just yet." (p. 88)
De rest van dit nawoord is net zo mooi, maar moet eigenlijk gelezen worden met de hoofdtekst ('Canicula di Anna') in het achterhoofd.

Een liefdesverklaring aan teksten, maar misschien is het ook wel bedoeld als troost voor de lezer. De laatste regels van haar nawoord:
"And yet, having held you in my company so long, I find I do have something to give you. Not the mysterious, intimate and consoling data you would have wished, but something to go on with, and in all likelihood the best I can do. It is simply the fact, as you go down the stairs and walk in dark streets, as you see forms, as you marry or speak sharply or wait for a train, as you begin imagination, as you look at every mark, simply the fact of my eyes in your back." (p. 90)
Daar.

Plainwater is in zijn geheel indrukwekkend; het is vanzelfsprekend en volledig onherkenbaar. Het is een verzameling; poëzie, proza, essays; iedere vorm lijkt ze op meerdere wijzen te beheersen. Ik begrijp er weinig van, maar ik vind het mooi: ik lees langzaam en zonder haast. Gelukkig lijkt Anne Carson van voorwoorden, nawoorden, introducties te houden; ze is zich bewust van de lezer (sterker; ik denk dat ze zichzelf ook als lezer beschouwt).

Anne Carson, Plainwater: Essays and Poetry

woensdag 29 mei 2013

mijn leven is mooier door literatuur


Ik lees graag boeken over schrijven, over schrijvers. Sterker; ik zoek dit soort boeken de laatste tijd op. Al enige tijd probeer ik meer grip te krijgen op wat ik lees, waarom ik lees wat ik lees; maar ook wil ik weten hoe teksten in elkaar zitten, want waarom maken schrijvers de keuzes die ze maken? En wat geven ze een tekst onwillekeurig mee? Onbewust was ik mijn onderzoek al begonnen; mijn onderzoek naar schrijven, schrijvers, en geschreven werk.

Mijn leven is mooier dan literatuur las ik dan ook op het juiste moment (boeken hebben de neiging in het leesleven te verschijnen wanneer dat 't beste past).

Jannah Loontjens schrijft in haar boek over het begin van een schrijfproces, over de eerste zinnen, over het herschrijven en daarmee dus het idee dat een begin niet bestaat (1). Ze stelt vragen waar ze eigenlijk geen antwoord op wil hebben, opdat we altijd kunnen (en zullen) blijven nadenken over mogelijkheden; wat is literatuur? waarom schrijven we (2)? In Mijn leven is mooier dan literatuur vermengd Loontjens literatuurgeschiedenis met letterkunde, vergelijkt ze manieren van lezen ('Waarom is de ene manier van lezen beter dan de ander?'), en schrijft ze over (persoonlijke) angsten. Een kleine filosofie van het schrijver-schap.

(1)
Een begin duidt op een proces. Een idee kan een begin zijn, maar een idee komt ook niet uit het niets; een proces kan al bezig zijn zonder dat je er erg in hebt. Plus; niet ieder idee wordt geregistreerd. Niet iedereen schrijft, en niet iedere schrijver verwerkt dingen bewust in zijn werk: veel schrijvers beweren dat hun geschreven werk slimmer is dan zij zelf zijn. Ofwel: niet alles dat op papier staat is daar bewust geplaatst. Daar komt bij dat ieder mens dingen anders kan interpreteren (iets dat Socrates de stuipen op het lijf joeg, schrijft Loontjens), en dat een invalshoek onverwacht en vernieuwend kan zijn.

Jannah Loontjens blijft dit overigens herhalen in haar kleine filosofie; tijdens de poging een tekst te doorgronden heb je, vanzelfsprekend, met woorden te maken. En woorden hebben voor ieder mens een andere lading; dit is het gevolg van het unieke leven dat we allemaal (moeten) leiden. Wat er op papier staat wordt niet door iedereen op een zelfde manier geïnterpreteerd.

Sarah Hall gaf in een gesprek met VPRO Boeken (n.a.v. het Das Magazin festival, hier te beluisteren) een mooi voorbeeld; één van haar verhalen bevat een scene waarin een vrouw een bebloede hond tegenkomt. Ik wil niet te veel van het verhaal weggeven, lees dus gewoon Halls De prachtige onverschilligheid, wat ik wel zeggen kan is dit: een lezer was ervan overtuigd dat de bebloede hond een verzinsel was van de hoofdpersoon. 
Een prachtig idee, een idee dat het hele verhaal om kan gooien. Sarah Hall stond er versteld van, had hier zelf nooit bij nagedacht. Omdat haar verhalen veel 'open' eindes kennen, is zo'n idee van een lezer belangrijk. Zo een idee kan de wereld van het desbetreffende verhaal vergroten, zelfs voor de schrijver zelf.

Misschien is schrijven, en lezen net zo, wel te persoonlijk om echt iets over te kunnen zeggen. Ik vind Loontjens' neiging om overal aan te twijfelen dan ook niet storend, misschien wel omdat ik zelf ook zo ben. Er zijn oneindig veel mogelijkheden. Dat is waarom de literatuur nooit zal verdwijnen; zolang er wordt nagedacht over mogelijkheden, zolang er ruimte blijft om te proberen, zal deze kunstvorm zijn weg blijven gaan; zijn unieke weg.

(2)
Ik denk dat we schrijven omdat we mens zijn; omdat we kunnen én willen schrijven. We schrijven omdat ons hoofd zo vol zit, omdat we willen onderzoeken en begrijpen. We schrijven omdat we zoveel kleuren waarnemen, omdat er zoveel geluiden binnenkomen. We schrijven omdat de sterren zo ver weg zijn.

Ik denk dat we schrijven omdat we niet anders kunnen. We schrijven omdat we ademhalen.

* Deze blog maakt deel uit van een blogtour voor het boek Mijn leven is mooier dan literatuur, georganiseerd door Ambo Anthos. Het volledige schema kun je hier vinden.

maandag 27 mei 2013

het schrijven zelf (fragment)

"[Roland] Barthes' onderwerp is altijd weer het schrijven: waarschijnlijk heeft niemand sinds [Gustave] Flaubert (in zijn brieven) zo briljant en zo hartstochtelijk nagedacht over wat schrijven is. Veel van zijn werk is gewijd aan gedachten over de roeping van de schrijver: vanaf de eerste hekelende studies over de schrijver zoals hij door anderen wordt gezien, de schrijver als bedrieger, bijvoorbeeld 'De schrijver op vakantie', in Mythologies (1957), tot de meer ambitieuze essays over schrijvers als schrijver, dat wil zeggen, de schrijver als held en martelaar, bijvoorbeeld in 'Flaubert en de zin', over Flauberts 'kwelling van de stijl'. Barthes' prachtige essays over schrijvers moeten worden gezien als variaties op zijn grote apologie van de roeping van de schrijver. Ondanks zijn grote bewondering voor de martelende normen van integriteit die Flaubert heeft ingesteld, durft hij aan het schrijven te denken als een soort geluk: de kern van zijn essay over Voltaire ('De laatste gelukkige schrijver') en van zijn portret van Fourier, ongehinderd door het besef van het kwijt.

In zijn latere werk spreekt hij zonder omwegen over zijn eigen praktijk, scrupules, extase. Barthes interpreteert het schrijven als een ideaal complexe vorm van bewustzijn: een manier om tegelijk passief en actief, sociaal en asociaal, aanwezig en afwezig in het eigen leven te zijn. Zijn opvatting van de roeping van de schrijver sluit het door Flaubert onvermijdelijk geachte isolement uit, schijnt iedere strijdigheid tussen enerzijds de noodzakelijke verinnerlijking van de schrijver en de wereldse geneugten anderzijds te ontkennen. Het is Flaubert, zou je kunnen zeggen, vermengd met een flinke scheut van [André] Gide: een beschaafder, achtelozer strengheid, een gretige, arglistige kijk op ideeën die fanatisme uitsluit. Het ideale zelfportret – het portret van de schrijver zelf als schrijver – dat Barthes in al zijn werk heeft getekend, is al vrijwel compleet in het eerste essay over Gides 'egoïstische werk', zijn Journal. Gide leverde Barthes het patricische model van de schrijver die subtiel, veelzijdig, nooit drammerig of platvoers verontwaardigd is, ruimhartig maar ook voldoende egotistisch, niet ingrijpend te beïnvloeden.

(..)

Barthes steunt Gide ook in diens idee over een vorm van schrijven die ongrijpbaar is, bereid is niet groot te zijn."

uit: Susan Sontags essay Het schrijven zelf (opgenomen in de bundel Waar de nadruk ligt).

woensdag 15 mei 2013

het boek der rusteloosheid



"85 [142]
Een van de dingen waar ik voortdurend over pieker, is hoe het komt dat andere mensen bestaan, hoe het komt dat er zielen zijn die niet de mijne zijn, bewustzijnen vreemd aan mijn bewustzijn, dat, omdat het bewustzijn is, me het enige lijkt. Ik begrijp heel wel dat de mens die voor me staat en woorden tegen mij uit gelijk aan de mijne, gebaren tegen me maakt precies zoals ik er maak of zou kunnen maken, op de een of andere manier mijn gelijke is. Hetzelfde overkomt me echter met de beelden die ik droom bij illustraties, met de personages die ik voor me zie in romans, met de toneelfiguren die op het podium voorbijtrekken via de acteurs die hen uitbeelden. 
Niemand geeft denk ik werkelijk het reële bestaan van een ander toe. Hij kan accepteren dat die ander levend is, dat hij voelt en denkt als hij, maar er zal altijd een anoniem element van verschil zijn, een vermaterialiseerd nadeel. Er bestaan figuren uit voorbije tijden, geestelijke beelden in boeken, die voor ons grotere realiteiten zijn dan die vleesgeworden doodsheid die tegen ons praat van achter de toonbank, of ons toevallig aankijkt in de tram, of ons licht beroert in het voorbijgaan in het dode toeval van de straten. De anderen zijn voor ons niet meer dan landschap, een bijna altijd onzichtbaar landschap van een onbekende straat. 
(..) 
Op bepaalde dagen, op bepaalde uren, die tot mij worden gebracht door god weet welke bries en zich voor mij openen door het opengaan van god weet welke deur, voel ik ineens dat de kruidenier op de hoek een geestelijk wezen is, dat het knechtje dat zich op dit moment bij de deur over een zak aardappelen buigt, werkelijk een ziel is in staat om te lijden. 
Toen men mij gisteren vertelde dat de bediende uit de tabakszaak zelfmoord had gepleegd, voelde ik mij bedrogen. Arme stakker, hij bestond dus toch! Dat waren wij allen vergeten, wij allen die hem hadden gekend op dezelfde manier als allen die hem niet hebben gekend. Morgen zullen we hem beter vergeten. Maar hij had een ziel, welzeker, want hij pleegde zelfmoord. (..) " (p. 107-109)

*


Het boek der rusteloosheid, door Bernardo Soares. Fernando Pessoa schreef over zijn 'semi-heteroniem' ('semi, omdat het een ander is dan ik, maar een ander die niet zoveel verschillend is van mij, dan wel een verminking van mijn persoonlijkheid.') Bernardo Soares dat hij telkens verscheen wanneer Pessoa moe of slaperig was; 'zodat ik me tijdelijk minder laat leiden door verstandelijke overwegingen en remmingen (..)'

Misschien is dat wel waarom dit boek zo fantastisch 'werkt' in de avond, in de nacht. De dag (het licht, De Wereld) is weg. Er is nog wel Een Wereld, maar we beleven het anders. We zijn de weg een beetje kwijt, want we wachten op de slaap. Ondertussen laat onze geest alvast los. Er is meer mogelijk, en dat geldt zowel voor de lezer als voor de schrijver.

Het boek der rusteloosheid, Fernando Pessoa. Privé-domein nr. 166.

woensdag 8 mei 2013

de anderhalve kamer van joseph brodsky

Nog niet zo lang terug schreef ik een, misschien ietwat warrige, bespreking van het boek Valse papieren, het debuut van Valeria Luiselli. Warrig, maar het was vast wel duidelijk dat ik zeer onder de indruk was (en nog steeds ben*).

* ik zoek mijn weg in deze wereld: de wereld van letters, boeken, schrijven. De vorm van dit boek, de inhoud, de vragen, de ideeën – het houdt me nog steeds bezig. Mijn plan is dan ook het boek binnenkort weer te lezen, in de hoop dat het me nog verder kan helpen; in de hoop dat ik meer leer.

~

De anderhalve kamer van Joseph Brodsky, een van de essays uit Valse papieren, is nu online te vinden: